Rijkswacht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Warning icon.svg De neutraliteit van dit artikel wordt betwist.
Zie de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie.
Een rijkswachter in 1947

De rijkswacht (Frans: gendarmerie) was tot 1 april 2001 een landelijke politiedienst van het Koninkrijk België. Op die datum zijn de centrale diensten van de rijkswacht samengegaan met de Gerechtelijke Politie bij de Parketten op federaal niveau.

Op lokaal niveau zijn de territoriale brigades van de rijkswacht samengegaan met de korpsen van de gemeentepolitie.

Kort overzicht[bewerken]

De rijkswacht werd in de gebieden die nu in België liggen in 1796 opgericht onder het Franse bewind en was gebaseerd op de Gendarmerie Nationale in Frankrijk. Van oorsprong was de rijkswacht een militaire eenheid en viel het onder het ministerie van Landsverdediging. Dit bleef vanaf 1830 ook in België zo. Op 1 januari 1992 werd de rijkswacht gedemilitariseerd en onder gezag van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie gesteld.

De mening over de rijkswacht in de bevolking was zeer verdeeld. Sommigen loofden de discipline, kwaliteit van de opleiding en neutraliteit van het korps. Voor anderen had de rijkswacht een slechte naam door de veronderstelde corruptie van een deel van de officieren en door vermoed rechtsextremisme onder een deel van de (oud-)rijkswachters.

De meeste imagoschade heeft de rijkswacht opgelopen door de haar toegewezen verantwoordelijkheid voor het gerechtelijk falen in de zaak-Dutroux.

Met het Octopusakkoord van 1998 werd besloten het Belgische politielandschap grondig te hervormen, en de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie te fuseren tot een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus (lokale en federale politie). Deze geïntegreerde politiedienst ging op 1 april 2001 van start.

Aan het eind van het bestaan werkten er 16.000 à 17.000 mensen en was de rijkswacht verdeeld in 427 brigades.

Geschiedenis[bewerken]

Ontstaan tijdens het Franse tijdperk (1795-1815)[bewerken]

Toen in 1795 de gebieden die nu België vormen bij Frankrijk werden ingelijfd bevond Europa zich op een belangrijk keerpunt in de geschiedenis. De slogans van de Franse Revolutie, “vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid” worden in de maatschappelijke organisatie ingevoerd. Clerus en adel verliezen hun voorrechten, de Kerk verliest haar bijna overheersende invloed op het maatschappelijk leven en de burgers worden ontvoogd.

Op 30 oktober 1795 krijgt brigadegeneraal Wirion, toen commandant van de Gendarmerie Nationale bij het leger van Samber en Maas, vanuit Parijs de opdracht de Gendarmerie met nieuwe divisies voor het Belgische grondgebied uit te breiden.

De Gendarmerie Nationale was door de Franse wet van 16 februari 1791 opgericht. Ze volgde de Marechaussee op, een soort militaire politie, toegevoegd aan de verschillende legereenheden, die ook burgerlijke en gerechtelijke opdrachten had. De voornaamste kenmerken van de Gendarmerie waren

  • de eenvormige, centrale en militaire structuur van het korps,
  • de afhankelijkheid van de centrale overheid
  • de verspreiding over het hele grondgebied als een netwerk van territoriale eenheden
  • de opdrachten van burgerlijk-administratieve en juridische aard naast de opdrachten van militaire politie.

De door generaal Wirion uitgewerkte organisatie wordt op 10 juli 1796 per decreet goedgekeurd. Hiermee kreeg het Belgische gebied voor het eerst een centrale, verenigde en gecoördineerde politie.

Tijdens het Ancien Régime was de dienst van de Marechaussee geregeld door verschillende wetten en besluiten. Op 17 april 1798 kondigt de Franse overheid een nieuwe wet op de Gendarmerie Nationale af, die alle dan bestaande wet- en regelgeving tot een geheel verwerkt en opdracht, functie, organisatie, de inwendige order en de tucht regelt. Deze basisprincipes van deze wet zullen gedurende bijna 160 jaar, over de verschillende regimes heen, van toepassing blijven, en hebben het zo karakter van de Belgische Rijkswacht bepaald.

Onder het Nederlandse bestuur (1814-1830)[bewerken]

Na de definitieve nederlaag van Frankrijk onder Napoleon wordt de kaart Europa hertekend. De Belgische provincies worden bij de Nederlandse gevoegd. Op 26 december 1814 keurt prins Willem I der Nederlanden, staatshoofd van de verenigde Nederlanden, een nieuw ontwerp op de organisatie van de Marechaussee goed. De benaming Gendarmerie verdwijnt, maar de fundamenten van de Franse organisatie blijven behouden. Ook het “Reglement op de politie, de discipline en de dienst der Marechaussee” van 30 januari 1815, dat tot 1957 van toepassing zal blijven op de Belgische Rijkswacht, neemt de Franse wet van 1798 grotendeels over.

Ontstaan van de Belgische Gendarmerie Nationale[bewerken]

Onmiddellijk na de Belgische Revolutie van augustus en september 1830 begint de voorlopige regering (26 september 1830) met de organisatie van de Belgische staat. Op 26 december 1830 wordt er een wet aangenomen die de organisatie en werking van nationale politiedienst regelt. Passend in de algemene anti-Nederlandse en pro-Franse sfeer wordt de dienst weer tot "Gendarmerie Nationale" omgedoopt. Wel wordt bepaald dat de bestaande wetgeving van toepassing blijft: de gendarmen voeren hun opdrachten uit volgens de vroegere voorschriften.

De periode tot 1914[bewerken]

Tijdens de volgende decennia ondergaat de rijkswacht verschillende kleine evoluties en aanpassingen. Haar fundamenteel karakter blijft echter behouden. Zo wordt er in 1863 een “Depot d'instruction” opgericht waar de rekruten een gecentraliseerde opleiding kregen. Later zou dit onderrichtsdepot uitgroeien tot de Koninklijke Rijkswachtschool. In 1913 worden mobiele groepen gevormd. Deze moeten een nationale reserve vormen die in geval van noodzaak snel ingezet kan worden. Zij moet de inzet van de marspelotons (die gevormd werden door het wegtrekken van gendarmes uit hun eigen eenheid om ze op een andere plaats in te zetten) verminderen, en zo de normale werking van de territoriale eenheden bevorderen.

Wereldoorlog I[bewerken]

Als deel van de militaire organisatie leverde de Gendarmerie een belangrijke bijdrage bij de voorbereiding van de aankomende oorlog. Het verzamelen van inlichtingen, het verdelen van marsbevelen en het medewerken aan opeisingen behoorden tot de 'normale' taken tijdens de mobilisatie.

Tijdens de oorlog zelf voerden de rijkswachters belangrijke taken uit: zij verzorgden het geleide van de koning, de militaire opperbevelhebber, de bewaking van het Groot Hoofdkwartier, en namen deel aan de verdediging van vestingen. Vele rijkswachters sneuvelden in militaire acties.

Het interbellum[bewerken]

Na de wapenstilstand van 1918 hervatte de Gendarmerie haar dienst in het gehele land. Er volgde een periode van relatieve rust, die zou duren tot aan de grote socio-economische crisis van de jaren dertig.

De sociale spanningen en de economische ineenstorting zorgen voor woelige tijden. Net als andere landen wordt België geconfronteerd met stakingen, betogingen en andere vormen van sociale onrust. De opdracht van de Gendarmerie, het handhaven van de openbare orde en het doen naleven van de wetten, plaatst de rijkswachters vaak direct tegenover grote delen van de bevolking, die in de Gendarmerie soms de verpersoonlijking zien van datgene wat ze op sociaal gebied bevechten. Nadat midden de jaren dertig de rust terugkeert wordt de rijkswacht gereorganiseerd. In het bijzonder worden de mobiele eenheden versterkt om sneller en flexibeler op grote openbare manifestaties te kunnen reageren.

Wereldoorlog II[bewerken]

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog voert de gendarmerie weer de taken uit die haar in deze situatie opgelegd zijn: meewerken aan de mobilisatie en bijdragen tot de binnenlandse verdediging van het grondgebied. Zo'n 2.400 rijkswachters worden uit de brigades gelicht en gebruikt om twee zogenaamde Lichte Regimenten op te richten. Deze beide eenheden zullen actief zijn bij de rest van het leger tijdens de achttiendaagse veldtocht. De tekorten in de brigades worden opgevuld door gedeeltelijke mobilisatie van de Aanvullende Rijkswacht.

De vijandelijkheden zijn snel voorbij, België capituleert, en de rijkswacht wordt verplicht met de bezetter samen te werken. De bezetter ontdoet de gendarmerie van haar militaire karakter. In juni 1940 instrueert de commandant van de rijkswacht zijn organisatie dat de rijkswacht zich onder de bezetter uitsluitend zal bezighouden met de uitvoering van burgerlijke en gerechtelijke taken. Bijzondere aandacht moet besteed worden aan het herstel van het wegverkeer.

De betrekkingen met de bezetter zijn gebaseerd op de strikte en exclusieve toepassing van de Belgische wetgeving. Derhalve werken de rijkswachters niet mee aan de opsporing en arrestatie van joodse burgers, de opvordering voor de verplichte arbeidsdienst en het aanhouden van dienstweigeraars of het aanhouden van communisten. Integendeel, vele rijkswachters bieden hulp aan de verzetsstrijders of nemen actief deel aan het verzet.

Deze attitude gaat niet ongemerkt aan de Duitse autoriteiten voorbij, en in 1942 grijpt de bezetter in. Het commando van de rijkswacht wordt ultimatief opgevorderd “die elementen te verwijderen die in plaats voor de openbare orde voor wanorde, ongehoorzaamheid en onveiligheid zorgen.” Een groot aantal gendarmes wordt uit hun functie ontslagen, maar de geest van verzet blijft in het korps leven.

1945-1991[bewerken]

De naoorlogse jaren brachten de rijkswacht een aantal kleinere reorganisaties. In die jaren speelde het korps ook een belangrijke rol in de repressie, gaande van het opsporen en arresteren van collaborateurs over het meewerken aan de gerechtelijke onderzoeken en de processen, tot het uitvoeren van de doodstraffen door het leveren van executiepelotons.

Op 2 december 1957 wordt de door de grondwet voorziene wet op de rijkswacht gepubliceerd. Deze wet vervangt de tot dan bestaande, deels bijna 160 jaar oude wetgeving uit de Franse en Nederlandse periodes. De wet bevestigt het militaire karakter van de rijkswacht, maar creëert autonomie van de Landmacht, waarvan het korps tot dan toe deel uitmaakte. De rijkswacht is nu een onafhankelijke krijgsmacht, afhankelijk van de uitvoerende macht, onder voogdij van de ministeries van Defensie, Binnenlandse Zaken en Justitie. De bevoegdheden strekken zich over het hele rijk uit, en de rijkswacht krijgt de verplichting om uit eigen initiatief op te treden wanneer misdaden de openbare rust, personen of eigendommen in gevaar brengen. De mogelijkheid om scholen op te richten wordt voorzien.

In de jaren zestig wordt de rijkswacht geconfronteerd met belangrijke evoluties op maatschappelijk en technologisch vlak. Deze tijd wordt gekenmerkt door een opmerkelijke toename van de zware, vaak georganiseerde criminaliteit: hold-ups, drughandel, terrorisme. Naast een toename van het personeelsbestand wordt de rijkswacht ook beter georganiseerd en uitgerust. Het Centraal Bureau voor Opsporingen (CBO) en de Bewakings- en Opsporingsbrigades (BOB) worden opgericht, het korps krijgt een dekkend radionet, de eerste computers doen hun intrede, er worden speur- en drughonden in gebruik genomen.

De jaren zeventig verlopen voor de rijkswacht tamelijk rustig, maar de jaren tachtig brengen nieuwe en grote problemen. Enerzijds leidden verschillende factoren ertoe dat de werkdruk op het korps sterk toeneemt. Brussel groeit uit tot een van de belangrijkste diplomatieke plaatsen van Europa, waardoor de nood aan permanente bescherming van gebouwen, inrichtingen en personen sterk stijgt. De densiteit van het verkeer en het aantal daarmee verbonden interventies neemt permanent toe. De sociale ontwikkelingen zorgen voor een toenemend aantal manifestaties en dus ook voor een toename van het aantal diensten ter handhaving van de openbare orde. Anderzijds werd de rijkswacht geconfronteerd met een reële afname van de budgetten, en een verlaging van het arbeidspotentieel door een vermindering van de wettelijke arbeidsduur. Hierdoor moest het korps permanent aan de grenzen van zijn capaciteit werken, kon door de beperkingen een aantal taken niet naar behoren uitvoeren en kreeg zowel intern als extern met ontevredenheid te kampen.

Bovendien wordt het land in die periode geconfronteerd met tot dan toe ongekende uitingen van georganiseerde criminaliteit: het is onder meer de periode van aanslagen van de CCC (Cellules Communistes Combattantes), van de overvallen van de Bende van Nijvel, de Bende van Patrick Haemers en anderen. Door de chaotische Belgische politiestructuur, waarbij de Rijkswacht, Gerechtelijke Politie bij de Parketten en Staatsveiligheid, zonder enige coördinatie of overleg, parallelonderzoeken voeren, blijven resultaten op het gerechtelijk gebied uit. Ook met ordehandhaving, waarbij de bevoegdheid voornamelijk tussen de Rijkswacht en Gemeentepolitie wordt verdeeld, ontstaan problemen. Een voorbeeld hiervan is het Heizeldrama op 29 mei 1985, waarbij 39 voetbalsupporters het leven laten. Zowel de Brusselse gemeentepolitie als de Rijkswacht waren verantwoordelijk voor de orde in het Heizelstadion (elke dienst had een deel van het stadion onder haar controle: de gemeentepolitie in het stadion en de rijkswacht rond het stadion), maar mede door een gebrek aan communicatie en coördinatie tussen de rijkswachtpelotons waren de rellen niet in te dijken.

Als gevolg van de grote problemen waarmee de organisatie geconfronteerd werd volgden enkele interne wijzigingen (reorganisaties) en begon de rijkswacht aandacht te besteden aan de 'public relations' met de invoering van een persofficier (1991) om 'beter uit te leggen' waarom bepaalde acties genomen werden.

Ook op politiek vlak gebeurde er veel: in 1990 werd het Pinksterakkoord afgesloten. Hierdoor zal de rijkswacht gedemilitariseerd worden, en een “algemene politiedienst met bevoegdheid over geheel het Rijk voor de bestuurlijke en de gerechtelijke politie” worden.

1992-2000[bewerken]

Na de op politioneel vlak moeilijke jaren 80 sloot de Belgische regering begin 1990 een akkoord over de hervorming van de rijkswacht, en kondigde dit plan, het zogenoemde “Pinksterplan” af op 5 juni 1990.

De belangrijkste wijzigingen waren:

  • de rijkswacht verloor haar militair karakter, en alle militaire opdrachten vervielen,
  • het personeel kreeg een burgerlijk statuut, en is niet langer meer militair,
  • de rijkswacht werd opgesplitst in een “operationeel korps” en een “Administratief en Logistiek Korps (Calog)”. Deze laatste leverden ondersteunende diensten (tot dan toe vooral door militairen gedetacheerd bij de rijkswacht vervuld, en zijn leden hadden geen politiebevoegdheid of -statuut,
  • de rijkswacht viel vanaf dan onder toezicht van de minister van Binnenlandse Zaken (en onder medetoezicht van de minister van Justitie),
  • de territoriale organisatie (districten) werden aangepast aan die van de gerechtelijke arrondissementen.

De wet die dit alles regelde werd afgekondigd op 18 juli 1991 en trad in kracht op 1 januari 1992.

Daarnaast was er de wet op het politieambt van 5 augustus 1992, eveneens onderdeel van het “Pinksterplan”, die op 1 januari 1993 van kracht werd. Deze wet dat tot doel het wettelijk kader waarbinnen de politiediensten optraden duidelijk te formuleren. Zij bepaalde, onder meer:

  • het wettelijk kader, waarbinnen de politiezorg uitgeoefend en aanvaard moest worden,
  • de grondbeginselen inzake het gezag over en de leiding van de politiediensten. Er kwam een harmonisatie tussen de bevoegdheidsgebieden en verantwoordelijkheden van de politie en van de administratieve autoriteiten,
  • bepaalt de fundamentele doelstellingen van de politiedienst, namelijk de bescherming van rechten en vrijheden van het individu, en de bescherming van de democratische maatschappij,
  • legt de gevallen waarin de politie dwang mag uitoefenen duidelijker vast,
  • legt het kader voor een samenwerking en coördinatie tussen verschillende politiediensten,
  • voorziet in een betere juridische bescherming van de politieambtenaren.

Als gevolg van deze twee wetten wordt de werking van de rijkswacht aangepast: er wordt een onderscheid gemaakt tussen die delen die zich bezighouden met de algemene basispolitiezorg, en die welke zich bezighouden met gespecialiseerde politiezorg.

Inzake basispolitiezorg, die er vooral op gericht is de burger het gevoel te geven dat de politie er voor hem is en zijn onmiddellijke problemen aanpakt, werden zowel inzake organisatie als inzake opleiding maatregelen genomen die ertoe moesten leiden dat de politiedienst beter geïntegreerd werd in de bevolking door het verhogen van de beschikbaarheid en de snelheid van interventie. Door het toepassen van de principes van “community policing” werd getracht het veiligheidsgevoel te verbeteren, onder meer door het aanpakken van “kleine criminaliteit” die als storend ervaren wordt. Om dit te bereiken werden een aantal organisatie-niveaus aangepast, opdracht van de districten gewijzigd, en de autonomie van de brigades vergroot, zodat deze laatsten beter konden inspelen op de lokale behoeften.

Om de samenwerking tussen de lokale politiediensten te verbeteren worden er vanaf 1995 “Interpolitiezones” opgericht. Binnen zulke zone, die meestal enkele gemeentes omvatte zorgde een coördinatie tussen gemeentelijke politie en rijkswacht voor een permanente en volledige basiszorg en werd ernaar gestreefd de beschikbare middelen van de korpsen beter in te zetten. Met de wet van 3 april 1997 kregen de burgemeesters meer zeggenschap over het functioneren van de lokale afdelingen van de rijkswacht, waardoor de politiezorg beter aangepast werd aan de gemeentelijke politiek.

Ook inzake gespecialiseerde politiezorg vinden er een aantal aanpassingen plaats. De opdrachten en verantwoordelijkheden van de BOB's, en hun samenwerking met de plaatselijke politiediensten, worden aangepast. Het CBO wordt gereorganiseerd en begint te werken met zogenaamde programma's die zich op een specifieke problematiek zoals terrorisme of internationale drugshandel concentreerden.

Door al deze maatregelen werd de samenwerking tussen de gemeentelijk politie en de rijkswacht veel verbeterd, maar bleven enkele fundamentele problemen in het Belgische politielandschap bestaan: binnen eenzelfde territorium bleven er meerdere politiediensten (gemeentepolitie, rijkswacht, gerechtelijke politie...) met overlappende en vaak dezelfde opdrachten en bevoegdheden, de budgetten bleven versnipperd, de middelen vaak slecht verdeeld. Zelfs indien iedere dienst zijn opdracht optimaal uitvoerde bleef het geheel sub-optimaal.

Vooral de samenwerking en de doorstroming van informatie tussen gerechtelijke politie en rijkswacht functioneerde vaak niet of slecht. Deze tekortkomingen kwamen in 1996 op dramatische wijze in de openbaarheid met de zaak-Dutroux. Een betere samenwerking tussen de politiediensten, maar ook tussen verschillende parketten, had er eventueel kunnen toe leiden dat Marc Dutroux vroeger zou geïdentificeerd worden als dader van ontvoeringen, en zo hadden nieuwe ontvoeringen en moorden misschien verhinderd kunnen worden.

Het werd duidelijk dat een fundamentele hertekening van het politielandschap in België er zou komen. De kortstondige ontsnapping van Dutroux, onder bewaking van de rijkswacht, tijdens de inzage van zijn dossier in april 1998 vormde de katalysator voor de grote politiehervorming, die het einde van de rijkswacht zou betekenen.

Op 23 mei 1998 sloten de vier politieke partijen die de meerderheid vormden (CVP, PS, PSC, en SP) een akkoord met vier oppositiepartijen (FDF, PRL, VLD, en VU) over de toekomstige inrichting van de politie in België. Dit akkoord, met verwijzing naar het aantal partijen dat het afsloot (8), Octopus-akkoord genoemd, voorzag de oprichting van een geïntegreerde politiedienst op 2 niveaus:

  • op lokaal niveau, in elke politiezone, een enkele politie die de volledige basispolitiezorg verzekert (de lokale politie),
  • op federaal niveau, een enkele politiedienst, die de lokale politie ondersteunt en gespecialiseerde functies uitoefent (de federale politie).

De nieuwe politieorganisatie werd op 1 april 2001 ingevoerd. De meeste rijkswachters van de brigades gingen op die dag over naar de lokale politie, de meeste leden van de BOB's en van de generale staf gingen over naar de federale politie. Luitenant-generaal Herman Fransen, de laatste commandant van de rijkswacht, werd de eerste commissaris-generaal van de federale politie. Hij werd in 2007 opgevolgd door Fernand Koekelberg, die in 2011 ontslag nam en vervangen werd door Paul Van Thielen. Alle drie waren voormalige hogere officieren van de rijkswacht. Op 1 maart 2012 werd commissaris-generaal a.i. Van Thielen opgevolgd door Catherine De Bolle. Zij was kapitein bij de rijkswacht.

Graden bij de Rijkswacht[bewerken]

Bij de rijkswacht werden militaire rangen gebruikt om het personeel in te delen. Als men aan de basisopleiding begon bij de rijkswacht werd de kandidaat-rijkswachter onmiddellijk "rijkswachter". Na zes maanden opleiding werd de kandidaat aangesteld tot "brigadier" en na het slagen in de opleiding werd men "wachtmeester". Dit was in feite de basisrang voor het operationele personeel terwijl "rijkswachter en brigadier" rangen waren die enkel in de Koninklijke Rijkswachtschool werden gehanteerd. Na 12 jaar succesvolle dienst volgde de aanstelling tot "eerste wachtmeester". Dit bleef men tot het einde van de carrière. De rijkswachters in deze rang waren agent van gerechtelijke politie.

Men kon er ook voor kiezen om keuronderofficier te worden. Dit kon na een opleiding van drie jaar of na een aantal jaren ervaring via sociale promotie. De basisgraad hier was "Opperwachtmeester" waarna "Eerste Opperwachtmeester", "Adjudant" en "Adjudant-chef" volgen. De keuronderofficieren waren officier van gerechtelijke politie en hadden dus een grotere bevoegdheid dan de agenten van gerechtelijke politie. Een "adjudant" of "adjudant-chef", Hoofdonderoficieren, kon de leiding hebben van een kleine of middelgrote brigade. "Opperwachtmeesters" en "eerste opperwachtmeesters" konden bijvoorbeeld een team of sectie leiden binnen zo'n brigade.

Officier kon men worden door een officierenopleiding te volgen. Oorspronkelijk bestond deze opleiding uit een vijf jaar durende studie. Later in de officierenopleiding via de sociale promotie, waarbij onderofficieren tot officier gevormd werden, toegevoegd.

De eerste twee jaren van de klassieke opleiding volgde men de basis militaire opleiding aan de Koninklijke Militaire School (KMS), daarna ging men twee jaar naar de "universitaire centra" van de Koninklijke Rijkswachtschool. Deze centra waren in Gent (voor de Nederlandstaligen) en in Luik (voor de Frans- en Duitstaligen) gevestigd. Men volgde er enerzijds een licentiaat in de Criminologie aan de universiteit en anderzijds een professionele vorming. Tenslotte volgde men nog een 15 maanden durende scholing aan de "applicatieschool" van de Koninklijke Rijkswachtschool in Elsene. Tijdens de opleiding werd de kandidaat-officier achtereenvolgens aangesteld tot wachtmeester (bij het begin), tot adjudant (na een jaar) en tot onderluitenant (na twee jaar). Bij het succesvol afsluiten van de opleiding werd de kandidaat, met terugwerkende kracht tot zijn aanstelling, benoemd tot onderluitenant.

Na vier jaar werden de onderluitenants bevorderd tot "luitenant", nogmaals vier jaar later tot "kapitein" en dan vijf jaar later tot "kapitein-commandant".

Ongeveer acht jaar na het afsluiten van de officiersscholing werden de officieren opgeroepen om deel te nemen aan de voorbereidingen voor en deelname aan het "majoorsexamen". Enerzijds moesten zij een bewijs leveren een grondige kennis van de tweede landstaal te bezitten (dit kon door het afleggen van een taalexamen of het bewijs een universitaire opleiding in de andere taal gevolgd te hebben), anderzijds moesten zij examens afleggen over voortgezette kennis in militaire vakken, openbare orde en management. De officieren die dit succesvol afronden werden "kandidaat-majoor" (dit is geen officiële benaming) en konden door het zogenoemde "wapencomité" voorgesteld worden voor benoeming tot majoor.

De hogere officieren en opperofficieren werden gevormd door de graden "majoor", "luitenant-kolonel", "kolonel", "generaal-majoor" en "luitenant-generaal". De commandant van de rijkswacht was een "luitenant-generaal"

Een overzicht van de graden:

  • Opperofficieren
    • Luitenant-generaal
    • Generaal-majoor
  • Hogere officieren
    • Kolonel
    • Luitenant-kolonel
    • Majoor
  • Lagere officieren
    • Kapitein-commandant
    • Kapitein
    • Luitenant
    • Onderluitenant
  • Hoofdonderofficieren
    • Adjudant-chef
    • Adjudant
  • Keuronderofficieren
    • Eerste opperwachtmeester
    • Opperwachtmeester
  • Onderofficieren
    • Eerste wachtmeester
    • Wachtmeester (basisrang na opleiding, nu: Inspecteur van Politie)
  • Rangen tijdens opleiding
    • Brigadier (laatste 6 maanden)
    • Rijkswachter (eerste 6 maanden)

Zie ook[bewerken]