Zondvloed

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Bijbelse versie van de zondvloed, illustratie van Gustave Doré
De wereld na de zondvloed, Jheronimus Bosch

Zondvloed verhalen komen in meerdere culturen voor. Het woord 'zondvloed', afkomstig van het Middelnederlandse sintvloed, betekent oorspronkelijk aanhoudende vloed, maar doordat het volksetymologisch in verband werd gebracht met het begrip zonde, is het eerste lid vervormd geraakt.

Zondvloed in verschillende culturen en religies[bewerken]

Bijbel[bewerken]

In het eerste boek van de Bijbel, Genesis,[1] wordt een zondvloed beschreven. Er wordt verteld hoe God aan Noach de opdracht geeft een ark te bouwen. Er zal een grote vloed komen die alle leven, mens en dier zal vernietigen omdat er groot onrecht en ongeloof onder de mensen is ontstaan. Van alle dieren neemt Noach een paar aan boord. Nadat Noach met zijn vrouw en kinderen aan boord gegaan is, komt er inderdaad een grote vloed die alles vernietigt. Na honderdvijftig dagen ronddobberen zendt Noach een raaf uit (deze komt niet terug). Dan zendt hij een duif uit om te zien of er al ergens land is. De duif keert eerst terug. De volgende keer dat Noach de duif uitzendt keert het dier terug met een olijftak. De derde keer komt het dier helemaal niet meer terug. Zo weet Noach dat de wereld weer bewoonbaar is. Uiteindelijk strandt Noach in het Ararat gebergte.[2] De identificatie met de berg Ağri Daği in Turkije is middeleeuws. Volgens de traditie is Noach op de gelijknamige berg op de grens van het huidige Turkije en Armenië gestrand, hoewel steeds meer theologen geloven dat het één van de andere bergen in het Ararat-gebergte is, zoals de berg Cudi Dagh. Van Noachs drie zoons stammen alle latere mensen af. Van Sem zouden de Semieten, van Cham de negroïde mensen en van Jafet de mensen van Europa, Noord- en Oost-Azië en Amerika afstammen.

Na afloop van de zondvloed werd de regenboog door God ingesteld als teken dat er geen zondvloed meer zou plaatsvinden. Orthodoxe joden zullen, als ze een regenboog zien, altijd een kort gebed, een broche, als dank uitspreken.

Koran[bewerken]

Een zondvloed wordt ook genoemd in verschillende soera's van de Koran, zoals in soera Jonas 73. De strekking van deze ayaat is doorgaans dat het gewaarschuwde volk van Nuh niet luisterde en verklaarde Gods tekenen voor leugen, waarna God hen liet verdrinken. In tegenstelling tot de Bijbelse visie van een algehele overstroming van de hele aarde, wijst tafsir van de Koran uit dat het slechts betrekking heeft op het gewaarschuwde volk van Nuh.

Soera De Gelovigen geeft de geschiedenis van Nuh. Hierin is sprake van de Goddelijke opdracht tot de bouw van een schip en de soera maakt verder duidelijk dat ook de Koran uitgaat van het samenbrengen van tweetallen van alle wezens.

Een andere zondvloedvertelling is te vinden in de vijftiende-eeuwse Dürr-i Meknûn van Ahmed Bican Yazıcıoğlu. Kenan, een van de zonen van Nuh, weigert mee te gaan met de Ark. Hij probeert daarop de zondvloed op eigen houtje te overleven in een soort duikerklok. Deze ongehoorzaamheid wordt door God zwaar bestraft met een bovennatuurlijke blaasontsteking en Kenan verdrinkt in zijn eigen urine in de duikerklok.[3]

Sumerisch[bewerken]

Kleitablet met op tablet 11 van het Gilgamesj-epos een zondvloedverhaal

De Bijbel en de Koran zijn niet de enige bronnen van dit verhaal, het verhaal van de grote overstroming komt in vele culturen voor. Uit veel oudere geschreven bronnen, bijvoorbeeld het Sumerische Gilgamesj-epos (met daarbinnen het zondvloedverhaal van Oetnapisjtim) en het nog oudere Atrahasis-epos is het ook bekend, met uitgestuurde vogel en al. De Sumerische geschiedkundige bronnen bevatten een lijst met koningen waarvan de eerste dynastieën van voor de zondvloed stammen.
Een fragment van tablet 7 van het Gilgamesj-epos is gevonden in Megiddo, bij Haifa in Israël.

Masai (Oost-Afrika)[bewerken]

De Masai vertellen van Tumbainot, een rechtvaardig man, die een vrouw genaamd Naipande had en drie zonen: Oshomo, Bartimaro, en Barmao. De wereld was dichtbevolkt, maar de mensen waren zondig en dachten niet aan God. Toch moordden zij elkaar niet, totdat een man genaamd Nambija een andere man, Suage, doodsloeg. God besloot daarom de mensheid te verwoesten, maar Tumbainot vond genade in Zijn ogen. God gebood Tumbainot een ark te bouwen en die met vrouw en kinderen en dieren van iedere soort te betrekken. Nadat ze aan boord gegaan waren, zorgde God voor een langdurige regenval die voor een overstroming zorgde. Mens en dier stierven uit. De ark dreef een lange tijd en het voedsel erin begon op te raken. Toen de regen stopte zond Tumbainot een duif uit om te kijken of de aarde al droog was. De duif kwam vermoeid terug. Een aantal dagen later liet hij een gier los met een pijl aan een vleugel, zodat de pijl bij het landen zou blijven haken aan gewassen en wat mee zou nemen. De gier keerde terug zonder pijl. Toen de vloed voorbij was landde de ark op de steppe, en de inzittenden stapten uit. Tumbainot zag vier regenbogen, één in elke hoek van de hemel, waardoor hij wist dat Gods toorn voorbij was.

Indiaas[bewerken]

In India is een zondvloedverhaal bekend uit de Shatapatha Brahmana, een appendix van de Veda's, met Manu in de rol van Noach of Utnapishtim. Op grond van dit verhaal heeft men berekend dat de zondvloed daar in 3102 v.Chr. plaats gehad zou hebben, maar die datum wordt ook wel gezien als de tijd van de grote Bharata-oorlog, die later plaatsgevonden zou hebben. Dit wordt beschreven in het belangrijkste Indiase epos de Mahabharata.

Grieks[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Griekse zondvloedverhalen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de Griekse mythologie komen er drie zondvloedverhalen voor.

Ook Plato schrijft in zijn dialogen Timaeus en Critias over een reeks zondvloeden die zouden hebben plaatsgevonden. Bij een van deze zondvloeden zou het eiland Atlantis zijn verwoest.

Eskimo's (Herschel-Eiland)[bewerken]

Veel Eskimo-stammen vertellen een vergelijkbaar zondvloedverhaal. De Eskimo's van Herschel-Eiland vertellen over Noah die alle dieren uitnodigde om in zijn ark te komen en gered te worden. De mammoeten geloofden echter niet dat er een grote vloed zouden komen en dachten dat hun poten lang genoeg waren om het te overleven. Ze bleven buiten de ark en stierven uit. De andere dieren geloofden Noah en werden gered.

Altaisch (Centraal-Azië)[bewerken]

In de Altaïsche cultuur spreekt men over Tengys (oftewel Zee) die ooit heer over de aarde was. Nama, een goede man, leefde tijdens zijn bewind met drie zonen, Sozun-uul, Sar-uul, en Balyks. Ülgen gebood Nama een ark (kerep) te bouwen, maar Nama liet het zijn zoons doen omdat hij slecht kon zien. Nama ging de ark in met zijn familie en vele soorten dieren en vogels die ronddreven door het stijgende water. In deze mythe liet Nama zijn oudste zoon het raam openen om rond te kijken, waarop de zoon enkel de pieken van bergen zag. Uiteindelijk stopte de ark tussen acht bergen. Ook in dit verhaal komen vogels voor, want Nama laat een raaf, een kraai en een roek los, maar geen één keerde terug. Op de vierde dag liet hij een duif los, die terugkwam met een takje.

Amerikaans[bewerken]

Interessant is ook dat toen de Spanjaarden in Amerika kwamen en zij missionarissen meenamen die de plaatselijke indiaanse bevolking probeerden te bekeren, deze indianen het verhaal van de vloed al bleken te kennen.[bron?]

Blijkbaar geloofden de Lakota-indianen dat de mensheid de vloed had overleefd doordat een vrouw door een adelaar op een hoge berg werd gebracht, en zij vervolgens een tweeling kreeg waar de Lakota's zouden van afstammen.

Zondvloed, wetenschap en pseudowetenschap[bewerken]

Tegenwoordig is de gedachte van de zondvloed als een wereldomvattende catastrofe binnen de geologie op de achtergrond geraakt. Maar als lokale ramp wordt ze toch nog wel gebruikt.
Een nieuwe theorie is dat de zondvloed een reeks megatsunami's was die door de Burckle-inslag veroorzaakt was. Een andere hypothese is dat het onderlopen van de Zwarte Zee na de ijstijd een bron is geweest van zondvloedverhalen.

Nuvola single chevron right.svg Zie Zwarte Zee, overstroming na de ijstijd voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Andere, meer traditionele theorieën gaan ervan uit dat het verhaal van de zondvloed gebaseerd is op een uitzonderlijk grote overstroming van de Eufraat en de Tigris in Mesopotamië.

Tegenwoordig is er nog steeds een minderheid van orthodoxe christenen die uitgaat van een letterlijke wereldwijde zondvloed als verklaring voor de bodemlagen (zie ook het jongeaardecreationisme). Een aantal van hen heeft een academische achtergrond, doch slechts een enkeling heeft deskundigheid in de relevante vakgebieden. Met hun hypotheses trachten zij het natuurlijke bewijsmateriaal in overeenstemming te brengen met orthodoxe bijbelinterpretatie. Deze hypotheses worden daarom beschouwd als pseudowetenschap. Een bekende pseudowetenschappelijke theorie waarin de zondvloed een grote rol speelt is de hydroplaattheorie. In de, als pseudowetenschappelijk beschouwde, zondvloedgeologie zijn ook andere hypothesen geformuleerd, zoals de "catastrophic plate tectonics"-theorie van John Baumgardner. Geen enkele van deze hypothesen is in staat de geologische feiten te verklaren. Hierbij geldt dat enkele technisch gezien onmogelijk zijn, zoals de vapor canopy en de hydroplaattheorie. Anderen kennen een groot gebrek aan bewijs, zoals de solid canopytheorie en het collapse tectonics model.

Het grootste bezwaar tegen zondvloedgeologie volgt uit datering, met name radiometrische datering van gesteentes.

Trivia[bewerken]

Galerij[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Referenties[bewerken]

  1. Genesis 6:5 tot 9:25 NBV
  2. Gen 8:4 - BIBLIJA.net/BijbelOnline - Nederlands Bijbelgenootschap
  3. Ahmed Bican Yazıcıoğlu, Dürr-i Meknûn. Kritische Edition mit Kommentar, Asch 2007.

Externe links[bewerken]