Zondvloedgeologie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Tekening van een Mioceen fossiel van een reuzensalamander Andrias scheuchzeri, door de Zwitserse natuuronderzoeker Johann Jakob Scheuchzer (1672-1733). Scheuchzer zag in het fossiel een mensenkind dat tijdens de zondvloed was omgekomen (homo diluvii testis).

Zondvloedgeologie is de theorie dat geologische fenomenen te verklaren zijn met de Bijbelse Zondvloed. Deze visie was tot het einde van de 18e eeuw wetenschappelijk gangbaar, tegenwoordig wordt ze aangehangen door jongeaardecreationisten maar door wetenschappers gezien als pseudowetenschap.[1]

Geschiedenis[bewerken]

De natuuronderzoekers van de 17e eeuw zagen geen reden te twijfelen aan een letterlijke interpretatie van het Scheppingsverhaal zoals dit in het boek Genesis staat. Dikke lagen sedimentaire gesteenten en fossielen werden gezien als overblijfselen van de zondvloed. Nauwkeuriger studie van gesteenten maakt echter onwaarschijnlijk dat de stratigrafische colom te verklaren valt met één enkele gebeurtenis. Georges Cuvier (1769 - 1832) stelde daarom dat er meerdere zondvloeden waren geweest, in elk werd bijna al het leven op Aarde vernietigd (catastrofisme). Tegelijkertijd kwam de uniformiteitsleer van James Hutton (1726-1797) en Charles Lyell (1797-1875) op, die nog veel verder gaat en stelt dat gesteenten geleidelijk gevormd worden over lange tijdsduren. Door de studies naar afzettingen uit glaciale periodes door Louis Agassiz (1807 - 1873) en William Buckland (1784 - 1856) raakte vloedgeologie steeds verder buiten beeld. Tegenwoordig is de uniformiteitsleer de wetenschappelijke standaard.

Zondvloedgeologie in het creationisme[bewerken]

Ook nu wordt zondvloedgeologie nog steeds aangehangen door jongeaardecreationisten, die een berekening van de ouderdom van de Aarde aan de hand van de Bijbel (zo'n 6000 jaar) door James Ussher (1581-1656) als waarheid beschouwen. Zij proberen natuurfenomenen die niet in overeenstemming met de uniformiteitsleer zijn uit te lichten en wijzen fundamentele aannames in de kernfysica, stratigrafie, biologie en mineralogie af omdat deze niet in overeenstemming zijn met een letterlijke interpretatie van de Bijbel.

Zondvloedgeologie is de afgelopen eeuwen wetenschappelijk gezien nooit een factor van betekenis geweest vanwege de vele aannames die creationisten nodig hebben om natuurfenomenen te verklaren. Via Ockhams scheermes[bron?] wordt jongeaardecreationisme daarom door de wetenschappelijke gemeenschap afgewezen als pseudowetenschap.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Schadewald, Robert J. (Summer 1982). Six Flood Arguments Creationists Can't Answer. Creation/Evolution Journal 3 (3): 12–17 (National Center for Science Education). Geraadpleegd op 16 November 2010.
    Scott, Eugenie C. (januari/februari 2003). My Favorite Pseudoscience 23 (1) .