Naamval
| Naamvallen |
|---|
| Nominatief |
| Genitief |
| Datief |
| Accusatief |
| Vocatief |
| Ablatief |
| Locatief |
| Instrumentalis |
| Algemene Latijnse vervoegingen en verbuigingen |
Een naamval of casus is een middel waarmee de grammaticale functie van een woord in de zin kan worden aangegeven. Zichtbare naamvallen betreffen de morfologie, wat wil zeggen dat de vorm van het betrokken woord wijzigingen ondergaat, meestal in de vorm van een naamvalsuitgang - en worden onderscheiden van onzichtbare (abstracte) naamvallen.[1]
Inhoud |
[bewerken] Benaming van de Indo-Europese naamvallen
Voorbeelden van Indo-Europese talen met morfologische naamvallen zijn het Latijn, het Russisch en het Duits. In al deze talen gaat het naamvallensysteem terug op dat van het Proto-Indo-Europees, dat acht naamvallen kende (zie het tabelletje hiernaast). Het naamvallensysteem op zich is echter zeker niet iets specifieks voor deze taalfamilie.
De term naamval wordt vaak in engere zin gebruikt voor vormen die afstammen van deze oorspronkelijke acht, maar kan ook in breder verband toegepast worden in de analyse van andere taalgroepen.
De acht Indo-Europese naamvallen hebben verschillende namen: aangegeven met de rangtelwoorden eerste t/m achtste, met de vernederlandsing van de Latijnse namen, ofwel een Nederlandse vertaling; voor dit laatste heeft o.a. Christiaen van Heule zich ingezet. Het onderscheid tussen de locatief en de instrumentalis bestaat tegenwoordig nog in veel Slavische talen.
| Rangtelwoord | Vernederlandsing | Vertaling (van Heule) |
|---|---|---|
| Eerste naamval | Nominatief | Noemer |
| Tweede naamval | Genitief | Bearer (Drager) |
| Derde naamval | Datief | Gever |
| Vierde naamval | Accusatief | Aenklager (Aanklager) |
| Vijfde naamval | Vocatief | Rouper (Roeper) |
| Zesde naamval | Ablatief | Ofnemer (Afnemer) |
| Zevende naamval | Locatief | - |
| Achtste naamval | Instrumentalis | - |
Taalkundigen (en Wikipedia, zie tabel boven) geven de voorkeur aan de vernederlandsing, taalpuristen eerder aan het rangtelwoord of een vertaling[bron?].
[bewerken] Gebruik van naamvallen
Sommige talen, zoals het Nieuwgrieks en het Arabisch, hebben slechts een paar naamvallen. Andere niet-Indo-Europese talen zoals het Fins en het Hongaars hebben er veel meer. Of juist helemaal geen, zoals het Mandarijn. Het volledig ontbreken van een naamvallensysteem is kenmerkend voor een isolerende taal.
Talen die geen of niet in alle gevallen naamvallen gebruiken - van het type analytische taal -, gebruiken hiervoor in de plaats meestal voorzetsels of een vaste volgorde van woorden en zinsdelen. Een voorbeeld van een naamvallen- versus voorzetselsysteem aan de hand van het Duits en het Nederlands:
- Das Auto meines Bruders
- De auto van mijn broer
- Tod den Spammern!
- Dood aan de spammers!
Het Duits bezigt hier een naamval om de functie van mein Bruder (genitief) en die Spammer (datief) aan te geven. Het Nederlands bezigt in plaats daarvan een voorzetsel: in de eerste zin van, in de tweede aan.
In veel talen worden naamvallen en voorzetsel ook in combinatie gebruikt. Het Nederlandse voorzetsel met had bijvoorbeeld in het verleden de datief, in het Duits is dat voor het overeenkomstige mit nog steeds het geval. In zekere zin heeft dit gebruik iets tautologisch, want vaak is bij het weglaten van de naamvalsuitgang de betekenis nog steeds duidelijk. Dit is waarschijnlijk ook de reden of een van de redenen dat het Nederlands de overeenkomstige uitgangen gaandeweg verloren heeft.
Er zijn echter ook voorzetsels die in combinatie met meer dan een naamval voorkomen, en meestal is er dan ook verschil in betekenis. In het Russisch bijvoorbeeld heeft het voorzetsel s bijvoorbeeld ofwel de betekenis met ofwel vanaf. In het eerste geval gaat het gepaard met de instrumentalis in het tweede met de genitief.
Een voorbeeld van naamval versus woordvolgorde aan de hand van het Nederlands en het Latijn:
- Cornelia slaat Marcus
Het Nederlands kent in dit geval geen naamvalsonderscheid (meer). In plaats daarvan wordt hier een vaste woordvolgorde gebruikt. Aan Cornelia en Marcus is niet te zien welke functie ze hebben in de zin. Je kan niet zeggen Marcus slaat Cornelia als je bedoelt dat Cornelia Marcus slaat. In het Latijn - waar de zelfstandige naamwoorden uitgangen kregen - is het anders. De volgende twee zinnen betekenen hetzelfde:
- Cornelia Marcum castigat (Cornelia slaat Marcus)
- Marcum Cornelia castigat (Cornelia slaat Marcus)
Dit kan omdat in het Latijn de functie van woorden uit de naamvalsvorm ervan blijkt. De nominatief-uitgang -a bij Cornelia wijst er in dit geval op dat Cornelia onderwerp is in deze zin. De accusatief-uitgang -um bij Marcum wijst erop dat dit woord lijdend voorwerp is. Hierdoor is de woordvolgorde dus niet meer van belang. Zou je willen zeggen dat Marcus Cornelia slaat, dan wordt het:
- Marcus Corneliam castigat (Marcus slaat Cornelia)
- Corneliam Marcus castigat (Marcus slaat Cornelia)
Dit werkt ook bij gecompliceerdere zinnen:
- Cornelia Marco librum antiquum dat (Cornelia geeft Marcus een oud boek)
- Marco dat librum Cornelia antiquum
- Antiquum Cornelia dat librum Marco
- Librum Marco Cornelia antiquum dat
- Enzovoorts...
Alle mogelijke woordvolgordes (in dit geval 120) zijn in deze zin mogelijk, zonder dat de betekenis verandert. De nadruk in de zin kan echter wel verschillend zijn. De nominatief-uitgang -a geeft aan dat Cornelia onderwerp is, -um (accusatief) dat librum (boek) en antiquum (oud) lijdend voorwerp zijn en -o (datief) dat Marco meewerkend voorwerp is. Hierdoor maakt de volgorde waarin ze staan niet meer uit. Overigens zijn lang niet alle mogelijke volgordes gebruikelijk in het Latijn, al zijn ze in principe wel allemaal correct. Bij gecompliceerdere zinnen kan de woordvolgorde wel degelijk van belang zijn, maar die blijft oneindig veel vrijer dan de Nederlandse. Daardoor kan het Latijn ook veel meer met inversies werken dan het Nederlands.
[bewerken] Naamvallen in het Nederlands
Het Nederlands is in de eerste plaats een analytische taal, en heeft het stelselmatige gebruik van naamvallen dus grotendeels verloren. Persoonlijke voornaamwoorden vormen de enige uitzondering:
- Ik zie hem.
- Hij ziet mij.
Hem en mij zijn de accusatiefvormen van hij en ik.
Het enige verschil tussen accusatief en datief in het modern Nederlands, buiten de standaard uitdrukkingen, vindt men in het onderscheid tussen hen en hun. Hen is de accusatief van het persoonlijk voornaamwoord in de derde persoon meervoud en hun is de datief. In de praktijk worden deze vormen echter veelal door elkaar gehaald.
Voor de rest moeten we het vooral van de volgorde en de voorzetsels hebben. Toch is er nog een aanzienlijk aantal overblijfselen van de stelselmatige verbuiging van het zelfstandig naamwoord in het Nederlands:
- De heer des huizes = de heer van het huis
- Het jaar der jaren = het jaar van de jaren
- Het beste lied aller tijden = het beste lied van alle tijden
- 's Morgens ga ik naar school, 's middags kom ik terug.
- U bent één mijner vrienden. = U bent één van mijn vrienden.
- Woordenboek der Nederlandsche taal = Woordenboek van de Nederlandse taal
De genitief komt nog het meeste voor in het Nederlands, maar er zijn ook voorbeelden van de datief en de accusatief te vinden in wat vaste of staande uitdrukkingen genoemd worden.
- Van harte!
- Op den duur
- Ik ben slecht ter been
- Iemand in koelen bloede vermoorden
Ook in (achter)namen komen we naamvallen nog wel eens tegen:
- Peter van den Berg
- Wilko ter Witte
- Jan den Appel
[bewerken] Overzicht van naamvallen
| Naamval | Betekenis | Voorbeeld | Talen (bijvoorbeeld) |
|---|---|---|---|
| Abessief | afwezigheid van iets | zonder het huis | Fins, Estisch |
| Ablatief (1) | indirect | het huis betreffend | Latijn, Sanskriet |
| Ablatief (2) | beweging ergens vandaan | van het huis weg | Fins, Estisch, Latijn, Turks, Tamil |
| Ablatief (3) | handelend voorwerp | door het huis | Latijn |
| Absolutief | subject van onovergankelijke werkwoorden; object van overgankelijke werkwoorden |
het huis | Baskisch |
| Accusatief | direct object | het huis | Arabisch, Esperanto, Latijn, Grieks, Oudiers, Duits, Engels, Russisch, Tsjechisch, Slowaaks, Pools, Roemeens |
| Adessief | dichtbij / op / om...heen | bij het huis | Fins, Estisch |
| Adverbialis | bijwoord (afgeleid van bijvoeglijk naamwoord) | ... | Abchazisch, Georgisch |
| Allatief | beweging ergens heen | naar het huis, tot bij het huis | Fins, Estisch |
| Antessief | voorafgaand aan | voorafgaand aan het concert | Dravidische talen |
| Apudessief | naast | naast het huis | Tsezisch, Bezjta |
| Aversief (evitatief) | vermijdend/ vrezend | het huis vermijdend/ vrezend | Australische talen |
| Comitatief | samen met | met het huis | Estisch, Hongaars |
| Comparatief (Equatief) | (net) als | net als het huis | Mari, Ossetisch, Fins, Sumerisch |
| Datief | richting, ontvanger; indirect object |
aan het huis, ten huize | Duits, (oud-)Latijn, Russisch, Hindi, Oudiers, Pools, Roemeens, Tsjechisch, Slowaaks, Nederlands, Grieks |
| Dedatief (Respectief) | verwantschap | met het huis verbonden | Quenya (dit is geen natuurlijke taal; mogelijk is deze naamval door Tolkien bedacht) |
| Delatief | van...af, van...uit, over | van het huis af | Hongaars |
| Elatief | beweging ergens uit | het huis uit | Fins, Estisch, Hongaars |
| Ergatief | subject dat een overgankelijk werkwoord uitvoert | het huis | Baskisch, Inuktitut |
| Essief | kenmerk | zoals het huis | Fins, Estisch, Middel-Egyptisch |
| Exessief | van...in (toestand) | van een huis tot... | Savo-Fins |
| Finalis | voor een huis, met een huis als einddoel | ... | Semitische talen (vroeger) |
| Genitief | bezit, betrekking | des huizes | Fins, Estisch, Arabisch, Nederlands, Duits, Hebreeuws, Oudiers, Modern-Iers, Latijn, Grieks, Pools, Roemeens, Tsjechisch,Slowaaks, Engels |
| Illatief | beweging naar binnen | het huis in | Fins, Estisch |
| Inessief | binnenin | in het huis | Fins, Estisch, Hongaars, Erzja, Ossetisch, Tsezisch |
| Instrumentalis / Instructief | benutten van iets | door het huis | Russisch, Sanskriet, Pools, Tsjechisch, Fins. |
| Intratief | tussen | tussen de huizen | Limbu |
| Latief | naar...toe | naar het huis toe | Fins, Erzja, Moksja, Mari |
| Locatief | plaats | in / bij het huis, ten huize | Sanskriet, Lets, Pools, Turks, Xhosa, (oud-)Latijn, Russisch, Tsjechisch, (Nederlands zie locatief) |
| Multiplicatief | aantal | drie huizen | Hongaars |
| Nominatief | onderwerp | het huis | vrijwel elke taal |
| Obliquus | omvattend/betreffend, ofwel elke andere naamval dan het onderwerp | Hindi, Kirmanci, Zazaki, Adyghe, Kabardisch, Oebychs, Bulgaars (alleen bij voornaamwoorden) | |
| Partitief | enkele / aantal / deel van | deel van huis | Fins, Estisch |
| Pegatief | agens met datief | ... | Tlapaneeks |
| Pertingent | in aanraking met | in aanraking met het huis | Tlingit |
| Possessief | bezit | het huis toebehorend (des huizes) |
Quenya (zie ook "Dedatief"). |
| Postpositionalis | voor bepaalde achterzetsels | het huis aan ... | Hindi |
| Prepositionalis | na bepaalde voorzetsels | ... aan het huis | Russisch |
| Prolatief {Prosecutief, Vialis} | medium: "door...heen, door middel van" | d.m.v. het huis | Fins, Estisch, Nenets, Baskisch, Inuktitut |
| Proximatief | dicht bij... | dicht bij het huis | Gimív (kunsttaal) |
| Subessief | onder, lager dan | onder het huis | Tsezisch |
| Sublatief | naar het oppervlak/de bodem van | naar de bodem van het huis | Fins, Hongaars, Tsezisch |
| Superessief | op het oppervlak van | op het huis | Hongaars, Ossetisch, Tsezisch |
| Temporalis | tijdens, gedurende | gedurende de maaltijd | Hongaars |
| Terminatief | einde van een beweging of tijd | tot aan het huis | Fins-Oegrische talen, Mongoolse talen, Sumerisch, Tibetaans |
| Translatief | verandering naar iets | verandert in het huis | Fins, Hongaars, Estisch |
| Vocatief | aanspreekvorm | huis! | Latijn, Grieks, Oudiers, Modern-Iers, Sanskriet, Pools, Bulgaars, Tsjechisch, Slowaaks Welsh |
[bewerken] Zie ook
- Indo-Europese talen
- Paradigma
- Ontleding
- Thematische relatie
- Dieptecasus
- Agglutinatie
- Synthetische taal
- Declinatie
| Bronnen, noten en/of referenties |