Egyptische hiërogliefen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Egyptische hiërogliefen

Egyptische hiërogliefen (Grieks: hieros - "heilig", glyphoi - "groeven") vormen het schrift van het Oude Egypte. Door de Egyptenaren werden ze ook Medu Netjer of "Goddelijke Woorden" genoemd, hetgeen verwijst naar de overlevering dat de god Thoth ooit het schrift aan de Egyptenaren gaf. Het schrift is rond 3100 v.Chr. ontstaan en werd tot aan het eind van de Oud-Egyptische beschaving gebruikt, waarna het langzaamaan vervangen werd door het Grieks en later het Arabisch.

De hiërogliefen[bewerken]

Hiëroglief van Maät met een ankh

De Egyptische hiërogliefen zijn pictogrammen die klanken uitdrukken. Ze werden alleen geschreven door ambtenaren (schrijvers) die hiervoor een langdurige en zware opleiding kregen. De vroegste hiërogliefen zijn gevonden in de graven van de eerste koningen zoals de koning Narmer en Hor-Aha. Daar vinden we ze als labels en op gebruiksvoorwerpen zoals kruiken. Hier bestaan de hiërogliefen veelal uit losse tekens (fonogrammen) die klanken weergeven en uit determinatieven, die verwijzen naar het genoemde begrip.

Eenconsonantentekens[bewerken]

Deze beperkte groep alfabetische beeldschrifttekens is te vergelijken met het Hebreeuwse of Arabische alfabet. Net zoals de Semitische talen heeft het Egyptische hiërogliefenschrift geen klinkers. Het heeft wel halfmedeklinkers zoals een w, een y en een allef, die oorspronkelijk een glottisslag voorstelt. De taal heeft ook twee soorten t's en d's, omdat het emfatische medeklinkers heeft zoals in andere Semitische talen.

Een voorbeeld van een eenconsonantenteken is de letter r, die wordt voorgesteld door een mondje. Ditzelfde teken kan echter ook als letterlijk beeldteken gebruikt worden en 'mond' (ro) betekenen, maar dan wordt het meestal vergezeld door een verticale streep: |. Deze streep (ideogramstreep) geeft aan dat het hier niet om een r als fonogram gaat, maar om een r als ideogram, een teken dat een algemene indruk van het gehele woord geeft.

Twee-, drie- en vierconsonantentekens[bewerken]

Hoewel er dus al heel vroeg eenconsonantentekens waren, werd het schrift nooit een alfabetisch systeem, omdat er ook veel tekens in gebruik bleven die twee, drie of meer medeklinkers tegelijk voorstelden. Zo werd een tafeltje met een broodje erop gebruikt voor de combinatie htp. Als ideogram (met een ideogramstreep | ) betekent het 'altaar', maar deze groep medeklinkers kwam ook voor in een aantal woorden die 'offer', 'tevreden' of 'vrede' betekenden. In het laatste geval werd er een determinatief in de vorm van een papyrusrol toegevoegd, die aangaf dat het hier om een overdrachtelijke betekenis ging. Al met al waren er honderden tekens.

Latere vormen[bewerken]

Al vanaf het Oude Rijk werd er in het hiëratisch schrift, een cursieve vorm van de hiërogliefen, geschreven. Hiërogliefen werden alleen op monumenten geschreven, het cursieve hiëratische schrift werd gebruikt op papyri. De hiërogliefen waren meestal complexe afbeeldingen, die in het hiëratisch gereduceerd werden tot snelle penseelstreken voor het schrijven van dagelijkse administratieve documenten.

Vanuit het hiëratisch schrift kwam in de Late Tijd het demotisch tot ontwikkeling. Dit schrift werd eveneens vooral gebruikt op papyri en in administratieve documenten.

Ontstaan en verloop[bewerken]

Het schrift als zodanig werd aan het eind van het 4e millennium v.Chr. in Mesopotamië ontwikkeld. Intussen was er ook reeds een schrift in gebruik in de Indusbeschaving. Het ging om pictogrammen die tot abstracte spijkertekens ontwikkelden.

Obelisk in Luxor met hiërogliefen

Onder Mesopotamische invloed werden ook in Egypte vergelijkbare systemen gebruikt, vooral om handelstransacties te administreren. De hiërogliefen, zoals deze pictogrammen genoemd worden, zijn niet allemaal tegelijk ontstaan. De oudste tekens ervan dateren van ca. 3100 v.Chr. Het gaat dan om erg korte afdrukken van zegels of opschriften op aardewerk of kleine tafeltjes uit been of ivoor gemaakt. Dit zijn vooral namen van herkomst van producten of namen van personen en plaatsen. Ook zegels van ambtenaren worden met dergelijke tekens geïdentificeerd.

In de periode 3050-3000 v.Chr. dateren de eerste bewijzen dat het schrift fonetisch werd gebruikt (er werden klanken bij de beeldjes geassocieerd). Dat gebeurde bij de eenmaking van Beneden- en Boven-Egypte. De goddelijke koning onder wiens gezag dit plaats had wordt als Horus aangeduid. We vinden de eerste referentieteksten uit die tijd onder het bewind van Ka.

Omdat het geen abstract schrift is had men altijd maar meer tekens nodig. In het Middenrijk waren er al een zevenhonderdtal in gebruik. Dit aantal is in de periode van de Ptolemaeën opgelopen tot 7000.

Men ging dus meer en meer van dergelijke tekens gebruiken, horizontaal of verticaal dicht op elkaar gepakt en gerangschikt met tekens van gelijke grootte. Anders werden ze ook in vierkanten gepast en zo in groepjes bijeengezet. Meestal zijn ze van rechts naar links te lezen, maar het kan ook andersom. Ze werden ofwel in steen gehakt of gesneden, ofwel met een rietpen op papyrus geschreven. Later werden ze ook met een penseel in waterverf gedoopt op kalkwanden aangebracht.

Op 24 augustus 394 werd voor zover bekend het allerlaatste opschrift in hiërogliefen gemaakt[bron?]. Het staat op de Poort van Hadrianus in Philae.

Gebruik[bewerken]

Een stèle met diverse schrijfrichtingen. De bovenste kolom: de tekens aan de linkerkant dienen van rechts naar links gelezen te worden en de rechterkant van links naar rechts.

Het schrijven van de hiërogliefen was niet eenvoudig en werd slechts uitgevoerd door hoog opgeleide ambtenaren en schrijvers. De bedoeling was dat de tekens in symmetrie stonden en dat deze op artistieke wijze verschillend konden worden gelezen. Hoewel het schrift oorspronkelijk zoals in de piramideteksten van boven naar beneden werd geschreven, werd het later op papyrus ook van rechts naar links of van links naar rechts geschreven.

Doordat het hiërogliefenschrift zo complex was en het tijdrovend was om de tekens uit te beitelen in steen, was het niet geschikt voor dagelijks gebruik maar werd het vooral voor inscripties op monumenten gebruikt.

Het hiërogliefenschrift had ook een spirituele functie. Men geloofde dat wat men opschreef ook op magische wijze tot leven gewekt kon worden of dat men door het weghakken van iemands naam die persoon het bestaan kon ontnemen. Tijdens het Nieuwe Rijk, gedurende de regering van Amenhotep IV 'Achnaton', werd een religieuze revolutie in gang gezet, waarbij Achnaton opriep tot het aanbidden van slechts één god, Aton. Nadat opeenvolgende farao's de oude religie in ere hadden hersteld, werd Achnatons naam weggehakt uit de monumenten zodat de herinnering aan hem snel verloren zou gaan en deze ketterse farao geen deel uit zou blijven maken van de Egyptische geschiedenis.

Ontcijfering[bewerken]

Op de Steen van Rosetta, een edict uit de tijd van Ptolemaeus V Epiphanes, staan drie versies van hetzelfde edict in hiërogliefenschrift, Demotisch en Grieks. Deze steen vormde de sleutel die tot de ontcijfering van het hiërogliefenschrift door Jean-François Champollion geleid heeft. Toen hij allereerst vaststelde dat een woord uit verschillende hiëroglifische tekens kan bestaan, aangezien er per tekst meer dergelijke tekens voorkomen dan Griekse woorden, probeerde hij een aantal van die tekens op zich te lezen. Daarbij ging hij uit van de naam Ptolemaios en stelde vast dat de "p" en de "t" zowel in dat woord als in het woord "Ptah" voorkomen. Omdat hij reeds in 1813 tot het inzicht was gekomen dat klinkers niet altijd worden geschreven, zoals in het modern Arabisch, was zijn veronderstelling dat er mogelijk niet Ptolemaios stond, maar "PTOLMYS".

p
t
wA
l
M
i
i
s
P
T
O L
M
I I S

Hij controleerde die hypothese daarna door het woord Cleopatra op een obelisk van Philae (verzameling Bankes te Kingston Lacy), en zag dat er inderdaad gemeenschappelijke tekens waren. Maar er waren ook een aantal nieuwe waarden. Zijn besluit was dat er homofone (gelijkluidende) tekens zijn met dezelfde klankwaarde, maar dat die anders voorgesteld kunnen worden. Zo identificeerde hij 12 letters. Hij ontdekte ook de determinatieven in de zin van onuitgesproken tekens, waarmee het karakter van het woord wordt geïdentificeerd. Op 14 september 1822 had hij de namen Thoetmozes en Ramses ontcijferd. Omdat hij wist dat in het Koptisch Ra de naam voor de zon is, las hij het zonnetje als Ra en de s kende hij reeds uit Ptolmys. Uit Ra.ms.s (Ramesses) leerde hij ook de tweelettertekens voor r' en ms en daarmee had hij het begin.

Hiërogliefen op een sarcofaagdeksel in het British Museum
Cartouches in de tempel van Medinet Haboe

Zijn Engelse rivaal Thomas Young had al opgemerkt dat koningsnamen in een soort cirkel (een cartouche) geschreven worden. Dit is een ander voorbeeld van een determinatief. De cartouche als ideogram heeft zelf de waarde rn en betekent 'naam', maar als determinatief geeft het aan dat de tekens die erin geschreven zijn de naam van een koning voorstellen. Young kon echter niet geloven dat het schrift ook fonetische elementen bevatte en zo ging de eer van de ontcijfering naar Champollion.

Sommige eigenaardigheden van het schrift zijn pas veel later duidelijk geworden. Zo wordt bijvoorbeeld de volgorde waarin de tekens gespeld worden voor een deel bepaald door wat zij voorstellen. Het woord voor koning is 'nysut', maar het teken voor 'sut' wordt eerst geschreven omdat het een heilige plant voorstelt. Heel lange tijd dacht men daarom dat koning 'suten' was in plaats van 'nysut'.

Ook kan een tekst zowel van links naar rechts als van rechts naar links gelezen moeten worden. Men kijkt dan naar de schrijfrichting van de hiërogliefen (de kant die zij 'opkijken'), hetgeen de leesrichting aangeeft. Om te weten of een pictogram letterlijk genomen moet worden, kijkt men of er een klein verticaal streepje (ideogramstreep) onder staat. Indien dat niet het geval is moet het teken als een fonogram gelezen worden. Met drie streepjes wordt een meervoudsvorm aangegeven, met twee streepjes een dualis. In de egyptologische uitspraak van het schrift vult men de ontbrekende klinkers zo veel mogelijk met een 'e' (sjwa) op, tenzij er een alef, y of w in het woord voorkomt, dan wordt soms een a, i of u gebruikt. Soms wordt de 'ain ook wel als o weergegeven. Er zijn pogingen geweest de ontbrekende (korte) klinkers op te vullen vanuit het Koptisch, dat wel klinkers kent, maar dat is van zo veel latere tijd dat zo'n reconstructie vaak niet betrouwbaar is. Het is dus beter om de zonneschijf itn als 'aten' of 'iten' weer te geven dan als 'aton'. Ook Amon is eigenlijk imn, dus Amen of Imen zou juister zijn.

Computer[bewerken]

Vandaag de dag zijn er op het internet hiërogliefen beschikbaar voor tekstverwerkers zoals MS-Word. Er zijn echter wel een paar problemen. De beeldtekens horen voor een deel in groepen boven elkaar geschreven te worden, zodat zij gezamenlijk min of meer een vierkant opvullen. Hier waren de schrijvers van Egypte heel precies in, maar tekstverwerkers zijn er niet op ingericht. Ook zijn er zoveel tekens dat zij in verschillende sets opgedeeld moeten worden.

De wikisoftware maakt het sinds enige tijd ook mogelijk hiërogliefen, inclusief het op juiste wijze stapelen ervan weer te geven. Er wordt daarbij gebruikgemaakt van de categorisatie van de hiërogliefen van Gardiner. Deze Egyptoloog heeft alle voorkomende tekens ingedeeld in een kleine dertig categorieën, aangegeven met de letters A,B, enz. Binnen iedere categorie krijgt ieder teken een nummer. Het teken A1 kan bijvoorbeeld met behulp van <hiero>A1</hiero> weergegeven worden en levert

A1

op. De A-categorie bevat tekens die mannelijke personen en goden weergeven. De veel kleinere B-categorie bevat de vrouwelijke tekens, bijvoorbeeld B1 is:

B1

Zo heeft iedere categorie een bepaald thema. Opstapeling van tekens kan bewerkstelligd worden door een dubbele punt tussen twee Gardinercodes neer te zetten, bijvoorbeeld X1:X1 levert twee broodjes (met de eenletterwaarde "t") op:

X1
X1

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Wolfgang Kosack: Ägyptische Zeichenliste I. Grundlagen der Hieroglyphenschrift. Definition, Gestaltung und Gebrauch ägyptischer Schriftzeichen. Vorarbeiten zu einer Schriftliste. Berlin 2013, Verlag Christoph Brunner Basel 2013, ISBN 978-3-9524018-0-4
  • Wolfgang Kosack: Ägyptische Zeichenliste II. 8500 Hieroglyphen aller Epochen. Lesungen, Deutungen, Verwendungen gesammelt und bearbeitet. Berlin 2013, Verlag Brunner Christoph, ISBN 978-3-9524018-2-8

Externe links[bewerken]