Eber (Hebreeuwse Bijbel)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Eber of Heber (I Kronieken 18, Genesis 11,17) was een afstammeling van Sem, de oudste zoon van Noach. De namen Hebreeër en Hebreeuws zouden naar hem genoemd zijn.[1][2] Sommige tradities ondersteunen een etymologische identificatie van de Bijbelse Heber met de pre-koranistische profeet Hud[3].

Bronnen, noten en/of referenties
  1. J. Schoneveld bij 1 Kron 1: Heber is de stamvader van de naar hem genoemde Hebreeën.
  2. B.J.Oosterhoff bij I Samuel 4:6: De betekenis van het woord Hebreeën staat niet vast. Het duidt niet alleen Israël aan maar ook aanverwante stammen zoals Edomieten en Moabieten. Met name is het een benaming voor Israëlieten door vreemden. Vaak identificeert met de Hebreeën met de Chabiru uit de Amarna-brieven, geschreven in spijkerschrift op kleine tabletten, door de koningen van Kanaän aan de Egyptische farao's (14e eeuw). Hieronder verstaat men een groep vreemdelingen die geen vaste woonplaats hebben. Het woord Hebreeën duidt volgens sommigen aan dat de Israëlieten van over de Jordaan het land Kanaän zijn binnengekomen en dar oorspronkelijk niet hebben thuisgehoord. Of betekent het woord eenvoudig 'rondtrekkenden' zonder meer?
  3. The Columbia Encyclopedia, Sixth Edition. Copyright 2008 Columbia University Press