17e Leger (Duitsland)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het 17e Leger (Duits: 17. Armee) was een onderdeel van de Wehrmacht in de Tweede Wereldoorlog. Het werd opgericht op 20 december 1940 en ontbonden op 7 mei 1945. Het leger vocht uitsluitend aan het zuidelijke deel van het oostfront. Tussen juli 1942 en september 1942 waren het Roemeense 3de leger en het Italiaanse 8ste leger ondergeschikt aan het 17de leger.

Operatie Barbarossa[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Operatie Barbarossa voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Tijdens operatie Barbarossa vormde het 17de leger een deel van Legergroep Zuid. Behalve 8 infanteriedivisies bestond het leger ook uit 2 Hongaarse divisies en enkele Slovaakse brigades. Reeds op de eerste dag van het offensief braken de Duitse troepen door de grensverdediging en ze veroverden op 30 juni Lemberg. Daarna ging de opmars verder in de richting van Tarnopol. Gelukkig voor het 17de leger hadden de Sovjets hun sterkste gemechaniseerde eenheden naar het noorden gestuurd om Pantsergroep von Kleist en het 6de leger aan te vallen. Hierdoor stonden de drie legerkorpsen van generaal von Stülpnagel tegenover het zwakke 6de leger en het 24ste leger. Gesteund door de luchtsteun van de Luftwaffe rukten de Duitsers verder op naar het oosten. Het 17de leger brak door de Stalinlinie, stak de Bug over en op 18 juli veroverden ze een bruggenhoofd bij Vinnytsja. In gevechten bij Uman omsingelden het 17de leger en het 11de leger 24 Sovjetdivisies en op 8 augustus 1941 gaven 100 000 soldaten zich over.

Het 17de leger richtte zijn aandacht naar het oosten. Eind augustus 1941 bereikten de Duitsers de Dnjepr en ze begonnen aan de verovering van de zogenaamde Dnjeprbocht. Het volgende doelwit was de verovering van het Donetsbekken, dat rijk aan steenkool was. Het kwam tot hevige gevechten tussen de verschillende steenkoolmijnen, fabrieken en kleine stadjes. De Duitse opmars vertraagde en het 17de leger had te weinig reserves om een nieuwe doorbraak te forceren. Toen op 22 november 1941 Rostov in Duitse handen viel, beschouwde generaal Hoth dit als het einde van het offensief. Hij gaf opdracht om een verdedigingslinie te vormen. De soldaten begonnen zich in te graven en er werd langsheen de frontlijn een netwerk van steunpunten aangelegd. Dankzij dit bevel was het 17de leger in staat om het Winteroffensief te doorstaan. Hoewel ze terrein verloren, bleef het belangrijke industriegebied in handen van de Duitsers.

Op 18 januari 1942 vielen het Zuidwestelijk Front en het Zuidelijk Front aan op de scheiding tussen het 6de leger en het 17de leger. Na de gevechten vertoonde de frontlijn een diepe uitstulping naar het westen, maar de Sovjetlegers hadden geen doorbraak kunnen realiseren. In het voorjaar van 1942 zou de strijd in deze saillant leiden tot de Tweede slag om Charkov.

Fall Blau[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Fall Blau voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Tijdens Fall Blau was de voornaamste taak van het 17de leger om de zuidelijke flank van het 1ste Pantserleger te dekken. Samen met zijn eigen 17de leger voerde generaal Ruoff ook het bevel over het 8e Italiaanse Leger en het 3e Roemeense leger. Terwijl de Duitse tanks in de richting van de Kaukasus oprukten, volgden de infanteriedivisies in hun spoor. Op 25 juli 1942 veroverden de eenheden van het 17de leger een tweede maal Rostov. Eenmaal over de Don begon de opmars van de infanteriedivisies te vertragen. Bovendien plaatste het Duitse opperbevel de Italiaanse en Roemeense legers over naar Legergroep B om de oversteekplaatsen aan de Don te bewaken. Hierdoor verloor het 17de leger een deel van zijn slagkracht. Op de steppe waren nauwelijks verharde wegen te vinden en de zomerse droogte zorgde voor veel stof, dat alles bedekte. Gebrek aan olie en water zorgde voor nog meer vertraging. Het 17de leger boog af naar het zuiden. Op 13 augustus 1942 bereikten ze de Koeban en begonnen ze met de verovering van het Taman-schiereiland. Op 10 september 1942 veroverden ze Novorossiejsk, een havenstad aan de Zwarte Zee.

Terugtocht uit de Kaukasus (1943)

Na de omsingeling van het 6de leger bij Stalingrad werden de Duitse bevoorradingslinies bedreigd. Als de Sovjets het Donjets bekken zouden veroveren, dan was Legergroep A opgesloten in de Kaukasus. Op 5 januari 1943 begonnen de Duitsers zich terug te trekken. Het 1ste Pantserleger ging in de richting van Rostov en het 17de leger, samen met enkele Roemeense divisies naar de Koeban. Het 17de leger verdedigde een linie van Novorossiejsk tot Nalchik. Op 16 januari 1943 begonnen de eerste Sovjet-aanvallen. Samen met hun Roemeense bondgenoten hielden de Duitsers stand. Het vijandelijke overwicht was echter te groot en langzaam week het 17de leger achteruit. Op 12 februari 1943 viel Krasnodar. De Sovjetdivisies waren echter eveneens uitgeput en ze moesten zich hergroeperen. Deze adempauze gaf generaal Ruoff de kans om zijn verdediging te herorganiseren. Op 25 februari 1943 gingen de Sovjets opnieuw in de aanval, maar de Duitse verdediging hield stand. In maart en april lanceerde het Noord-Kaukasus Front nieuwe aanvallen, maar geen van hen resulteerde in een doorbraak. In juni 1943 nam de strijd in de Koeban af.

Op 5 september 1943 beval het Duitse opperbevel om het Taman-schiereiland te ontruimen. Ondanks voortdurende aanvallen van het Noord-Kaukasus Front en de Sovjetvliegtuigen wist het 17de leger de Straat van Kertsj over te steken.

Tijdens het Dnjepr offensief brak het Zuidelijke Front van generaal F.I Tolboekhin op 13 oktober 1943 door de Duitse verdediging aan de Dnjepr en bezette de noordelijke zijde van de Landengte van Perekop. Op die manier was het 17de leger volledig geïsoleerd op de Krim. Ook vestigde het 51de leger een kleine bruggenhoofd aan de baai van Sivash, ten oosten van de landengte. Adolf Hitler weigerde echter toestemming te geven voor een evacuatie omdat hij meende dat de Sovjets vanaf het schiereiland de Roemeense olievelden zouden kunnen bombarderen. Op dat moment lagen de olievelden al echter binnen bereik van de Amerikaanse B-17 bommenwerpers, die vanuit Italie opereerden.

Krim campagne[bewerken]

Voor de verdediging van de Krim beschikte het 17de leger over 195 000 man, waarvan 95 000 Roemeense soldaten, maar generaal Jaenecke besefte dat hij niet lang kon standhouden. Zijn voornaamste verdedigingslinie bevond zich op de landengte van Perekop en een tweede verdedigingslinie, de Gneisenau-linie, bevond zich rond Simferopol. Het was zijn bedoeling om zo lang mogelijk de landengte te verdedigen en zich daarna terug te trekken naar Sevastopol. Hij hoopte dat de Gneisenau-linie de aanvallers enkele dagen zou vertragen.

Infanterie van het 51ste leger aan de baai van Sivash in november 1943

Op 8 april 1944 opende het 4de Oekraïnische Front van maarschalk F.I Tolboekhin het offensief. De verdedigers op de landengte hielden aanvankelijk stand, maar onder voortdurende druk van 2de Gardeleger moesten ze toch terrein prijsgeven. Deze aanval van het 2de Gardeleger was echter een afleidingsmaneuver. Na een zware artilleriebeschieting brak het 51ste leger uit het bruggenhoofd bij Siwasj. De Roemeense troepen panikeerden en ze sloegen op de vlucht. Generaal Jaenecke probeerde versterkingen naar het noorden te sturen, maar de Sovjet luchtmacht beheerste het luchtruim en bovendien had hij zijn reserves nodig om de landengte te verdedigen. Op 11 april viel het belangrijke verkeersknooppunt Dzjanzkoy in handen van het 51ste leger. Generaal Janecke gaf bevel om zich terug te treken naar Sevastopol. Hoewel de divisies op de landengte van Perekop nog steeds standhielden, ontruimden de Duitsers haastig hun stellingen. Door de opmars van het 51ste leger dreigde hun terugtocht naar Sevastopol te worden afgesneden. De Duitse hoop dat de Gneisenau-linie de aanvallers zou tegenhouden, bleek ijdele hoop te zien. De eerste tanks van het 4de Oekraïnische Front braken reeds op 12 april door de linie en op 13 april viel Simferopol. Op 16 april trokken de laatste Roemenen en Duitsers zich terug naar Sevastopol.

Ondertussen brak het Onafhankelijke Kustleger uit zijn bruggenhoofd bij Kertsj en veroverde Feodosia, Goerzoef en Jalta, waar ze de voorhoede van het 4de Oekraïnische Front ontmoetten. In minder dan een week was de Duitse verdediging van de Krim vernietigd. Meer dan 13 000 Duitsers en 17 000 Roemenen sneuvelden of werden gevangengenomen. Generaal Jaenecke probeerde Adolf Hitler te overtuigen om het leger te evacueren, maar de Führer wilde niet luisteren. Ook generaal Schörner, bevelhebber van Legergroep Zuid-Oekraïne, en generaal Zeitzler, chef-staf van het Duitse leger, en de Roemeense dictator Antonescu probeerden hem te overtuigen. Toen generaal Jaenecke naar Berchtesgaden vloog om Adolf Hitler persoonlijk te overtuigen, werd hij ter plaatse ontslagen als bevelhebber van het 17de leger en vervangen door generaal Allmendinger.

Op 5 mei begon de definitieve aanval op Sevastopol. Op 7 mei vielen de Sapoenheuvels in handen van de Sovjets, waardoor ze de haven rechtstreeks onder vuur konden nemen. De dag daarna gaf Adolf Hitler eindelijk toestemming voor de evacuatie. Onder voortdurende beschietingen van Russische artillerie en aanvallen van vliegtuigen probeerde Duitse en Roemeense schepen de restanten van het 17de leger te evacueren. Van de 67 700 soldaten, die zich nog in Sevastopol bevonden werden er 26 700 door de Kriegsmarine naar Roemenië overgebracht. Op 12 mei gaven de laatste verdedigers zich over.

Einde van de oorlog[bewerken]

Het 17de leger werd naar Saksen gestuurd om opnieuw te worden opgebouwd. Eind juli 1944 was de situtatie aan het oostfront zodanig verergerd dat het leger opnieuw aan het front werd ingezet. Slechts bestaande uit twee divisies en een Kampfgruppe werd het 17de leger een onderdeel van Legergroep Noord-Oekraïne in Galicië. Het 17de leger vormde de verbinding tussen het 4de Pantserleger en het 1ste Pantserleger. In augustus 1944 kreeg het versterkingen in de vorm van enkele volksgrenadiersdivisies en de 8ste Pantserdivisie. De vernietiging van het 4de Pansterleger tijdens het Weichsel-Oderoffensief in januari 1945 betekende dat zijn noordflank ongedekt was. Het 17de leger moest de belangrijke industriegebieden in Silezië ontruimen om omsingeling te vermijden. Het trok zich terug naar bovenloop van de Oder. Na het offensief in Neder-Silesië en Opper-Silesië werd deze frontsector relatief rustig. Op 7 mei 1945 ontbond generaal Wilhelm Haase het 17de leger en hij gaf zich over aan de Sovjets .

Commandanten[bewerken]

Rang Naam Begin Eind
Generaal der Infanterie Karl-Heinrich von Stülpnagel 20 december 1940 5 oktober 1941
Kolonel-generaal Hermann Hoth 6 oktober 1941 20 april 1942
Generaal der Infanterie Hans von Salmuth 21 april 1942 1 juni 1942
Kolonel-generaal Richard Ruoff 2 juni 1942 24 juni 1943
Generaal der Genie-troepen Erwin Jaenecke 25 juni 1943 2 maart 1944
Generaal der Bergtroepen Ferdinand Schörner 3 maart 1944 14 maart 1944
Kolonel-generaal Erwin Jaenecke 15 maart 1944 30 april 1944
Generaal der Infanterie Karl Allmendinger 1 mei 1944 25 juli 1944
Generaal der Infanterie Friedrich Schulz 26 juli 1944 30 maart 1945
Generaal der Infanterie Wilhelm Haase 31 maart 1945 8 mei 1945

Op 30 januari 1944 werd Erwin Jaenecke benoemd tot kolonel-generaal.

Bij de heroprichting in juli 1944 vormde het 11e SS Korps een onderdeel van het 17de leger. Hoewel dit in naam een SS-korps was en het bevel werd gevoerd door SS-Obergruppenführer Matthias Kleinheisterkamp werd dit korps gevormd door reguliere Wehrmachtdivisies. Het was uniek dat de Wehrmachteenheden ondergeschikt waren aan een SS-commandant.

Bronnen[bewerken]

  • Hiltermann, G.B.J. - Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog
  • Bauer, Eddy - Lekturama - De grimmige slag om Stalingrad
  • Beevor, Antony – Berlijn: De Ondergang 1945
  • Ziemke, Earl - From Stalingrad to Berlin
  • Glantz, David - When titans clashed