Abdij

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
deel van de serie over
Kloosters

en het christelijke monastieke leven

Monnik

Een abdij is een mannen- of vrouwenklooster van een contemplatieve (beschouwende) kloosterorde, zoals de benedictijnen, kartuizers, cisterciënzers en norbertijnen. De monniken van deze orden leven volgens een kloosterregel. Om een abdij te stichten zijn er minimaal 12 leden nodig. Bij de norbertijnen wordt de abdij een canonie genoemd. Een afhankelijkheid van een abdij wordt een priorij genoemd.

In de middeleeuwen waren de abdijen strak georganiseerde en gesloten leefgemeenschappen, die behalve het ommuurde gebouwencomplex (waarin de abdijkerk, woon-, slaap- en eetruimten, de bibliotheek, moestuin e.d.) vaak ook het beheer hadden over een uitgestrekt omliggend gebied. Niet alleen op religieus, maar ook op cultureel gebied zijn de abdijen van grote betekenis.

Structuur[bewerken]

Een abdij kan opgedeeld worden in drie delen:

  • de kloosterzone: de gebouwen bewoond door de religieuzen. In het midden is er meestal een vierkante binnenplaats, met aan een zijde de kloostergalerij die toegang geeft tot de andere gebouwen. Tegen de kerkbeuk is meestal de noordelijke vleugel van het klooster gebouwd. De refter ligt meestal aan de zuidkant met daarboven de slaapzaal, het dormitorium. De kapittelzaal is dicht bij het koor van de kerk gelegen. Van hieruit wordt de abdij bestuurd, het dagelijks werk geregeld en de abt verkozen.
  • de landbouw- en/of nijverheidszone: allerlei activiteiten vinden er plaats zoals de zorg voor zieken en gewonden, het maken van kaas, een smederij, het malen van graan in wind- of watermolens en het brouwen van bier. De pachter van de abdijhoeve en ambachtslieden van allerlei slag vonden er onderdak. In vroeger tijden was het vaak een dorp op zich.
  • de invloedszone: de zone waar de abdij haar invloed doet gelden. Ze is een geestelijk centrum en haar religieuzen bedienen vaak parochies in de omgeving.

Abdijbestuur en functies[bewerken]

De abt of abdis staat aan het hoofd van een abdij. In het algemeen is hij verkozen voor het leven. De prior (Latijn voor eerste) is zijn rechterhand die hem bijstaat en vervangt de abt bij afwezigheid. De subprior vervolledigt het driemanschap.

In een abdij bestaan verder vele functies waaronder:

Dagindeling[bewerken]

De dag begint bij sommige ordes om 4 à 5 uur 's morgens en eindigt rond 20 à 21 uur, naargelang de seizoenen. Gebed, arbeid en geestelijke lectuur wisselen elkaar af. Het getijdengebed bestaat uit het zingen van psalmen, het uitspreken van gebeden en het voorlezen van Bijbelteksten. Daarnaast brengt men tijd in persoonlijk gebed door.

Abdij van Herkenrode
Het poortgebouw met links ervan de portierswoning

Abdijen in de Lage Landen[bewerken]

De eerste abdijen in de Lage Landen deden hun intrede al vroeg in de Frankische tijd op initiatief van zendelingen en bisschoppen (zoals Sint-Willibrord, Eligius e.a.). De eerste, al dan niet in de buurt van een gehucht gevestigd, vormden de groeihaard voor kleine dorpen of zelfs latere steden, zoals Gent waar de Aquitaanse monnik Sint-Amandus in de vroege 7e eeuw als eerste katholieke nederzetting in het land der Saliërs een Benedictijnenklooster stichtte, zoals hij ook in Echternach (Luxemburg) deed.

In de praktijk waren het deze kloosters die bij het missioneringswerk een actieve rol speelden, toen het bisdom nog niet duidelijk afgebakend was.

Vaak stonden graven, en vorsten in het algemeen, graag delen van hun gebied en middelen af om er abdijen te laten oprichten en zich daarmee een plaats in de hemel te verzekeren. Zij bleven vaak toezicht uitoefenen en controleerden de benoeming van de abten. Karel de Grote streefde ernaar om de kerken met hun nederzettingen (kloosters) en hun administratieve traditie (boekhouding) als instrument van toezicht te gebruiken. Hij maakte graag gebruik van het netwerk van abdijen voor administratieve controle, omdat zij nauwgezet registers bijhielden, terwijl meestal ook de abt een opperste functie in de rechtspraak uitoefende. Boven de kleine rechtbanken (laathoven) stond het hof van een abt van een hogere vierschaar.

Ten zuiden van de taalgrens en van de scheidslijn tussen het noordelijke hofstelsel en het zuidelijke dorpsstelsel ontstonden onder impuls van de Kerk al vroeg zeer uitgebreide kloosterdomeinen, vergelijkbaar met die in het Duitse gedeelte van het rijk, zij het iets kleiner maar talrijker. De oorspronkelijke goederen van de oudste abdijen kregen van bij het begin van de Frankische monarchie de domaniale inrichting die in de grote eigendommen van Gallië gold. In het Karolingisch tijdperk werd deze enkel nog bevestigd. De maatschappelijke invloed van de kloosters, die onderling met elkaar in verbinding stonden, was vergelijkbaar met die van de steden in de komende eeuwen. Zij legden een eerste basis voor de grootschalige landelijke economie. Kleine eigenaars en vrijgekomen lijfeigenen traden in dienst van deze kloosters door ‘hunne vrijheid in eene vrijere dienstbaarheid te verwisselen' zoals dat in de charters werd vermeld. Daardoor genoten zij in tijden van misoogst ruimere bescherming en hoefden hun lastdieren dan niet te verkopen. Het kerngebied (terra indominicata) werd zoals overal in Europa bewerkt door de lijfeigenen van de meester, het andere deel bestond uit leengoederen die erfelijk waren.

In graafschap Holland speelde de clerus een geringere rol door de afwezigheid van toonaangevende abdijen.

In de 10e eeuw waren sommige graven tegelijk zelf lekenabt. Ten gevolge van de kloosterhervorming werd hen het recht op aanstellen van abten ontnomen, maar door over de benoemingen voor kerkelijke functies te beslissen verhoogden de graven hun invloed aanzienlijk en genoten zij thans ook inkomsten uit de landerijen van de kloosters. De supervisie van de religieuze ambtenaren en instellingen in het gebied, voornamelijk de kloosters, was een belangrijke machtspijler van het graafschap geworden. In Vlaanderen werden de kloosters van St. Vaast (bij Atrecht), St. Amandus (aan de Scarpe), St. Bertinus (bij St. Omer), en St. Bavo en St. Pieter (in Gent) machtscentra behorend tot de graven van Vlaanderen. Voor de hertogen van Brabant waren dat Nijvel en Gembloers en in Holland waren het Egmond en Rijnsburg. In Lotharingen maakte het feit dat de keizer systematisch bisschoppen en abten met seculiere macht bekleedde en een leengoed toekende, deze tot pijlers van het koninklijk en keizerlijk gezag (wat in Oost-Francië uiteindelijk zelfs tot de instelling van de keizerlijke Reischskirche zou leiden). De kerken genoten immuniteit over hun bezittingen en daar konden de bisschoppen hun seculiere macht en rechten op laten gelden. Hierdoor konden binnen de kerkelijke gebieden van Lotharingen de graven en hun ondergeschikten hun functie niet ongehinderd uitoefenen.

Door de bul van 12 mei 1559 van Paulus IV ontstonden naast de oude bisdommen veertien nieuwe diocesen: Namen, Sint-Omaars, Mechelen, Antwerpen, Gent, Brugge, Ieper, 's Hertogenbos, Roermond, Haarlem, Deventer, Leeuwarden, Groningen en Middelburg. In plaats van zes bisdommen voor drie miljoen zielen, waren het er nu achttien. De koning zou, samen met de paus, de nieuwe bisschoppen benoemen en ze van zijn penningen laten leven in afwachting van toewijzing van hun inkomstenbronnen uit abdijen.

Na de beeldenstorm werden abdijen het mikpunt van gewelddadige plundering, onder meer door de Watergeuzen.

Oudste abdijen[bewerken]

Het zuiden van de Lage Landen met bisschopszetels en abdijen ca.7e eeuw. De abdijen vormden de aanzet tot grotere nederzettingen of steden zoals Gent.
De Sint-Baafsabdij, een van de oudste van de Lage Landen, op een kaart uit 1534, niet lang voor de afbraak.
Stichtingsjaar Abdijnaam Locatie Stichter
633-39 Abdij van Saint-Amand Sint-Amand Amandus Dagobert I
637 Abdij van Aulne Gozée Landelinus
640 Abdij van Nijvel Nijvel Ida van Nijvel
640 ? Sint-Baafsabdij Gent Amandus Dagobert I
Fosses Feuillen
Hautmont
Maubeuge
Sint-Ghislain
Sint-Hubert
645 Abdij van Lobbes Lobbes Landelinus
645 Stavelot-Malmedy Malmedy Remaclus
648 Abdij van Sint-Bertinus Sint-Bertijns Audomarus
648 Abdij van Stavelot Stavelot Remaclus
650 Bergen Sint-Waltrudis
650 ? Celles Hadelinus
654 Torhout
657 Abdij van Sint-Truiden Sint-Truiden
670 Abdij van Munsterbilzen Bilzen Landrada
685 Abdij van Sint-Winoksbergen Wormhout
690 ? Andenne Begga
698 Abdij van Echternach Echternach Willibrordus
700 Abdij van Aldeneik Aldeneik Adalhard en Grinuara
714 Abdij van Susteren Susteren Willibrordus
721 Abdij Prüm Prüm Bertrada de Oudere

Zie ook[bewerken]