Palatalisatie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

Palatalisatie of palatalisering - in iets algemenere zin ook wel verzachting of mouillering genoemd -, is een klankverschuiving waarbij de articulatie van een medeklinker meestal onder invloed van een naburige klank verschuift in de richting van het harde verhemelte, het palatum. Deze klankverschuiving is wellicht de meest voorkomende vorm van lenitie.

De termen "palatalisatie" en "palatalisering" voor deze vorm van medeklinkerverzachting hebben de voorkeur in zowel de fonologie van de historische taalkunde (de leer van spraakklanken met betrekking tot hun betekenisonderscheidende functie) als de fonetiek (de leer van spraakklanken met de nadruk op articulatie).

De term "palatalisering" wordt door sommige taalkundigen zoals Pierre Fouché, met name in de wat oudere tradities, echter ook veelvuldig voor verschuivingen in de uitspraak van klinkers gebruikt. Dit fenomeen wordt tegenwoordig in de moderne taalkunde echter meestal "i-umlaut" genoemd.

Inhoud

[bewerken] Principe van palatalisatie

De spreker brengt gesproken taal niet met open mond voort. Een spraakklank is immers een luchttrilling, en zo'n trilling ontstaat alleen als er in mond of neus een vernauwing wordt gemaakt, een hindernis die de lucht doet trillen. Afhankelijk van de plaats waar die hindernis wordt gevormd neemt de spraakklank specifieke kenmerken aan. Wordt de tong bijvoorbeeld al in de pharynx omhoog gebracht, dan produceert de hindernis daar een velaar als /k/ of /g/, of een keelklank als [χ]. Maar als die vernauwing pas ergens tussen de tong en het verhemelte wordt gevormd is het resultaat een echte palataal of palato-alveolaar, bijvoorbeeld /tj/. Zie verder het Internationaal fonetisch alfabet.

Het verschijnsel palatalisatie treedt met name op bij velare plosieven, dus de /k/ in kool en de /g/ in het Engelse goat. De articulatie van deze klanken verplaatst zich een stuk naar voren in de mond, van het zachte naar het harde verhemelte. In de meeste gevallen mondt deze verandering uit in een alveo-palatale fricatief zoals /sj/ of /zj/.

De term palatalisatie wordt ook gebruikt voor een verhoging van de tongpositie bij de articulatie van labialen en dentalen, zodat de tongpunt tijdens het articuleren van deze klanken dichter bij het verhemelte komt te liggen. Zo wordt het Russische woord voor "nemen" ongeveer uitgesproken als [bra-tj]: de j geeft het palatale karakter van de voorafgaande klank aan.

Palatalisering is verwant aan andere verschijnselen zoals assimilatie en umlaut. Wanneer verscheidene van deze klankverschuivingen in een en dezelfde fonologische context optreden, is vaak sprake van een voedende volgorde van regels:

  • De umlautwerking kan op haar beurt tot palatalisering van medeklinkers leiden. Een midden of achter in de mond gelegen klinker zoals /a/ wordt eerst een meer voor in de mond gelegen klinker, zoals /æ/ of /ɛ/. De nieuwe klinker "stuwt" op zijn beurt de articulatie van een nabijgelegen plosief zoals /k/ of /g/ in de richting van het harde verhemelte.
  • Evenzo kan plaatselijke assimilatie tot palatalisering leiden. Een nabijgelegen /i/, /j/ of andere klinkerachtige zorgt er voor dat een medeklinker palatale kenmerken krijgt. Dit is bijvoorbeeld veel gebeurd in de ontwikkeling van de Ibero-Romaanse talen, en in het Oudengels.

[bewerken] Palatalisatie als fonetisch en als fonologisch verschijnsel

Klankverschuivingen vinden niet van de ene dag op de andere plaats, maar zijn onderdeel van een proces van taalverandering dat eeuwen duurt. In eerste instantie ontwikkelt een uitspraakvariant zich altijd als allofoon van een klank in bepaalde fonologische contexten. Als een dergelijke verschuiving min of meer systematisch optreedt, is sprake van een klankwet.

Wanneer een klankwet zich zodanig heeft ontwikkeld dat de nieuwe klank niet langer als een variant van de oorspronkelijke wordt aangevoeld, is het onderscheid fonematisch geworden; de nieuwe klank is dan "definitief ingeburgerd". Zo ver hoeft het echter lang niet altijd te komen; taalverandering is immers een natuurlijk en daardoor grillig en onvoorspelbaar proces.

Een bepaalde klankverschuiving kan zich dus definitief "nestelen" in de fonologie van een taal. Wat oorspronkelijk nog duidelijk herkenbaar was als een allofoon van een bepaalde klank, wordt nu een apart, betekenisonderscheidend foneem. Historische ontwikkelingen kunnen hun sporen in de hedendaagse taal achterlaten doordat er nieuwe betekenisonderscheidende elementen worden waargenomen die er eerder nog niet waren.

Op het fonetische niveau is palatalisatie dus slechts een vorm van sandhi, en daarmee een minder ingrijpenden verandering dan op het fonologische niveau: een medeklinker ondergaat onder invloed van omringende klanken een verschuiving richting het palatum en verkrijgt daarmee een secundaire articulatie, naast zijn primaire. Volgens sommige taalkundigen zoals Pat Keating onderscheiden gepalataliseerde medeklinkers zich hierdoor nog steeds van "echte", natuurlijke palatalen.

In de fonologie van de synchrone taalkunde kan palatalisatie daarentegen betekenisonderscheidend zijn. Anders dan bij fonetische palatalisatie gaat het hier niet om een omgevingsafhankelijk proces. De gepalataliseerde klanken zijn nu fonemen, die in allerlei fonologische contexten kunnen voorkomen.

[bewerken] Palatalisatie in Romaanse talen

De historische taalkunde heeft zich intensief bezig gehouden met het Latijn en de talen die ervan afstammen, de Romaanse talen: hiervoor was immers veel onderzoeksstof aanwezig, de geschiedenis van deze talen was volop bekend.

[bewerken] Vóór voor in de mond gelegen klinkers

Palatalisatie van velaren heeft plaatsgevonden in de ontwikkeling van bijna alle Romaanse talen uit het Latijn. In het klassiek Latijn werd met het grafeem c uitsluitend een stemloze plosief aangeduid, maar de articulatie van deze klank is in de meeste Romaanse talen naar voren geschoven, eerst tot de affricaat /tsj/, daarna verder tot de alveo-palatale fricatief /sj/, en als gevolg van assibilatie uiteindelijk tot /s/.

Als de Latijnse c (/k/ in de uitspraak) aan een klinker voorafging die vóór in de mond werd uitgesproken, zoals i en e, trad palatalisatie op in de meeste talen die uit het Latijn zijn ontstaan. Bijvoorbeeld in het Frans, Rheto-Romaans, Roemeens, Italiaans, Spaans en Portugees.

Latijn Italiaans Frans
Cicero Cicerone Cicéron
tweemaal /k/ tweemaal /tsj/ tweemaal /s/

[bewerken] Voor a met klinkerverschuiving

Het komt ook voor dat de klinker in het Latijn na de c géén voor in de mond gelegen klinker was, maar dit - met name in open lettergrepen in het Frans - wel werd. Dit verschijnsel staat bekend als de wet van Bartsch. Ook hier vinden we dus palatalisering, zoals uit het voorbeeld hieronder blijkt. De cognaten betekenen allemaal "dierbaar".

Latijn Italiaans Spaans Portugees Frans
carus caro caro caro cher
/k/ /k/ /k/ /k/ /sj/

[bewerken] Voor a zonder klinkerverschuiving

Het Frans onderscheidt zich van andere Romaanse talen doordat vrijwel alleen hier ook voor de centraal gearticuleerde klinker /a/ systematisch palatalisatie van velaren is opgetreden. Vergelijk ter illustratie de volgende cognaten, die allemaal "kaars" betekenen:

Latijn Italiaans Spaans Portugees Frans
candela candela candela candeia chandelle
/k/ /k/ /k/ /k/ /sj/

Dit opmerkelijke en zeldzame verschijnsel is vermoedelijk een gevolg van het feit dat in de allereerste stadia van het Frans /a/ in open lettergrepen als /æ/ werd uitgesproken [1].

[bewerken] Palatalisatie in Germaanse talen

Bij de ontwikkeling van de diverse subfamilies uit het Oergermaans onderscheidde het Ingveoons zich van de andere West-Germaanse talen door de aanwezigheid van palatalisatie. Vergelijk Nederlands kerk, Duits Kirche tegenover Fries tsjerk en Engels church:

Oud Engels Modern Engels
bōc book
/k/ /k/
pic pitch
/k/ /tsj/

In het eerste voorbeeld, dat "boek" betekent, is in de loop der tijd geen palatalisering opgetreden. In het tweede voorbeeld, "pek", is onder invloed van de voor in de mond gelegen klinker /i/ wel palatalisering opgetreden.

Palatalisering trad al in het Oudengels, wanneer een /k/ of /g/ naast een voor in de mond gearticuleerde klinker stond:

Germaans Oud Engels
kiusan ceosan
/k/ /tsj/

Iets dergelijks kwam voor in de combinatie /ggj/, waar aanvankelijk zelfs een dubbele /g/ werd uitgesproken. De invloed van de /j/ zorgde er echter voor dat de gehele combinatie ging worden uitgesproken als /dzj/. De Oudengelse voorloper van to say, "zeggen", is bijvoorbeeld:

vroeg Oudengels later Oudengels
seggjan secgan
/ggj/ /dzj/

De combinatie /sk/, geschreven als sc, werd zelfs altijd gepalataliseerd, ongeacht of er een voor in de mond gelegen klinker op volgde of een achterklinker. De woorden voor sheep, "schaap", en voor shower, "regenbui":

Germaans Oud Engels
?skæpa scep
/sk/ /sj/
?skuraz scur
/sk/ /sj/

In al deze gevallen is de palatalisering in het Nederlands niet opgetreden: wij gebruiken nog de velaren in respectievelijk:

boek, pek, kiezen, zeggen, schaap en schoer (streektaal voor "regenbui, windvlaag").

Evenzo is de Oergermaanse /k/ bewaard gebleven in het Nederlandse kiezen.

Tenslotte valt nog op dat in bijvoorbeeld het Engels en Duits (maar ook in andere talen, bijvoorbeeld het Farsi) palatalisatie soms ook aan het einde van woorden optreedt: de /tsj/ in het Engels (fisch) en de Duitse ichlaut /chj/ (Fisch).


[bewerken] Palatalisatie in Baltische en Slavische talen

Ook in de ontwikkeling van de Baltische en met name de Slavische talen zijn verschillende grote golven van met name velare palatalisaties opgetreden. In het Proto-Slavisch volgde op de eerste Slavische palatalisatie in veel gevallen nog een tweede golf en soms zelfs een derde, als gevolg van het feit dat de diftong /ai/ in lettergrepen als kaj, gai en xaj was veranderd in /ē/.

In de Oost-Slavische talen, met name het Russisch, hebben veel medeklinkers een gepalataliseerde ("zachte") en een niet-gepalataliseerde ("harde") variant, die betekenisonderscheidend zijn. Beide kunnen zowel vóór voorklinkers als vóór achterklinkers voorkomen, alsook vóór andere medeklinkers. Zie hierover ook fonetiek en fonologie van het Russisch.

In de spelling van het Russisch wordt palatalisatie onder andere aangegeven met een speciale letter: het zachte teken ь. In transcriptie gebruikt men hiervoor een apostrof.

"mat" "moeder" "kneden"
мат мать мять
/mat/ /mat'/ /m'at'/
"dag" (genitief) "afgrond" (genitief)
дня дна
/dn'a/ /dna/

Het onderscheid tussen gepalataliseerde en niet-gepalataliseerde medeklinkers (in de Russische grammatica resp. "zachte" en "harde" medeklinkers genoemd) kan op verschillende manieren ontstaan zijn:

  • Onder invloed van een jer (een bepaalde korte klinker), die uit het woord verdwenen is, maar een "spoor" op de voorgaande medeklinker heeft achtergelaten in de vorm van palatalisatie. Zo stamt het Russische день /den'/ van het Proto-Slavische *dьnь en is de /n'/ zacht geworden door de klinker ь die er oorspronkelijk op volgde. Merk op dat de uitgevallen klinker (jer) en de palatalisatie niet toevallig met hetzelfde letterteken weergegeven worden.
  • Als gevolg van denasalisatie. De Proto-Slavische / (nasale e) wordt in het Russisch een /a/, maar verzacht, om het onderscheid met de "oude" a te handhaven, de voorgaande medeklinker. Iets dergelijks is gebeurd met de /m'/ in мять (<*męti).

Ter illustratie twee equivalenten voor "vrouw":

Oudgrieks Oudkerkslavisch
gunē žena
/g/ /zj/

[bewerken] Palatalisatie in andere talen

In andere dan de hierboven besproken Indo-Europese talen, zoals het Grieks en Ossetisch, is /e/ een sterker palataliserende klinker dan /i/. Dit is ook zo in sommige niet-Indo-Europese talen, zoals het Oezbeeks.

In de Goidelische talen worden palatale medeklinkers in de spelling onderscheiden van andere medeklinkers door toevoeging van een /i/. Bijvoorbeeld: Gaeilge, [geːlʲɟə]. Iets soortgelijks doet zich voor in de orthografie van het Pools, waar vrijwel alle medeklinkers gepalataliseerd worden voor /i/. Een geschreven /i/ dient meestal alleen om het palatale karakter van de voorafgaande klank weer te geven, zoals in dzi ("dag"). De /i/ zelf wordt niet uitgesproken.

In het Hakka zijn gepalataliseerde velaren en de palatalen /ç/ en /ɲ/ voor /o/, /u/, /ɔ/ en /au/ slechts allofonen van de velaren /k/ en /ɳ/ voor andere klinkers.

[bewerken] Gevolgen voor de morfologie

Omringende klanken kunnen ook uitgangen zijn, bijvoorbeeld bij de verbuiging van een naamwoord. De ene naamval eindigt bijvoorbeeld op -o en de andere op -i. Onder invloed van deze verschillende uitgangen kan de uitspraak van de laatste klank van de woordstam worden beïnvloed (allomorfie). Vóór de ene uitgang zal deze klank dan wel gepalataliseerd worden, voor de andere niet.

Zo treffen we in het Italiaans het volgende woordpaar aan:

  • amico [amik-o] — amici [amitsj-i], "vriend - vrienden"[2].

Het Tsjechische woord voor "Praag" - een singulare tantum - kent een naamval met assimilatie:

  • Praha [prah-a] — v Praze [praz-e] ("Praag" — "in Praag").

Uit het Italiaanse voorbeeld blijkt dat het uitspraakverschil niet altijd in de spelling tot uitdrukking komt, net zoals het Nederlandse grafeem c een stemloze velaar kan weergeven, maar ook - logischerwijs alleen voor /e/ en /i/ in met name Romaanse leenwoorden - een sibilant.

[bewerken] Zie ook

 
Persoonlijke instellingen
Boek maken