Natuurlijke historie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Tekening van fossiele kaken van een Mosasaurus (Mosasaurus Hoffman) door Pieter Harting (Album der natuur, 1866).
Plaat uit Ephraim ChambersCyclopaedia (1728).

Natuurlijke historie is een algemene term die gebruikt wordt om een groot aantal natuurwetenschappen mee aan te duiden. In engere zin wordt met natuurlijke historie vooral het onderzoek naar de levende natuur (biologie, waaronder zoölogie en botanie) bedoeld, soms samen met onderzoek naar de levenloze en dode natuur (aardwetenschappen, waaronder mineralogie, meteorologie, geologie en paleontologie). Soms wordt aan natuurlijke historie een veel ruimere definitie gegeven, waarbij ook scheikunde, natuurkunde, sterrenkunde en zelfs archeologie hiertoe behoren.

De term is afkomstig uit de tijd dat de natuurwetenschappen nog niet gespecialiseerd waren en dezelfde onderzoeker zich met uiteenlopende disciplines kon bezighouden. Vaak is het moeilijk deze personen een specifieke specialisatie toe te kennen. Een geleerde kon in de 17e en 18e eeuw bijvoorbeeld zowel vulkanoloog als ornitholoog zijn. De 17e- en 18e-eeuwse onderzoekers van de natuurlijke historie worden natuuronderzoekers of natuurvorsers genoemd.

Geschiedenis[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie wetenschapsgeschiedenis voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De wortels van natuurlijke historie gaan terug tot Aristoteles en andere antieke filosofen die de natuur en natuurverschijnselen op een rationele manier probeerden te verklaren. Van de Oude Grieken tot de tijd van Carolus Linnaeus (1707 -1778) en andere 18e-eeuwse natuurvorsers werden de verschillende takken van natuurlijke historie als één geheel gezien, verbonden door de scala naturæ (ladder van de natuur). Deze scala naturæ verbond en ordende mineralen, planten, dieren, mensen en bovennatuurlijke wezens volgens een lineaire schaal van steeds grotere perfectie. In het middeleeuwse Europa veranderde aan deze gedachte niet veel, het wereldbeeld van Aristoteles werd in de christelijke filosofie ingepast door filosofen als Thomas van Aquino, wat de basis vormde voor de natuurlijke theologie.

In de Renaissance keerden geleerden terug naar het direct waarnemen van de natuur, en velen legden collecties van mineralen, planten of fossielen aan. Geliefd in zulke collecties waren "exotische" objecten of "monsters" (misvormde dieren of planten). Het aantal bekende soorten steeg snel en dit leidde tot behoefte aan een classificatie. Hieruit ontstond door werk van onder andere Linnaeus de moderne taxonomie.

In de 18e en 19e eeuw werd met natuurlijke historie alle beschrijvende studie van de natuur bedoeld, ter onderscheid van politieke of religieuze historie (geschiedenis). Natuurlijke historie ging hand in hand met natuurfilosofie, de analytische studie van de natuur. Het besloeg uiteenlopende aspecten van de natuur, van sterrenkunde tot biologie, van natuurkunde tot archeologie.

Naarmate meer theorieën en ontdekkingen gedaan werden, begon het onderzoek zich echter te specialiseren. Scheikunde, sterrenkunde en natuurkunde konden in de 18e eeuw al als aparte vakgebieden worden beschouwd. Later ontstonden onderzoeksrichtingen als fysiologie, botanie, zoölogie, geologie, kristallografie, cytologie en embryologie. Natuurlijke historie, voordien nog het hoofdonderwerp dat in colleges aan universiteiten werd gedoceerd, werd door de onderzoekers van de gespecialiseerde richtingen steeds meer gezien als een soort “hobbyisme”, geen echte wetenschap. Deze minachting onder de professionele onderzoekers leidde onder verzamelaars ook tot een grotere specialisatie. Vooral in het Groot-Brittannië van de Victoriaanse tijd was het onder de elite een populaire hobby specialistische verzamelingen aan te leggen, zoals van opgezette vogels, vlinders of bloemen. Veel van deze verzamelingen zijn de basis geweest van collecties van moderne natuurhistorische musea.

Door de opkomst van de evolutietheorie aan het einde van de 19e eeuw en de moderne synthese en ecologie in de 20e eeuw kregen de specialisatierichtingen binnen de biologie weer een gezamenlijke achtergrond. Tegelijkertijd gaat de specialisatie, net als in alle wetenschappen, steeds verder.

Skelet van een Brachiosaurus in het Museum für Naturkunde in Berlijn

Natuurhistorische musea[bewerken]

Er zijn musea die zich hebben gespecialiseerd in de natuurlijke historie. Deze natuurhistorische musea hebben collecties dieren, planten, mineralen en fossielen. Behalve deze aan het publiek te tonen proberen ze meestal ook aan de hand van hun collecties voorlichting over de werking van de natuur te geven. Natuurhistorische musea verrichten ook vaak onderzoek, waarover in wetenschappelijke tijdschriften wordt gepubliceerd.

Een aantal bekende natuurhistorische musea zijn het Natural History Museum in Londen, het Naturhistoriska riksmuseet in Stockholm, het Museum für Naturkunde in Berlijn, de California Academy of Sciences in San Francisco, het Field Museum of Natural History in Chicago, het Harvard Museum of Natural History in Cambridge (Massachusetts), het Smithsonian National Museum of Natural History in Washington D.C., het Musée national d'histoire naturelle in Luxemburg, het Muséum national d'histoire naturelle in Parijs, het Royal Ontario Museum in Toronto, het Canadian Museum of Nature in Ottawa, het Arizona-Sonora Desert Museum in Pima County (Arizona) en het American Museum of Natural History in New York City. In Nederland zijn het Zoölogisch Museum Amsterdam, het Natuurhistorisch Museum Rotterdam en Naturalis in Leiden bekende natuurhistorische musea. Het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen is een natuurhistorisch museum in Brussel.

Natuurhistorische musea ontstonden vaak uit privécollecties of naturaliënkabinetten. Ze speelden en spelen een belangrijke rol bij biologisch, paleontologisch en mineralogisch onderzoek en onderwijs. Vanaf de 19e eeuw begonnen onderzoekers de collecties van de musea te gebruiken als studiemateriaal voor gevorderde studenten en als basis voor onderzoek.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Literatuur

  • Kohler, R.E., 2002: Landscapes and Labscapes: Exploring the Lab-Field Border in Biology, University of Chicago Press, Chicago.
  • Mayr, E., 1982: The Growth of Biological Thought: Diversity, Evolution, and Inheritance, The Belknap Press of Harvard University Press, Cambrigde.
  • Rainger, R., Benson, K.R. & Maienschein, J. (redactie), 1988: The American Development of Biology, University of Pennsylvania Press, Philadelphia.
  • The Great Naturalists; onder redactie van Robert Huxley; Thames & Hudson (2007); ISBN 0-500-25139-8