Personalisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Personalisme is een stroming in de filosofie die de "persoon" als hoogste vorm van "zijn" beschouwt. Deze variant van persoonlijk idealisme bloeide in de Verenigde Staten, vooral aan de Universiteit van Boston. Volgens het personalisme komt de hoogste mate van werkelijkheid en waarheid tot uitdrukking in de "persoon". Alleen een "persoon" heeft een vrije wil, alleen een "persoon" heeft waarde en alleen een "persoon" is ontologisch "waar" dat wil zeggen existent (bestaand). Personalistische opvattingen keren zich tegen het materialisme en wijsgerig naturalisme.

De filosofische wortels van deze stroming zijn terug te voeren op Berkeley en Leibniz. De term zelf is afkomstig van de Duitse theoloog en filosoof Friedrich Schleiermacher die personalisme in 1799 gebruikte om het geloof in een persoonlijke God aan te duiden, dit in tegenstelling tot het pantheïsme. Aan het eind van de 19e eeuw dook de term op in zijn huidige wijsgerige betekenis bij de Fransman Charles Renouvier (1903) en de Amerikaan Borden Parker Bowne (1908) met drie van zijn leerlingen: Albert Knudson (1873-1953), Ralph Flewelling (1871-1960) en in het bijzonder Edgar Sheffield Brightman (1844-1953). Veel personalisten hebben aan hun filosofie een christelijke invulling gegeven, zowel protestanten (Parker Bowne, Kohnstamm, De Rougemont) als katholieken (Dondeyne, Guardini, Kocbek, Mounier).

Het Europese personalisme heeft onder meer invloed ondergaan van het neothomisme (met name Jacques Maritain) en de levensfilosofie van Henri Bergson. Op zijn beurt beïnvloedde het personalisme het communitarisme.

In Nederland heeft het personalisme invloed gehad op de Nederlandse Volksbeweging (1945-1951). De beweging ontwikkelde haar eigen personalistisch socialisme, dat vorm moest geven aan het nieuwe Nederland van na de bevrijding.

Personalisten[bewerken]