Biogeografie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De ecozones van de wereld.
Lichtbruin: Neotropisch gebied; Paars: Nearctisch gebied; Groen: Palearctisch gebied; Oranje: Afrotropisch gebied; Rood: Oriëntaals gebied; Groenbruin: Australaziatisch gebied

De biogeografie bestudeert de verspreidingspatronen van organismen, stelt vast welke groepen planten en dieren kenmerkend zijn voor de gebieden op het land en in de zee en gaat na hoe de tegenwoordige verspreiding is ontstaan. Geografische entiteiten als gebergtes of zeeën kunnen een grote invloed op de evolutie van soorten hebben. De verspreiding van soorten is daarom vaak afhankelijk van geografie.

Er zijn verschillende subvelden van de biogeografie te onderscheiden, zoals de zoögeografie (voor dieren) en fytogeografie of plantengeografie.

Introductie[bewerken]

De patronen van de soorten spreiding over geografische gebieden kan worden verklaard door een combinatie van historische factoren, bijvoorbeeld: soortvorming, uitsterven, continentverschuiving, ijstijd en de variaties in de zeespiegel, de loop van rivieren, verschillende leefgebieden en de rivier capaciteit in combinatie met de geografische beperkingen van landmassa gebieden, isolatie en de beschikbare energievoorziening van het ecosysteem.

Biogeografie omvat studie van plant- en diersoorten in hun verleden, hun tussentijdse woonplaatsen en overlevingskansen. Bij biogeografie gaat het niet alleen om welke soorten, maar ook waarom, waarom daar en waarom niet ergens anders?

De moderne biogeografie maakt regelmatig gebruik van geografisch informatiesystemen (GIS). Het GIS wordt gebruikt om de factoren die van invloed zijn op de distributie van organismen te vinden en om toekomstige trends te voorspellen in de distributie van organismen. Ecologische problemen die een ruimtelijk aspect hebben, worden vaak opgelost door middel van wiskundige modellen en GIS.

Biogeografie is het best waarneembaar op de eilanden in de wereld. Deze leefgebieden zijn vaak een overzichtelijker gebied van studie, omdat deze leefgebieden meer geconcentreerd zijn dan grotere ecosystemen op het vaste land. Deze eilanden zijn ook ideaal om nieuwe soorten in een leefgebied te onderzoeken. Op deze manier kan men waarnemen hoe deze nieuwe soorten zich koloniseren en verspreiden naar andere delen van het eiland. Wat er op deze eilanden gebeurt met nieuwe soorten gebeurt ook op het vasteland. Eilanden zijn ook zeer divers in het aanbod van organismen en variërend van het tropische tot arctisch klimaat.

Onderzoeksgeschiedenis[bewerken]

Griekse denkers als Aristoteles en Hippocrates trachtten al uit te leggen waarom er bijvoorbeeld olifanten voorkwamen in Afrika en Azië, maar niet in het tussengelegen gebied. In de Middeleeuwen ging men ervan uit dat alle soorten gered waren in de Ark van Noach, en zich vandaar uit verspreid hadden over de wereld. De ontdekking van Amerika en de waarneming dat flora en fauna daar sterk verschilden van die van de Oude Wereld vroeg om een herziening van die visie. De Duitse botanicus Johann Georg Gmelin stelde in 1747 voor dat er meerdere centra van schepping geweest konden zijn. Dat idee werd vooral door de Franse natuuronderzoeker Buffon naar voren geschoven.

De eerste moderne ecoloog was de Duitser Alexander von Humboldt. Aan het begin van de 19de eeuw legde hij een systematisch verband tussen het voorkomen van planten enerzijds en de lengte- en breedtegraad en het klimaat anderzijds. Dat vakgebied heet tegenwoordig geobotanie of botanische biogeografie. Onafhankelijk hiervan kwam ook de zoögeografie tot ontwikkeling. Charles Darwin zag op zijn reis met de Beagle dat de soorten in de gematigde zones van Zuid-Amerika meer verwant waren met soorten uit de tropische zones van datzelfde continent, dan met soorten uit de gematigde zones van Noord-Amerika. Deze waarneming heeft bijgedragen aan zijn formulering van de evolutietheorie.

In 1967 werd het boek The Theory of Island Biogeography van Robert H. MacArthur en Edward O. Wilson gepubliceerd, waarin een verband werd gelegd tussen enerzijds de biodiversiteit en anderzijds de oppervlakte van een eiland en de afstand van dat eiland tot het vasteland of een ander eiland. Het aantal soorten op een eiland wordt bepaald door uitsterven en immigratie van soorten. Een grotere oppervlakte en een kleinere afstand tot het vasteland leiden beide tot een hogere biodiversiteit (zie ook: eilandbiogeografie). Op deze theorie is het Nederlandse beleid t.a.v de ecologische hoofdstructuur terug te leiden: verbindingszones tussen natuurgebieden (die worden gezien als eilanden) moeten leiden tot verhoging van de biodiversiteit.

Soorten biogeografie[bewerken]

Biogeografie kun je onderverdelen in twee soorten: zoögeografie en plantengeografie.

Zoögeografie is het bestuderen van de verspreiding van dieren over de wereld. Hierbij gaat het ook om de structuur van de dieren, de embryologie, evolutie, classificatie, gewoonten en de distributie van alle dieren, zowel de levenden als uitgestorven.

Plantengeografie is het bestuderen van de verspreiding van planten over de wereld en hun invloed op het aardoppervlak. Plantengeografie houdt zich bezig met alle aspecten van plantaardige distributie, op de verdeling van de individuele soorten.

Paleo biogeografie[bewerken]

Paleo biogeografie (paleo = oudste tijdperk) gaat nog een stap verder. Hierbij wordt gebruikgemaakt van paleo biografische gegevens en platentektoniek. Met behulp van moleculaire analyses die bevestigd werden door fossielen is het mogelijk geweest aan te tonen dat perching vogels zich eerst ontwikkelden in de regio van Australië of de aangrenzende Antarctische wateren. Hiervanuit heeft de vogel zich verspreid naar andere continenten.

Classificatie[bewerken]

Biogeografie is een synthetische wetenschap, met betrekking tot aardrijkskunde, biologie, bodemkunde, geologie, klimatologie, ecologie en evolutie. Een aantal concepten in biogeografie zijn onder andere:

  • Evolutie - verandering in de genetische samenstelling van een populatie.
  • Uitsterven - verdwijnen van een soort.
  • Verspreiding - verplaatsing van de bevolking uit de buurt van de plaats van oorsprong, met betrekking tot migratie.
  • Endemische taxa.
  • Geodispersal - de erosie van de belemmeringen voor de geografische verdeling en de mate waarin genen uitgewisseld kunnen worden tussen verschillende populaties.
  • Arealen - het gebied waarin de soort wordt aangetroffen
  • Vicariantie - de vorming van belemmeringen voor biotische verspreiding en de mate waarin genen uitgewisseld kunnen worden tussen verschillende populaties, die de neiging hebben om soorten en biota onderverdelen, wat leidt tot soortvorming en uitsterven.

Zie ook[bewerken]


Bronnen, noten en/of referenties