Albertus Magnus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Voor de studentenvereniging, zie RKSV Albertus Magnus.
Albertus Magnus, fresco van Tommaso da Modena, Treviso, Italië (1352).
Schilderij van Joos (Justus) van Gent, Urbino, omstreeks 1475
Albertus Magnus-gedenkteken aan de Universiteit Keulen

Albertus Magnus (ook Albertus de Grote of Albert von Lauingen) (Lauingen (Donau), Zwaben, Albertus von Regensburg genoemd Regensburg Germaans adel; en bert; 'schitterend, glanzend of stralend' met de betekenis; door adel schitterend, ca. 1200 - Keulen, 15 november 1280) was een Duitse filosoof en theoloog en is een heilige.

Graaf van Bollstadt en beroemd wijsgeer, natuuronderzoeker en schrijver. Magnus werd Doctor Universalis genoemd als erkenning voor zijn grote kennis op alle wetenschapsgebieden.

Leven[bewerken]

Albertus werd rond 1200, waarschijnlijk in 1193, in Lauingen geboren als de oudste zoon van de Graaf van Bollstadt, Markward von Lauingen, die mogelijk deel uitmaakte van de lagere dienstadel van Hohenstaufen. Over Albertus' vroegste jeugd is niet veel bekend. Hij ging naar de universiteit van Padua om de vrije kunsten te studeren. Hij trad hier in 1223 in bij de Dominicaner Orde, na onder de indruk te zijn geweest van de preken van Jordanus van Saksen, de opvolger van de stichter van de orde (Dominicus Guzman). In Padua en in Bologna vervolgde hij zijn theologiestudie en vanaf 1228 gaf hij in de kloosters te Regensburg, Freiburg, Straatsburg, Hildesheim en Keulen onderwijs in de theologie. De communiteit van Keulen stuurde Albertus in 1243-1244 naar Parijs, waar hij kennismaakte met het gedachtegoed van Aristoteles en Averroës. In 1247 behaalde hij daar de graad van magister in de theologie en doceerde met veel succes. Onder zijn gehoor was zijn medebroeder Thomas van Aquino, die Albertus in 1248 naar Keulen volgde, waar Albertus de leiding kreeg van het nieuwe Studium Generale van de dominicanen. In Keulen doceerde hij vooral de filosofische en natuurwetenschappelijke werken van Aristoteles en gaf Keulen zo de reputatie van centrum van de wetenschap. Tussen 1254 en 1257 was Albertus provinciaal van de Duitse provincie der dominicanen. In deze tijd hield hij zich onder andere bezig met de verdediging van de dominicanen tegen de aanvallen van de Parijse Faculteit en de fouten in het werk van de Arabische filosoof Averroes. Albertus was een vaardig bemiddelaar bij geschillen. Er zijn twintig geschillen bekend waarin hij bemiddelde. Drie conflicten tussen de stad Keulen en de aartsbisschop van Keulen regelde hij met succes. Paus Alexander IV riep Albertus in 1256 naar Rome om bij een geschil op te treden en benoemde hem in 1260 tot bisschop van Regensburg. Dit ambt behaagde Albertus niet en nadat paus Urbanus VI aangetreden was, vroeg hij in 1262 om ontslag. De paus verleende dit en gaf hem de opdracht Duitsland en Bohemen op te roepen tot het houden van een kruistocht (de Achtste Kruistocht). Tussen 1264 en 1267 woonde en doceerde Albertus in Würzburg en Straatsburg. In 1270 keerde hij definitief terug naar Keulen in het klooster van de dominicanen, waar hij de laatste jaren van zijn leven vooral wijdde aan onderricht en studie. In 1274 nam hij deel aan het Tweede concilie van Lyon. Na de dood van zijn oud-leerling Thomas van Aquino op 12 maart 1274 verdedigde hij diens werk tegen critici. Zijn geest verzwakte vroeger dan zijn lichaam, hij overleed op 15 november 1280 te Keulen.

Verering[bewerken]

Zijn stoffelijke resten bevinden zich in de crypte van het Sankt Andreasklooster te Keulen. In 1622 werd Albertus door paus Gregorius XV zalig verklaard. De heiligverklaring vond plaats op 16 december 1931 door paus Pius XI. Deze paus benoemde hem tegelijk tot kerkleraar en patroonheilige van de wetenschap.

Werken[bewerken]

De animalibus

Hij is de patroon van de beoefenaars der natuurwetenschappen. Hij verbaasde zijn tijdgenoten over de omvang van zijn kennis, ook in chemie, fysicus, mechaniek, wat zich in de sagen uitspreekt die zich na zijn dood ontwikkelden bijvoorbeeld dat hij graaf Willem van Holland gedurende de winter in een bloeiende kloostertuin heeft ontvangen, dat hij van metaal een menselijk hoofd gemaakt heeft, dat spreken kon etc., het maakte van hem een toveraar. Hij heeft vele belangrijke werken geschreven. Terwijl zijn echte werken werden veronachtzaamd, gaf de smakeloze en bijgelovige inhoud van ondergeschoven geschriften aan latere eeuwen aanleiding tot een geringschattende beoordeling van A. Magnus. Het volk hield hem voor een tovenaar. Sommige geleerden noemden hem ten onrechte Simia Aristotelis: ‘aap van een Aristoteles’. In de botanie trad hij als zelfstandig onderzoeker op. Hij wordt ‘Doctor Universalis’ genoemd als erkenning voor zijn grote kennis op alle wetenschapsgebieden. Het is niet eenvoudig om een lijst van Albertus' werken te geven. Al in de late Middeleeuwen verschenen er de nodige werken onder zijn naam die echter niet van zijn hand zijn. De moderne edities van zijn werken gaat zo'n zeventig delen beslaan. Hij wordt dan afgebeeld met een wit Dominicanenhabijt en met open boek, pen of ganzenveer. Vaak houdt hij een staf in zijn hand en soms een kloostermodel. Andere attributen zijn een duif als goddelijke inspiratie en een schedel in zijn hand naar zijn ascetisch leven. Patroon van fysici en theologen.

Mulder zegt toch:’ Albertus Magnus deed meer dan compileren, hij hechtte een grote waarde aan ervaring, observatie en een methode die met enige goede wil ‘experimenteel’ genoemd kon worden en trok onwaarschijnlijke berichten in twijfel. De zelfcastratie van de bever wees hij van de hand omdat deze door de ervaring weersproken werd en hij hechtte geen geloof aan het bestaan van griffioenen. Hij maakte verre reizen en schreef over de wonderbaarlijke wezens die hij ontmoette, zoals een bok met twee poten. Of het spinnenmeisje: in Keulen werd hem en een aantal van zijn medewerkers een meisje vertoond van misschien drie jaar oud, dat zodra haar moeder haar losliet naar de hoeken van de kamer holde op zoek naar spinnen, ‘en ze allemaal opat, groot en klein. Ze gedijde uitstekend op dit dieet en gaf er verreweg de voorkeur aan boven ieder ander voedsel.’

Behalve van dergelijke waarnemingen doet Albertus verslag van experimenten. Met zijn medewerkers vergewiste hij zich er proefondervindelijk van dat cicaden nog enige tijd voortgaan met zingen nadat ze onthoofd zijn. Als vorm van experimentele wetenschap doet dergelijke vivisectie nogal grof aan, maar het betekende een vernieuwing. Albertus probeerde ook alle struisvogels die hij in privé-dierentuinen zag ijzer te voeren, om na te gaan of ze dat inderdaad aten. Hij stelde vast dat ze ijzer afwezen, maar wel gretig steentjes en stukjes bot opslokten. (Albertus wist nog niet dat ze dat doen om hun spijsvertering te bevorderen.)

Een ander experiment herinnert er nog eens aan dat in de middeleeuwen magie en natuurwetenschap niet strikt te scheiden waren - ook om Albertus Magnus hing, net als om Michael Scotus, het aura van de magiër: ‘Onlangs kregen wij een ring te zien met een smaragd erin van geringe afmetingen, maar van een wonderbaarlijke schoonheid. Toen de werking ervan onderzocht zou worden, kwam iemand naar voren en zei dat er een van de volgende dingen zou gebeuren als iemand met de smaragd een cirkel trok rond een pad en de steen daarna voor de ogen van het dier neerzette: als de steen slechts met geringe kracht begiftigd was, zou hij breken onder de blik van de pad, of, als de edelsteen zijn volledige oorspronkelijke kracht bezat, zou de pad barsten. Zonder uitstel werd alles naar zijn aanwijzingen in gereedheid gebracht. Na een korte spanne tijds, gedurende welke de pad zijn ogen niet van de edelsteen afwendde, begon de smaragd te splijten als een noot, en een deel ervan vloog de ring uit. Hierna week de pad, die zich tot dat moment niet had verroerd, achteruit alsof hij bevrijd was van de invloed van de edelsteen.’

Ook Albertus werd ondanks al zijn onafhankelijkheid nog regelmatig het slachtoffer van boekenwijsheid. Met Plinius twijfelde hij er niet aan dat de zuigvis (echinus) een schip kan tegenhouden. Andere misvattingen schreef hij over van zijn leerling Thomas van Cantimpré. Door deze methode, die in wezen nog verre van experimenteel was, kregen ook beweringen die hij met gemak had kunnen controleren een plaats in zijn geschriften, zoals de blunder dat vliegen acht pootjes hebben. Het belang van Albertus was dan ook minder gelegen in zijn primitieve experimenten dan in zijn inspanningen om Aristoteles aanvaardbaar te maken voor de Kerk. Diens systematische, over het algemeen wel op waarnemingen stoelende zoölogie zou uiteindelijk de wetenschap van een vruchtbaarder grondslag voorzien dan de moralistische verhalen uit de Physiologus en de traditionele bestiaria.

Externe link[bewerken]