Arnold Joseph Toynbee

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Arnold Joseph Toynbee (14 april 188922 oktober 1975) was een Brits historicus, wiens twaalfdelige analyse van de opkomst en ondergang van beschavingen, A Study of History (Een studie van de geschiedenis), geschreven van 1934 tot 1961, een synthese was van de wereldgeschiedenis, een metahistorie, gebaseerd op universele patronen van opkomst, bloei en verval, die de geschiedenis van een globaal perspectief bestudeerde. Arnold Toynbee, een andere geschiedkundige met wie hij vaak wordt verward, was zijn oom.

Gedachtegoed[bewerken]

Toynbees ideeën en benadering van de geschiedenis zijn vergelijkbaar met die van Oswald Spengler in « Der Untergang des Abendlandes » (De neergang van het Westen). Echter, Spenglers deterministische visie dat beschavingen opkomen en ten onder gaan volgens een natuurlijke en onvermijdelijke cyclus wees hij van de hand.

Toynbee stelde de geschiedenis voor als de opkomst en ondergang van beschavingen in plaats van de geschiedenis van natiestaten of van etnische groepen. Hij identificeerde zijn beschavingen eerder volgens culturele dan volgens nationale criteria. Zo werd de westerse beschaving, bestaande uit alle naties die bestaan hebben in West-Europa sinds de val van het Romeinse Rijk, als één geheel behandeld en onderscheiden van zowel de ‘orthodoxe beschaving’ van Rusland en de Balkan als van de Grieks-Romeinse beschaving, die daaraan vooraf was gegaan.

Toen hij de beschavingen als eenheden had geïdentificeerd, ging hij bij de uiteenzetting en verklaring van hun geschiedenis uit van het criterium uitdaging-en-antwoord (vert. van « challenge-and-response »). Beschavingen kwamen tot bloei als antwoord op een bepaalde reeks zware uitdagingen, telkens wanneer creatieve minderheden oplossingen bedachten die leidden tot een heroriëntatie van hun hele samenleving. Uitdagingen en antwoorden waren fysiek, zoals toen de Sumeriërs de onherbergzame moerassen van zuidelijk Irak exploiteerden door de neolithische bewoners te organiseren in een samenleving die bekwaam was om grootschalige irrigatieprojecten uit te voeren; of sociaal, zoals toen de katholieke kerk de chaos van het Europa na de Romeinse tijd harmoniseerde door de nieuwe Germaanse koninkrijken op te nemen in één enkele religieuze gemeenschap. Wanneer een beschaving antwoordt op uitdagingen, groeit ze. Wanneer ze faalt een antwoord te geven op een uitdaging, begint ze te vervallen. Toynbee stelde dat beschavingen sterven door zelfmoord, niet door moord. («Civilizations die from suicide, not by murder.») Volgens Toynbee waren beschavingen geen ontastbare, onveranderlijke organismen, maar een netwerk van sociale relaties binnen de grenzen en daarom onderworpen aan zowel wijze als onwijze beslissingen die ze maakten. Als de leidende krachten van een beschaving het interne proletariaat niet bedaarden of versloegen, of zich niet met effectieve militaire of diplomatieke middelen teweer konden stellen tegen bedreigende, externe machten, zou hun beschaving ten onder gaan.

Hij drukte grote bewondering uit voor Ibn Khaldun en vooral voor de Muqaddimah, het voorwoord van Khalduns eigen universele theorie, die de aandacht vestigt op veel systematische tendensen die zich via het bewijsmateriaal doen gelden in de historische analyse.

Invloed[bewerken]

Toynbees ideeën schijnen niet al te invloedrijk te zijn geweest op de heersende stroming geschiedkundigen. Met name de Nederlandse historicus Pieter Geyl bekritiseerde in woord en geschrift Toynbees geschiedopvatting.

In Britse politieke kringen was Toynbee in de vijftiger jaren van de 20e eeuw zeer geacht en invloedrijk en leverde zijn wetenschappelijk oeuvre een belangrijke bijdrage in het aanwakkeren van antisemitsch geweld en haat van de Arabieren tegen de staat Israël. In zijn monumentale A Study of History schrijft hij dat "De Joden zijn voortgekomen uit de fossiele restanten van een ten onder gegane Syrische beschaving" en velt als oordeel dat de ondeugden van het godsdienstig fanatisme en het nationalisme, die volgens hem kenmerkend zijn voor de christelijke beschaving en die hij de erfzonde van het christendom noemt, op rekening geschreven moet worden van het Jodendom, waaruit beiden zijn voortgekomen.[1] Hij schrijft in het hoofdstuk "Het lot van de Europese Joden en de Palestijnse Arabieren 1933-1948": "De zondeval van de arische nazi's was niet zo erg als die van de zionistische Joden."[2] Met voorbijgaan van het historische gegeven dat de Arabische naties verenigd in het Arabisch Legioen in 1948 de eerste vernietigingsoorlog startten tegen de jonge staat Israël schreef hij: "De Joden hebben de Arabieren onder hetzelfde onrecht laten lijden, als waaronder zij zelf hebben geleden."[3]

Noten en referenties[bewerken]

  1. Hans Jansen (theoloog) ,Van jodenhaat naar zelfmoordterrorisme, Pagina 298-299, Uitg. Groen, Heerenveen 2006, 1047 pp, ISBN 90-5829-622-9
  2. Arnold J. Toynbee, A Study of History Vol. X, pag. 94, zie ook Vol. VIII, pag. 289-290, Vol. VII, pag 627 e.v., Oxford University Press, USA (December 10, 1987)
  3. Arnold J. Toynbee, A Study of History Vol. VIII, pag. 289, Oxford University Press, USA (December 10, 1987)