Groothertogdom Oldenburg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Großherzogtum Oldenburg (de)
Lid van de Duitse Bond (1815-1866)
Lid van de Noord-Duitse Bond (1867-1871)
Staat in het Duitse keizerrijk (1871-1918)

 Eerste Franse Keizerrijk 1814 – 1918 Vrijstaat Oldenburg 
Symbolen
Flag of Oldenburg (Scandinavian Cross).svg
(Details)
Kaart
Deutsches Reich (Karte) Oldenburg.svg
Algemene gegevens
Hoofdstad Oldenburg
Oppervlakte 6427 km² (1910)
Talen Duits
Kenteken O I, O II, O III
Politieke gegevens
Regeringsvorm Monarchie
Staatshoofd Groothertog
Dynastie Huis Oldenburg
Bondsraad 1 stem
Portaal  Portaalicoon   Duitsland

Het groothertogdom Oldenburg was een groothertogdom in de Duitse Bond en de Noord-Duitse Bond. Het gebied bestreek het gebied van de gebieden van Oldenburg, Eutin en Birkenfeld. Het groothertogdom had een stem in de Duitse Bondsraad en drie leden in de Rijksdag.

Geschiedenis[bewerken]

Op het Congres van Wenen in 1815 wordt het hertogdom hersteld en tot groothertogdom verheven. Verder wordt er in het Rijnland een vorstendom Birkenfeld gevormd, dat in personele unie met Oldenburg wordt geregeerd. Sindsdien bestaat het groothertogdom uit drie delen"

Van 1818 tot 1823 wordt de familie Bentinck het bestuur van Varel ontnomen. De kwestie Varel wordt beëindigd door de overeenkomst van Berlijn op 8 juni 1826. Innhausen en Varel vallen onder de soevereiniteit van Oldenburg en de Bentincks krijgen dezelfde status als in het Heilige Roomse Rijk. De groothertog oefent de voormalige keizerlijke echten uit.

In 1823 staat Rusland de heerlijkheid Jever af, zodat deze herenigd kan worden met Oldenburg. Op 1 december 1853 wordt een klein gebied aan het koninkrijk Pruisen afgestaan. Op dit gebied wordt vervolgens Wilhelmshaven aangelegd.

Op 14 februari 1842 vindt er een gebiedsruil plaats met de koning van Denemarken als hertog van Holstein: Ratekau komt aan Holstein en Gleschendorf aan Oldenburg. In 1854 wordt de gemediatiseerde heerlijkheden Varel Kniphausen gekocht.

In 1864 sterft de koninklijk Deense tak van het huis Oldenburg uit. Ook de groothertog van Oldenburg kan aanspraak maken op een deel van de erfenis. Hij ziet uiteindelijk af van zijn aanspraken. In een verdrag van 15-10-1866 krijgt hij daarvoor het ambt Ahrensbök, dat wordt afgesplitst van het hertogdom Holstein en gevoegd wordt bij het vorstendom Lübeck.

In 1867 treedt het land toe tot de Noord-Duitse Bond en in 1871 tot het Duitse Keizerrijk.

Groothertogen ¹[bewerken]

¹Hoewel Oldenburg reeds in 1815 tot groothertogdom werd verheven, voerden Willem en Peter I deze titel niet.