Gastarbeider

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gastarbeiders op hun gezamenlijke kamer in een Duits pension in de jaren zeventig

Met gastarbeiders worden werkende mensen bedoeld die tijdelijk naar een ander land komen om daar arbeid te verrichten. De beweegreden voor een dergelijke actie is vrijwel altijd een economische: er is te weinig werk in het thuisland en er is voldoende vraag naar arbeiders in het gastland.

Tijdelijk houdt in dat het de bedoeling is terug te keren naar het land van herkomst. Wanneer dat niet het geval is, is er sprake van immigratie en wordt de gastarbeider een immigrant.

Na de Tweede Wereldoorlog kwamen er veel gastarbeiders naar de rijkere West-Europese landen, vanaf 1949 voornamelijk voor de kolenmijnen, onder meer uit Polen, Joegoslavië, Griekenland en Italië.[1][2]

Begin jaren zestig werden ten dienste van de zware industrie mensen geworven uit landen als Italië, Spanje en Portugal. In 1964 sloot de Nederlandse regering een wervingsovereenkomst met Turkije, in 1969 volgde Marokko. De uit deze politiek voortvloeiende massa-immigratie werd betaald door de aardgasbaten. Veel gastarbeiders vonden al zoekend naar betere werkomstandigheden dan in de omliggende landen ook zelf de weg naar Nederland.[3]

Geschiedenis[bewerken]

Overal waar behoefte was en is aan arbeiders, werden deze, al dan niet vrijwillig, van elders gehaald. Als dat niet op vrijwillige basis gebeurde, noemde men dat slavernij en de arbeiders slaven. Het verschijnsel gastarbeider is internationaal en van alle tijden.

In 1519 bijvoorbeeld nam Augustin Grimaldi, bisschop van Grasse in Frankrijk en overste van de monniken van het klooster op een van de eilanden 'Lérins' voor de kust van Cannes, het initiatief om naast een van hun abdijen ten noorden van Cannes het stadje Valbonne te bouwen. Zijn bedoeling was om de streek weer leven in te blazen, nadat de bevolking in de omgeving van Cannes en wijde omtrek door de pest in 1351 behoorlijk was uitgedund. De monniken haalden om hun uitgebreide landerijen te bewerken veel gastarbeiders avant la lettre uit Italië, die onderdak vonden in het stadje Valbonne. Tot op heden wonen in die omgeving daarom nog veel in die tijd ingeburgerde Fransen met Italiaanse namen.

In Nederland was er ook voor de Tweede Wereldoorlog al, ondanks de heersende crisis, gastarbeid. Zo werkten er in 1930, als gevolg van onvoldoende ervaren Nederlandse mijnwerkers, zo'n 12.000 buitenlandse arbeidskrachten in de Limburgse mijnen, ongeveer één derde van het totaal aantal mijnwerkers. Zij kwamen vooral uit Duitsland, Polen en Slovenië. Wegens de crisis in de jaren dertig moesten de mijnen inkrimpen: in 1939 was het aantal gastarbeiders teruggelopen tot 3.400, 10% van het totaal aan mijnwerkers.[2]

Van gastarbeider tot allochtoon[bewerken]

Gastarbeiders krijgen les in de Nederlandse taal (1973)

Formeel gezien is iedereen die buiten het eigen land geboren is en daar een tijdje komt werken, een gastarbeider. Het is echter in het dagelijks spraakgebruik niet de gewoonte om West-Europeanen met die term aan te duiden. In Nederland werd de werving van gastarbeiders beëindigd in 1973 tijdens het kabinet-Den Uyl (PvdA). Op dat moment waren er ongeveer 22.000 Marokkanen in Nederland. Ondanks dat er niet meer geworven werd en het de bedoeling was dat de gastarbeiders terugkeerden naar het land van herkomst, nam het aantal migranten alleen maar toe. In 1980 telde Nederland 72.000 Marokkanen, in 1990 168.000 en in 2008 335.127. Van gastarbeiders was toen al lang geen sprake meer.[4]

Er zijn al vele termen gehanteerd om de groepen buitenlanders die zich in België of Nederland gevestigd hebben aan te duiden. Gastarbeider is er daar één van, waarbij de nadruk ligt op de tijdelijkheid van het verblijf - als gast. Een synoniem hiervoor uit de ambtelijke terminologie is arbeidsmigrant, waarbij de nadruk ligt op arbeid.

De terminologie is voortdurend aan wijziging onderhevig, met name omdat ieder van de termen op een gegeven moment een bepaalde minder positieve lading krijgt, waardoor de term moeilijk hanteerbaar wordt of als maatschappelijk onaanvaardbaar (discriminerend) beschouwd wordt.

Tegenwoordig is "allochtoon" de meest gebezigde term voor de groep van voormalige gastarbeiders (de immigranten uit de jaren zestig en zeventig) en hun nageslacht. De nadruk is hierbij verschoven naar het 'vreemdeling' zijn. Het begrip 'allochtoon' wordt onderverdeeld in westerse allochtoon en niet-westerse allochtoon. Onder westerse allochtonen wordt volgens het CBS verstaan: personen afkomstig uit Europa (exclusief Turkije), Noord-Amerika, Oceanië, Indonesië en Japan.[5] De term zegt niets over de huidskleur van de uit die landen afkomstige personen. Met de term niet-westerse allochtoon wordt derhalve geen niet-blanke persoon bedoeld. Aangezien volgens sommigen de term allochtoon een negatieve connotatie heeft, werd in 2006 door de PvdA-fractie in de Amsterdamse gemeenteraad een voorstel ingediend, om het gebruik van de term 'allochtoon' in officiële stukken te verbieden. Bij gebrek aan een alternatief bleek dit niet haalbaar.

Bronnen, noten en/of referenties