Gneisenau (slagschip)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vlag Kriegsmarine
Gneisenau (slagschip)
Bundesarchiv DVM 10 Bild-23-63-01, Schlachtschiff "Gneisenau".jpg
Geschiedenis
Besteld 25 januari 1934
Werf Deutsche Werke, te Kiel
Kiellegging 14 februari 1934

Bouw gestopt: 5 juli 1934
Bouw hervat: 6 mei 1935

Tewaterlating 8 december 1936
In dienst 21 mei 1938
Status Tot zinken gebracht als blokkade voor de haven van Gdynia 23 maart 1945
Algemene kenmerken
Deplacement 31.552 long ton (standaard) 38.900 long ton (volgeladen)
Lengte 226 meter ll, 235 meter oa
Breedte 30 meter
Diepgang 9,7 meter
Voortstuwing en vermogen 3 Brown-Boveri turbines, 161.164 pk (120,18 MW)

Drie driebladige schroeven met een diameter van 4,8 m

Snelheid 31,5 knopen
Bereik 10.100 zeemijlen (18.700 km) met een snelheid van 19 knopen (35 km/u)
Bemanning 1669 waarvan 56 officieren
Bewapening 9x 283 mm (3x3)

12x 150 mm (4x2, 4x1)
14x 105 mm Luchtafweer (7x2)
16x 37 mm Luchtafweer (6x2)
38x 20 mm Luchtafweer
6x x533 mm torpedobuizen

Vliegtuigen en faciliteiten 3 Arado Ar196A-3, 1 katapult
Portaal  Portaalicoon   Maritiem

De Gneisenau was een slagschip[1] van de Scharnhorst-klasse van de Duitse Kriegsmarine. Het schip was genoemd naar de beroemde kruiser Gneisenau van admiraal Maximilian von Spee. Dit schip was op zijn beurt genoemd naar de Pruisische generaal August Neidhardt von Gneisenau.

Met de bouw van de Gneisenau werd in 1934 begonnen bij Deutsche Werke in Kiel. Enkele maanden later, op 5 juli 1934, werd de bouw gestopt. Na enige verbeteringen werd de bouw in mei 1935 hervat. Op 8 oktober 1939 vertrok het schip samen met de kruiser Köln en negen torpedobootjagers voor een missie die erop gericht was de geallieerde schepen die op zoek waren naar de Lützow af te leiden. Na afloop van deze missie werd de boeg van het schip, evenals die van het zusterschip Scharnhorst, aangepast in een zogeheten klipperboeg. Oorspronkelijk waren beide schepen voorzien van een rechte boeg maar die zorgde bij hoge vaart voor te veel overslaand buiswater. Tevens werden de rookhoeden van de schoorsteen vervangen.

Eind 1939 opereerde de Gneisenau samen met zijn zusterschip de Scharnhorst op de Atlantische Oceaan. Samen vormden zij het Duitse slagschipeskader en de geallieerden deden er alles aan dit eskader met de gecombineerde Frans-Britse vloot te onderscheppen. Dit was alleen mogelijk met de Franse slagkruisers Dunkerque, Strassbourg en de Britse slagkruisers Hood, Renown en Repulse omdat slagschepen hiervoor te langzaam waren.

In april 1940 werd de Gneisenau ingezet bij operatie Weserübung, de invasie van Noorwegen. Het had tot taak de Britse slagkruisers weg te lokken van de kwetsbare landingsplaatsen. Dat plan lukte, al wist de slagkruiser Renown wel een treffer op te boeken die een van de hoofdgeschuttorens uitschakelde. Tijdens dit duel bleek dat de gezamenlijke slagkracht van de beide slagkruisers ontoereikend was om een verouderde Britse slagkruiser tot zinken te brengen. Tijdens de operaties rond Noorwegen werd de Gneisenau door een Britse onderzeeboot getorpedeerd.

Nadat het herstel was voltooid voeren beide schepen onder leiding van vice-admiraal Gunther Lütjens opnieuw uit richting Noorwegen. Tijdens hun zoektocht naar geallieerde koopvaardijschepen stuitten ze op het Britse vliegkampschip Glorious en de torpedobootjagers Acasta en Ardent, die allen tot zinken werden gebracht.

Na deze actie vertrokken de twee schepen naar de Atlantische Oceaan waar ze een zeer succesvolle operatie (operatie "Berlin") uitvoerden. Ze brachten een groot aantal geallieerde koopvaardijschepen tot zinken van in totaal circa 155.600 ton. Het duo kreeg van de Britten de beruchte bijnaam "The ugly sisters". Door dit succes werd Lütjens door Adolf Hitler en grootadmiraal Raeder bevorderd van schout-bij-nacht (Duits: Konteradmiral) tot vice-admiraal. Hij zou later in 1941 het commando voeren over slagschip Bismarck en de zware kruiser Prinz Eugen. Dit zou hem op 27 mei 1941 fataal worden.

Na de avonturen op de Atlantische Oceaan gingen de twee schepen in Brest in dok. Ze werden echter voortdurend geplaagd door luchtaanvallen en liepen veelvuldig averij op. Nieuwe operaties op de Atlantische Oceaan waren hierdoor uitgesloten. Nadat het herstel was voltooid, ontsnapten de zusterschepen begin 1942 op klaarlichte dag samen met de Prinz Eugen door het Kanaal en wisten ze alle Britse aanvallen af te slaan (operatie "Cerberus"). De Gneisenau liep ter hoogte van Terschelling echter op een mijn en moest in Kiel in dok. De RAF slaagde er niet veel later in het schip zwaar te beschadigen. De voorste hoofdgeschuttoren brandde geheel uit.

De Kriegsmarine wilde toen een langgekoesterde wens in vervulling laten gaan: het vervangen van de te licht bevonden 28 cm kanons door 38 cm kanons. De Gneisenau vertrok hiervoor naar de haven van Gotenhafen, het huidige Poolse Gdynia. Hier was het veilig voor luchtaanvallen door de RAF. Hier werd begonnen met het vervangen van het zware geschut.

Na de slag in de Barentszzee, op 31 december 1942, waarbij de Duitse zware schepen volledig tekortschoten in hun poging door het escorte van een konvooi te breken en de koopvaardijschepen tot zinken te brengen, werd in juli 1943 besloten om alle nog operationele Duitse zware schepen van de sterkte af te voeren, omdat hun rol was uitgespeeld. De ondergang van de Scharnhorst op 26 december 1943 was de spreekwoordelijke druppel die de emmer deed overlopen. De verbouwing van de Gneisenau werd gestaakt en de bemanning monsterde af. De achterste hoofdgeschuttoren werd naar Noorwegen overgebracht om daar dienst te doen bij de kustverdediging.

In 1945 werd de Gneisenau tot zinken gebracht in de haven van Gotenhafen.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. De Royal Navy classificeerde de Gneisenau en de Scharnhorst als slagkruisers, op grond van hun hoge snelheid en relatief lichte bewapening. De Kriegsmarine daarentegen sprak van Schlachtschiffe (slagschepen).