Vorstendom Lippe

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Fürstentum Lippe
Onderdeel van het Heilige Roomse Rijk (tot 1806)
Onderdeel van de Rijnbond (1806- 1813)
Onderdeel van de Duitse Bond (1816 - 1866)
Onderdeel van de Noord-Duitse Bond (vanaf 1866)
Onderdeel van het Duitse Keizerrijk(vanaf 1871)
 Stamhertogdom Saksen 1123–1918 Vrijstaat Lippe 
Flagge Fürstentum Lippe.svg Wappen Deutsches Reich - Fürstentum Lippe.jpg
(Details)
Kaart
Lippe.png
Algemene gegevens
Hoofdstad Detmold
Oppervlakte 1215 km²
Bevolking 163.648 (1925)
Talen Duits
Religie(s) Protestants
Regering
Regeringsvorm Monarchie
Dynastie Huis Lippe

Het vorstendom Lippe (later vorstendom Lippe-Detmold, later opnieuw Lippe) was een historische staat in Duitsland. Het vorstendom was gelegen tussen de Weser en het zuidoostelijke deel van het Teutoburgerwoud.

Geschiedenis[bewerken]

Lippe tot de deling van 1613[bewerken]

De eerste vermelding van een edele heer van Lippe is in een document uit 1123 waarin ene "Bernhardus de Lippe" wordt genoemd. Deze Bernhard I heerste samen met zijn broer Herman I over het gebied rond het door hen in 1139 gestichte norbertinessenklooster in Cappel (tegenwoordig een deel van Lippstadt).

Als aanhanger van Hendrik de Leeuw, de hertog van Saksen, weten ze hun bezittingen uit te breiden. In 1185 wordt de stad Lippstadt gesticht, in 1192 gevolgd door Falkenberg en Lemgo in 1200. Inmiddels is in 1190 de heerlijkheid Rheda verworven.

Van 1265 tot 1273 zijn de bezittingen verdeeld onder twee broers: Herman III regeert in Lippstadt en Bernard IV in Detmold. Herman III sterft zonder nakomelingen, zodat alle bezittingen weer herenigd worden.

In 1322 wordt de helft van het graafschap Schwalenberg verworven met de ambten Schwalenberg en Oldenburg en de burcht Varenholz.

Van 1344 tot 1365 zijn de bezittingen opnieuw verdeeld onder twee broers:

  • Het bovengraafschap met Lemgo en Falkenberg en de hoofdstad Detmold voor Otto
  • Het nedergraafschap met Lippstadt en de heerlijkheid Rheda voor Bernhard V.

Na de dood van Bernhard V in 1365 gaat de heerlijkheid Rheda verloren. Ten gevolge van het huwelijk van zijn dochter Elicke met graaf Otto V van Tecklenburg wordt Rheda verbonden met het graafschap Tecklenburg.

In 1358 wordt een kwart van het graafschap Schwalenberg met Schnieder verworven, zodat nu drie-kwart in handen van het huis Lippe is. De invoering van de primogenituur in 1368 moet een eind maken aan de delingen van het land binnen de familie. In 1376 wordt de helft van Lippstadt verpand aan het graafschap Mark. Het uiteindelijke gevolg zal zijn dat deze stad tot 1850 onder twee staten zal vallen: Lippe en Pruisen. In 1400 komt het graafschap Sternberg uit het bezit van de graaf van Schaumburg als pand in bezit van Lippe. In 1408 gaat het ambt Enger verloren door verpanding aan het graafschap Ravensberg en Quernheim aan het prinsbisdom Minden. Na de Soester Oorlog komt het deel van Lippstadt dat eerder verpand was definitief aan het graafschap Mark door verkoop. Lippsstadt is een condominium. In 1449 moet de landgraaf van Hessen erkend worden als leenheer over een groot deel van het gebied. Lügde wordt in 1494 leen van het prinsbisdom Paderborn. Uiteindelijk gaat Lügde in 1522 verloren aan het graafschap Spiegelberg.

In 1500 wordt Lippe bij de Nederrijns-Westfaalse Kreits ingedeeld. Simon V noemt zich in 1528 graaf, mogelijk gebaseerd op het bezit van het graafschap Schwalenberg. In 1529 worden de heren van Lippe verheven tot rijksgraaf. Zijn opvolgers voeren van 1538 tot 1556 de reformatie in.

Lippe-Sternberg (1559-1583)[bewerken]

In 1559 vindt een deling plaats, doordat Bernhard VIII nadat hij 23 jaar heeft geregeerd een deel van de landen afstaat aan zijn broer Herman Simon: het graafschap Schwalenberg, het graafschap Sternberg en het ambt Alverissen. Door zijn huwelijk met Ursula van Spiegelberg komt deze tak ook in het bezit van het Graafschap Pyrmont en het graafschap Spiegelberg. Als deze tak in 1583 uitsterft, erft graaf Georg van Gleichen-Tonna beide graafschappen. Gedurende deze jaren is Lügde ook weer verbonden met Lippe.

Graaf Simon VI (1563-1613) is door zijn huwelijk met Irmgard van Rietberg van 1578 tot 1584 tevens graaf van Rietberg. Omdat deze verbintenis geen nakomelingen oplevert is de unie tussen Lippe en Rietberg van tijdelijke aard. Zijn tweede huwelijk met Elizabeth van Schaumburg heeft wel belangrijke gevolgen. Na het uitsterven van de graven van Schaumburg in 1640 komt een deel van het graafschap aan Lippe. Het andere deel komt aan de landgraaf van Hessen-Kassel. In 1587 wordt de regeringszetel verlegd naar Brake. Ingrijpend is de overgang in 1605 van het graafschap van een lutherse kerkorde naar een gereformeerde.

In 1613 vindt een deling plaats onder de drie zoons van Simon VI:

  • Simon VII van Lippe-Detmold krijgt Lippe, Sternberg, Enger, Sassenberg, Aholz, Schwalenberg, Stoppelberg, Varenholz, Falkenburg en half Lippstadt.
  • Otto van Lippe-Brake krijgt de ambten Brake, Barntrup, Blomberg en Schieder.
  • Philips van Lippe-Alverdissen krijgt de ambten Lipperode en Alverdissen.
Lippe van 1528 tot 1681; 1,4: Lippe; 2,3: Schwalenberg

Lippe-Detmold (1613-1806)[bewerken]

Van 1627 tot 1671 waren het ambt Schwalenberg en Biesterfeld in bezit van de weduwe van Simon VII. Met het prins-bisdom Paderborn was er van 1640 tot 1788 een geschil over Sternberg. Het in 1640 geërfde aandeel aan het graafschap Schaumburg moet in 1643 overgelaten worden aan Lippe-Alverissen.

Een verdere versplintering dreigt: de broers van graaf Simon Lodewijk eisen een aandeel op. Van 1648 tot 1652 is het graafschap Sternberg als paragium in het bezit van de broers Johan Bernhard en Herman Adolf. In 1671 komen het ambt Schwalenberg met Biesterfeld en Weissenfeld aan een derde broer, Joost Herman. Deze gebieden blijven echter onder het gezag van de regering in Detmold. Deze graven bezitten wel lagere rechten in hun gebieden. In 1686 worden ten gevolge van het huwelijk van Simon Hendrik met Amalia van Dohna de stadjes Vianen en Ameide met bijbehorend gebied geërfd. Deze twee worden in 1725 verkocht aan de Staten van Holland.

Als in 1709 de linie Lippe-Brake uitsterft, ontstaan er tussen de twee overgebleven takken tot 1748 twisten over de erfenis. Lippe-Alverdissen bezit van 1709 tot 1798 Schieder uit deze nalatenschap.

De graven worden in 1720 in de rijksvorstenstand verheven, maar voeren deze titel pas na 1789.

Van 1733 tot 1781 is het ambt Sternberg verpand aan het keurvorstendom Hannover. Van de zijtak Lippe-Biesterfeld splitst zich in 1736 nog weer een tak Lippe-Weissenfeld af. In 1762 worden de bezittingen van Lippe-Biesterfeld en Lippe-Weissenfeld door Lippe-Detmold gekocht, zodat Sternberg en Schwalenberg weer volledig in het graafschap zijn opgenomen. Beide zijtakken krijgen een apanage. In 1777/89 doet Schaumburg-Lippe (voormalige tak Lippe-Alverdissen) afstand van het ambt Schieder.

Lippe-Brake (1613-1709)[bewerken]

Na het uitsterven van deze tak ontstaat er een twist over de nalatenschap tussen de twee andere takken. De ambten Blomberg en Schieder komen aan Schaumburg-Lippe (voormalige Lippe-Alverdissen). Een proces voor de rijkshofraad eindigt in 1748 met de toewijzing van Blomberg aan Lippe-Detmold. In 1777/89 staat Schaumburg-Lippe ook Schieder af aan Detmold.

Lippe-Alverdissen (1613-1640/1812)[bewerken]

Als graaf Philips in 1640/3 via zijn moeder een deel van het graafschap Schaumburg erft, krijgt de oudere titel "graaf van Schaumburg" voorrang. Zie verder Schaumburg-Lippe. Opmerking: tot 1777 is er een zijtak Lippe-Alverdissen. In 1812 wordt het gebied verkocht aan Schaumnburg-Lippe.

Lippe-Detmold na 1806[bewerken]

Ook na de opheffing van het Heilige Roomse Rijk in 1806 is het gebied van Lippe nog niet uitgekristalliseerd. Een volgende twist tussen de twee takken is over het ambt Blomberg: Schaumburg-Lippe maakt van 1806 tot 1838 aanspraken op dit ambt. Daarentegen wordt de situatie rond het graafschap Schwalenberg, een condominium waarin het aandeel van Lippe driekwart is, genormaliseerd. In 1808 wordt het graafschap Schwalenberg verdeeld, waar bij het ambt Schwalenberg aan Lippe komt en de ambten Oldenburg en Stopelberg aan het koninkrijk Westphalen. De laatste is rechtsopvolger van het prins-bisdom Paderborn. Als in 1812 het Paragial-ambt Alverdissen wordt gekocht van Schaumburg-Lippe is de unificatie compleet: Schaumburg-Lippe is geheel beperkt tot het voormalige graafschap Schaumburg en alle rechten in het graafschap Lippe zijn aan Lippe-Detmold gekomen.

Het vorstendom Lippe ontkomt aan de mediatisering en wordt onder vorst Leopold II op 8 april 1807 lid van de Rijnbond en op 8 juni 1815 lid van de Duitse Bond. In 1850 wordt het aandeel in Lippstadt afgestaan aan het koninkrijk Pruisen Bij de Reichsgründung van 1871 treedt Lippe onder Leopold III tot het Duitse Keizerrijk toe.

Met de dood van vorst Woldemar in 1895 komt het eind van de dynastie in zicht. Zijn opvolger Alexander is onbekwaam en er volgt een strijd om het regentschap en de opvolging tussen de hoofden van een tweetal zijtakken: graaf Ernst van Lippe-Biesterfeld en vorst George van Schaumburg-Lippe. Het regentschap alsmede het recht van opvolging komt ondanks tegenstand van de keizer in 1897 aan graaf Ernst die in 1904 overleed en werd opgevolgd door zijn zoon graaf Leopold. Na de dood van vorst Alexander op 25 oktober 1905 bestijgt deze als Leopold IV de troon.

Administratieve indeling omstreeks 1750[bewerken]

  • ambt Alverdissen
  • ambt Barntrup
  • ambt Blomberg
  • ambt Brake
  • ambt Detmold
  • ambt Horn
  • gemeenschappelijke heerlijkheid Lippstadt (tot 1850 met Mark, daarna aan Mark/Pruissen)
  • ambt Oerlinghausen
  • gemeenschappelijk ambt Oldenburg (tot 1808 met Paderborn, daarna aan Paderborn/Pruissen)
  • ambt Schieder
  • ambt Schötmar
  • gemeenschappelijk ambt Schwalenberg (tot 1808 met Paderborn, daarna aan Lippe)
  • ambt Sternberg
  • gemeenschappelijk ambt Stoppelberg (tot 1808 met Paderborn, daarna aan Paderborn/Pruissen)
  • ambt Varenholz

Ontleend aan de historische atlas.[1]

Vorsten van Lippe[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties