Maät

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Maät
Egyptische god
Maät, Ma'at
U5
a
t C10

Maät in hiërogliefen
Gedaante Vrouw met veer als hoofdtooi
Associatie Orde, rechtvaardigheid, waarheid
Maät
Maät
Portaal  Portaalicoon   Egyptologie

Maät of Ma'at is in het Oude Egypte de aanduiding van het concept van waarheid, stabiliteit en rechtvaardigheid en kosmische orde. Het komt reeds in het 3e millennium v.Chr. in teksten voor. Maät wordt vanaf het Middenrijk de maatstaf voor de hoofdrol van de farao: de kosmische orde handhaven voor de vruchtbaarheid van het land en zijn bewoners.
In de Egyptische mythologie is Maät als godin de personificatie van deze concepten. Zij vertegenwoordigt van bij de aanvang van het universum de kosmische orde. Laat in haar ontwikkeling werd ze als dochter van de zonnegod Ra beschouwd. Haar goddelijke tegenhangster is Isfet, de chaos. Maät wordt vaak in het Egyptisch dodenboek vernoemd.

Filosofisch concept[bewerken]

Maät is in het Oude Egypte de aanduiding van het concept dat de eigenschappen essentie, authenticiteit, echtheid, rechtheid, juistheid, waarheid, stabiliteit, kosmische orde, rechtgeaardheid en rechtvaardigheid verenigt.[1] Het duidt de natuurlijke wetmatigheid der dingen van bij hun begin aan. Vandaar ook de natuurwet waarmee de kosmos geregeld is van bij het ontstaan ervan. Dit principe is altijd onzichtbaar en onveranderlijk op de achtergrond aanwezig. Als een reflector heeft het zelf geen deel in de gebeurtenissen, maar worden die er wel door beïnvloed. Een oude tekst zegt over maät: "de goedheid en waarde ervan was duurzaam bedoeld. Het werd niet verstoord sinds de dag van zijn ontstaan, terwijl degene die de ordonanties ervan schendt gestraft wordt.[2]

Het concept komt overeen met de "Me" in Mesopotamië, de wet met de lotsbestemming die in handen van de goden was en die op twaalf tafelen met instructies, een per maand van het jaar, jaarlijks aan de Babylonische koning bij zijn re-investituur werden overhandigd.

Er zijn zo goed als geen mythen over de godin Maät, omdat zij altijd veel meer het abstract concept is gebleven dat zij vertegenwoordigt.

Oorsprong en ontwikkeling van het concept[bewerken]

Hiërogliefwoorden[bewerken]

De hiërogliefweergave van de naam maät bestaat uit de struisvogelveer, of zij kan ook worden aangeduid met de regelstok van een bouwer, of de plint waarop beelden van goden werden geplaatst. De toevoeging van een uitgang -t duidt meestal op een vrouwelijke vorm (vgl. Baälat, Eilat e.a.). Soms wordt, zoals in dit geval, een extra -a- tussen de woordstam en de uitgang geplaatst om de uitspraak te vergemakkelijken.

Betekenis[bewerken]

Het hiërogliefwoord maät betekent op de eerste plaats "wat recht is" en werd waarschijnlijk als naam gegeven voor het werktuig waarmee handwerklui van allerlei soorten hun werk in de goede banen lieten verlopen. Dit is dezelfde idee die bij de Grieken aan de basis ligt van het woord κανων (canon). Dit duidde eerst een rechte maatstok aan om iets recht mee te houden, dan een regel zoals die door metsers werd gebruikt, en tenslotte, metaforisch een regel of wet of canon, iets waarmee het leven van mensen in de rechte lijn werd gehouden. Ook deze ideeën horen bij het Egyptische woord maät. De godin Maät werd aldus de personificatie van natuurlijke en morele wetmatigheden, orde en echtheid.[3]

Scène uit de Egyptisch dodenboek met het wegen van het hart

Maät werd aldus ook geassocieerd met de regelmaat van de natuurwet. De regelmaat waarmee de zon ondergaat en opkomt bijvoorbeeld werd uitgedrukt in het beeld van Maät en Thot die de zonnegod Ra in zijn bark, bestuurd door Horus, vergezellen op zijn juiste pad van oost naar west. In haar hoedanigheid van leidster van de zonnegod wordt Maät "dochter van Ra" genoemd, en "Oog van Ra", "Vrouwe van de Hemel", "Koningin van de Aarde" en "Meesteres van de Onderwereld". En zij was natuurlijk ook de "Vrouwe van de Goden en Godinnen". Met haar moreel gezag was Maät de grootste onder de godinnen. In haar dubbele vorm van Maäti (dat wil zeggen de Maät van het zuiden en van het noorden) werd zij de Vrouwe van de Hal des Oordeels, en werd ze de personificatie van de ultieme gerechtigheid, die ieder mens zijn deel gaf. Te oordelen naar bepaalde vignetten waarop 'het afwegen van het hart' werd voorgesteld nam zij soms de vorm van de weegschaal zelf aan.[4]

Personificatie[bewerken]

Maät is de godin die het concept waarachtigheid, rechtvaardigheid en kosmische orde (Egyptisch ma-at) personifieert. Zij bestaat minstens reeds vanaf het Oude Rijk en wordt in de piramideteksten genoemd, waar zij achter de zonnegod Ra staat[5]. Algemeen genomen kan Maät als het vrouwelijk equivalent van Thoth worden gezien met wie zij samen ontstaan is, en volgens funeraire werken stonden beide aan de zijde van Ra, toen deze uit de afgrond van Noe verrees.[6]. Zij wordt later ook met Osiris geassocieerd, die al zeer vroeg de Heer van de maät wordt genoemd. Vanaf het Nieuwe Rijk wordt zij 'dochter van Re' genoemd. Vrij laat werd haar rol met Isis gelijkgesteld. Haar echtgenoot was meestal Thoth, de schrijversgod. Als dochter van Re werd zij als de zuster van de farao aangezien.[7]

Faraonische waarde[bewerken]

Alhoewel Maät reeds in het 3e millennium v.Chr. in teksten wordt vernoemd, is de uitdrukkelijke connectie met het farao-ambt van latere datum, vooral in het Middenrijk dan. Elke farao had als hoofdtaak de maät (kosmische orde) in stand te houden, en velen lieten zichzelf afbeelden terwijl ze een klein Maätbeeldje in de hand houden dat ze de goden aanbieden als teken van hun slagen in die opdracht (of althans hun goede bedoeling wat dat betreft). Het was de farao of zijn vertegenwoordiger die gelast was met het voorgeschreven dagelijks ritueel voor de godheden op basis van het principe van maät.

In het Middenrijk[bewerken]

Maät was ook een onderdeel van de faraonische waarden vanaf het Middenrijk. De farao moest staan voor rechtvaardigheid en orde tegenover de onrechtvaardigheid en chaos van de landen buiten de grenzen van het Oude Egypte. Dit begrip ontstond tijdens de Eerste Tussenperiode toen het voor de nomarchen duidelijk werd dat enkel zij de orde en het recht konden handhaven in hun nome. De farao's van het Middenrijk zullen hieraan de gedachte toevoegen dat orde en recht niet alleen in een bepaalde nome moet gehandhaafd worden, maar in heel Opper- en Neder-Egypte, en dat de farao hiervoor verantwoordelijk is. Hierbij komt dat de farao via de godin Maät te weten komt wat rechtvaardig is en wat niet.

De koning is niet langer meer zelf een god of zoon van een god zoals in het Oude Rijk, maar wel de tussenpersoon van Maät met de mensen. Ook de goden moesten zich trouwens houden aan Maät en mochten niet de grenzen van Maät overschrijden. Om de wil van de goden - en dus van Maät - te weten werden er priesters aangesteld die in plaats van de farao de dienst voor de goden onderhielden. De farao moest ondertussen ervoor zorgen dat de orde bewaard bleef in Egypte. De goden werkten constellatief samen om alles in orde te houden en deze samenwerking werd weerspiegeld in de samenwerking van de farao met de priesters. Ieder vormde een geheel in de constellatie van het Oude Egypte.

Nieuwe Rijk[bewerken]

Mat (Egypt).png

Hierin komt verandering met de 18e dynastie die een "Nieuwe Zonnetheologie" invoert, die niet meer uitgaat van een constellatief beeld, maar van de "wil van de god". De connectieve rechtvaardigheid, gebaseerd op solidariteit, waar Maät eerder voor stond, krijgt nu als invulling "de wil van de god". De god kan nu persoonlijk ingrijpen om te doen wat rechtvaardig is en ieder mens kan de god bereiken door persoonlijke vroomheid, door zich rechtvaardig te gedragen. Tijdens het Opetfeest, waarbij de relatie van de farao met zijn goddelijke vader Amon werd gevierd, aan Amon die zijn tempel in Karnak in een bark verliet om die van Luxor te bezoeken, werden tijdens de tussenstoppen aan "kapelletjes" de vragen van gewone Egyptenaren aan de godheid voorgelegd. De priesters van Amon wonnen door deze orakels aan invloed en de farao verloor hierdoor een deel van zijn vroegere macht. Amenhotep IV die deze evolutie wou uitbuiten, veranderde zijn naam naar Echnaton en maakte Aton, een godheid zonder andere verschijngsvorm dan de zonneschijf, tot hoofdgod van het Egyptische pantheon en de diensten aan andere goden werden ondergeschikt aan die van Aton. De enige die de wil van Aton kon kennen, was de farao en hierdoor won Echnaton het faraonische monopolie op de theologie terug. Dit werd hem door de machtige Amonpriesters, die hun macht zagen slinken, niet in dank afgenomen en zij wisten dan ook elk spoor van de laatste koningen van de 18e dynastie uit. Hiermee verzekerden de Amonpriesters zich van hun monopolie op de theologie en dus de gedachtewereld van de gewone Egyptenaren. Tijdens de Late periode heersten de Amonpriesters zelfs over een groot deel van Egypte en werd het erfelijk ambt haast dynastiek gemaakt. Door het vervangen van deze Amonpriesters door Godsvrouwen, kon uiteindelijk worden voorkomen dat er zich een nieuwe dynastie van priesters zou vestigen, daar Godsvrouwen geen kinderen mochten hebben in tegenstelling tot de priesters. De Godsvrouw adopteerde haar opvolgster. Hierdoor kon een nieuwe heerser een van zijn vrouwelijke familieleden Godsvrouw laten maken. Zij heersten nominaal over de Thebaanse regio.

Rol in de mythologie[bewerken]

Zoals de god Thot vervulde Maät een belangrijke rol in de mythologie van Memphis, Heliopolis en Thebe. Ze werden echter niet tot nauwe 'bloedverwanten' gemaakt. Ze bleven enigszins buiten de familiestambomen van de goden die de priesters daar opstelden. In tegenstelling tot Thot werd Maät meer als abstract concept behouden[8]

Attributen en symboliek[bewerken]

Symbool en voornaamste attribuut van Maät is de struisvogelveer, die zij meestal in een haarband op het hoofd draagt en soms in de hand, waarbij de veer haar naam schrijft. Zij wordt meestal zittend afgebeeld (zitten betekent macht hebben in het Oude Egypte en zelfs nog vandaag). In de ene hand houdt zij de scepter en in de andere de Ankh, teken van leven. In veel afbeeldingen draagt Maät vleugels die elk aan een arm vastzitten, die ze dan vaak uitspreidt, op de wijze van Isis. Soms wordt ze ook als vrouw met een struisvogelveer op de plaats van het hoofd afgebeeld. Symboliek en associatie met de struisvogelveer is niet verklaard tot hiertoe, maar dateert waarschijnlijk van predynastische tijd.

Relatie tot andere goden[bewerken]

Er zijn dan wel zo goed als geen mythen over de godin Maät, omdat zij altijd veel meer het abstract concept is gebleven dat zij vertegenwoordigt, maar afbeeldingen zijn er des te meer. Zij komt voor op de meeste vignetten van het Dodenboek, maar ook op muurschilderingen en reliëfs van Aboe Simbel tot de Vallei der Koningen. Soms draagt zij de veer, waaraan ze altijd te herkennen is, niet op het hoofd maar in de hand.

Zij is zo nauw bij Thot betrokken, dat zij in feite als het vrouwelijk tegendeel van deze godheid kan worden gezien.[9] Zij stond met Toth in de bark van Ra toen de zonnegod voor het eerst boven de wateren van de oerruimte van Nu uit rees.

Associatie met het hiernamaals[bewerken]

De oude Egyptenaren hadden verschillende opvattingen over het hiernamaals. Eén daarvan hield in dat na hun dood Maät hun hart zou wegen op een weegschaal met een struisvogelveer (die de waarheid belichaamde) als contragewicht. Als het hart lichter was dan de veer, mocht de dode voortgaan naar de Velden van Iahru; was het hart zwaarder, dan werd de overledene verslonden door Ammit.

De Weegschaal van het Oordeel[bewerken]

Sectie van het Egyptisch Dodenboek op een papyrus die het Wegen van het Hart aangeeft met de veer van Maät als maatgewicht

De Weegschaal van het Oordeel bestaat uit een rechtop staande zuil die gemonteerd is in een mof en met een pen in de vorm van een struisvogelveer die er bovenaan bevestigd is. De veer symboliseert Maät. Aan deze pen, die aan een koord is bevestigd, hangt de Balk van de Schalen met twee platte schalen die er met twee touwen aan bevestigd zijn. In de rechterschaal ligt de veer van Maät, of is een figuurtje de zittende godin afgebeeld, en in de linkerschaal ligt het hart van de overledene dat gewogen wordt. Bovenop de staander zien we ten eerste het hoofd van de godin Maät, of het hoofd van Anpu (Anubis), of dat van een ibis, symbool van Thot, en ten tweede de figuur van een baviaan, een dier dat met Thot wordt geassocieerd en soms zijn naam draagt.[10]

De Raad van Maät[bewerken]

De Hal waarin Maät in haar dubbele vorm zetelde om er de belijdenis van de dode te aanhoren wordt vaak beschreven in verband met hoofdstuk cxxv van het Dodenboek. Het was een zeer ruime hal met een omlijsting bestaand uit uraei en veren van de symbolische maät. Centraal staat een godheid met beide handen over een heilig meer uitgestrekt, en aan ieder uiteinde van de hal zit een baviaan (aapgod Hapi) voor een paar schalen. De achterdeur waarlangs de overledene binnenkwam werd bewaakt door Anubis. Beide deurstijlen hadden een naam die door de overledene op voorhand gekend moest zijn. In de zaal van Maät zoals ze ook genoemd wordt,[11] zetelden de 42 rechters in twee rijen, elk aan een kant van de hal. Zij werden de Raad van Maät genoemd.[7]

42 Assessoren van Maät[12]
in hiërogliefen
'''Usekht nemmat'''
G53 S29 Aa1
W10
D54
X1 Z2
'''H'ept shet'''
V28 Q3
X1
D32 D40 Z9
X1
Q7
'''Fenti'''
D20 M17 M17 A40
'''A'm khaibetu'''
D36 G17 F10 A2 S36 X1 G43 Z3
Neh'a ha'u
N35
M16
G1 Aa2
D40
V28 D36
F51 Z3
Rerti
E23
E23
X1
Z4
Maati_f_em_t'es
D4
D4
I9
Z4
G17 D46
O34
(hieroglyph not found)
N39
Neba'peremkhetkhet
N35
D58 M17
Q7 O1
D21
D54
G17 M3
Aa1 X1
M3
Aa1 D54
Set'k'esu
S29 D46
M44 Z9
D40 T19 Z3
Uatchnes
T5 Y1 N35
F20
Aa8
Q7
Qerti
N29
D21
X1 Z4
N33 N5
O1
Hecha'behu
T5 N5 F18
Z2
A'msenf
(heiroglyph not found) G17 A2 Aa8
N35
I9
D26
Z2
A'mbeseku
(heiroglyph not found) G17 A2 D58 S29 T31 G43 Aa2
NebMa'at
V30 U5
D42
X1 H6 Y1 Z3

De Negatieve Confessie[bewerken]

Voor elk van hen moest de overledene de plechtige eed doen, dat hij een bepaalde schending van de wetten niet had begaan. Men noemt dit de Negatieve Confessie. De namen van de rechters worden genoemd in de Papyrus van Nebseni (Brit. Mus. No. 9.900, blad 30). Na de Negatieve Confessie wendde de overledene zich tot de verzamelde rechters met een opsomming van zijn goede daden. Ten overstaan van Osiris, die hij als "de Heer van de Atefkroon" aanspreekt, verklaart hij de maät te hebben gevolgd en zich met maät te hebben gezuiverd, en dat het geen van zijn leden aan maät ontbreekt. Hij zegt dat hij in het "Veld van de Sprinkhanen" is geweest en gebaad heeft in het bad waarin de zeelui van Ra baden, en beschrijft al wat hij heeft gedaan, zoals het vinden van een scepter van vuursteen in "de Voor van Maät".[13]

Om na een geslaagde beoordeling de juiste weg weer uit de hal te vinden, moest de overledene de magische namen kennen van de deur die naar de regionen van de gezegenden leidde.

Relatie met Justitie[bewerken]

Hagen meldt hierover:[14] Maät leert dat recht onafhankelijk van de macht moet gesproken worden. In Europa leefde de godin verder in de figuur van Justitia, die in de westerse democratieën naast regering en parlement een derde macht werd.

Cultus[bewerken]

In de Montutempel in Karnak was een kleine Maät tempel gebouwd, maar dergelijke heiligdommen voor formele eredienst voor deze godin zijn ongewoon. Wel wordt zij meestal afgebeeld in tempels voor andere goden. De titel 'priester van Maät' werd honoris causa gegeven aan degenen die als magistraat dienst deden of juridische besluiten in haar naam doorvoerden. Zij droegen vaak een kleine gouden afbeelding van de godin ten teken van hun juridische autoriteit.

Theologisch bestond het voornaamste teken van verering van de godin uit een rituele aanbieding door de farao die een kleine afbeelding van Maät in de hand hield en aan de goden aanbood. In de tempels van het Nieuwe Rijk werd dit vooral ten aanzien van Amon, Re en Ptah gedaan.

Maät was in tegenstelling tot andere godheden niet ‘omkoopbaar’, dat wil zeggen dat het principe ‘do ut des’ tegenover haar niet gold. Men handelde ofwel volgens haar richtlijn of ertegen en ondervond daarvan de gevolgen. Maar men kon niet haar hulp inroepen of haar bemiddeling vragen, zoals dat bij andere goden mogelijk was, en dankbeden of smeekbeden en offers waren zinloos.

Toch zijn er bronnen aangaande het tot zich nemen van een sacramentele drank, vergelijkbaar met de Indiase somadrank of de Perzische haoma, die rituele zuiverheid verleende aan degenen die de wet van Maät in acht namen. Egyptische schrijvers uit het 3e millennium v.Chr. schreven: Mijn innerlijke delen zijn gewassen in de vloeistof van Maät.[15]

Egyptische priesters trokken een Veer van Maät, gedipt in een groene vloeistof over hun tong, om hun woorden kracht van waarheid te geven.[16]

Vergelijking met andere culturen[bewerken]

Behalve een mogelijke overeenkomst of relatie met Mut en met de naam Metet, de ochtendbark van de zonnegod, (vertaald als sterker wordend) waardoor zij soms als geboortegodin werd aangezien[1] en met de Romeinse godin Mater Matuta overeenkwam[17] zijn er nog vergelijkbare of verwante concepten of godinnen in andere culturen. Zo noemden de Hettieten Noordelijk Syrië Mat Hatti (Moeder Hatti).[18] Als wetgever van het Oude Egypte kwam Maät overeen met Tiamat uit Babylonië, die de heilige tabletten aan de eerste godenkoning overhandigde.[19] De Maät was wat dat betreft in functie vergelijkbaar met de Me uit Mesopotamië.

Afrikaanse Pigmeeën kennen Maät nog onder de naam die zij in Sumerië droeg als baarmoeder en onderwereld: Matu. Zij was de eerste moeder van God. Zoals haar Egyptische 'zuster' droeg ze soms een kattenhoofd.[20]

In India lijkt het concept maät sterk overeen te komen met dat van de dharma: de natuurlijke orde die in stand dient te worden gehouden.

Literatuur[bewerken]

  • Armour, R.A., Gods and Myths of Ancient Egypt, Am.Univ. of Cairo Press, 2001 ISBN 9774246691
  • Assmann, J., Maât, L'Egypte Pharaonique. Et L'Idee De Justice Sociale, Fuveau, 2000. ISBN 2909816346 (ook in het Duits verschenen onder de titel Ma'at: Gerechtigkeit und Unsterblichkeit im alten Ägypten)
  • Assmann, J., The Search For God In Ancient Egypt, Ithaca (VS), 2001. ISBN 0801437865 (herziene en vertaalde versie van een klassiek werk (Ägypten: Theologie und Frömmigkeit einer frühen Hochkultur) uit 1984.)
  • Bleeker, C.J., De betekenis van de Egyptische godin Ma-a-t, Leiden, 1929. (diss. universiteit van Leiden)
  • Budge, E.A. Wallis From Fetish to God in Ancient Egypt, Dover Publications, Inc. New York, 1988, ISBN 0486258033
  • Budge, E.A. Wallis The Gods of the Egyptians - Studies in Egyptian Mythology, Vol. 1-2, Dover Publications, Inc. New York, 1969, ISBN 0486220559 pag. 418
  • Hagen, Rose-Marie & Rainer, Egypte - Mensen, Goden, Farao's 2005, Taschen Gmbh, Köln ISBN 3822847631 p. 220
  • Hallet, J.-P., 'Pygmy Kitabu, New York: Random House, 1973
  • Mendenhall, G.E., The Tenth Generation, Baltimore, Md: Johns Hopkins University Press, 1973
  • Seligmann, K., Magic, Supernaturalism and Religion, New York, Pantheon Books Inc., 1948,
  • Walker, B.G. (1986):The Woman's Encyclopedia of Myths and Secrets, Harper & Row, Londen, ISBN 006250925X
  • Smith, H., Man and His Gods, Boston, Little, Brown & Co, 1952
  • Wilkinson, Richard H.The complete Gods and Goddesses of Ancient Egypt, Thames & Hudson, London, 2003, ISBN 0500051208

Zie ook[bewerken]

Noten
  1. a b Budge, E.A. Wallis The Gods of the Egyptians - Studies in Egyptian Mythology, Vol. 1, pp. 323, 417
  2. Armour, R.A., Gods and Myths of Ancient Egypt, p. 134
  3. Budge, E.A. Wallis The Gods of the Egyptians - Studies in Egyptian Mythology, Vol. 1, p. 417
  4. Budge, E.A. Wallis The Gods of the Egyptians, Vol. 1, p. 418
  5. (PT 1582)
  6. Budge, E.A. Wallis The Gods of the Egyptians - Studies in Egyptian Mythology, Vol. 1, p. 400
  7. a b Wilkinson, Richard H.The complete Gods and Goddesses of Ancient Egypt, p. 150
  8. Armour, R.A., Gods and Myths of Ancient Egypt, p. 124
  9. Budge, E.A. Wallis The Gods of the Egyptians - Studies in Egyptian Mythology, Vol. 2, p. 416
  10. Budge, E.A. Wallis From Fetish to God in Ancient Egypt, p. 294
  11. Armour, R.A., Gods and Myths of Ancient Egypt, p. 136
  12. Hiërogliefen kunnen worden teruggevonden in Budge The Gods of the Egyptians Vol. 1 p. 419
  13. Budge, E.A. Wallis The Gods of the Egyptians, Vol. 2, p. 420
  14. Hagen, Rose-Marie & Rainer, Egypte - Mensen, Goden, Farao's, p. 220
  15. Smith, p. 49-51
  16. Seligmann, K., Magic, Supernaturalism and Religion, p.39
  17. Walker, B.G. The Woman's Encyclopedia of Myths and Secrets, p.562
  18. Mendenhall, G.E., The Tenth Generation, p.157
  19. Walker, B.G. The Woman's Encyclopedia of Myths and Secrets, p. 561
  20. Hallet, J.-P., 'Pygmy Kitabu, p.95