95 stellingen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Twee bladzijden uit de 95 stellingen. Disputatio pro declaratione virtutis indulgentiarum, Martin Luther, Wittenberg: Melchior Lotter d.J., 1522.

De 95 stellingen werden in 1517 door Luther geformuleerd in een brief aan zijn bisschop en aartsbisschop als reactie op de aflaathandel van Johann Tetzel, een dominicaans priester. Luther werd als biechtvader geconfronteerd met mensen die hun zonden kwamen biechten en daarna hun aflaten lieten zien, zodat Luther hun geen boetedoening kon opleggen. De aflaat was een kwijtschelding van tijdelijke straffen van reeds vergeven zonden door de paus. Luther wilde de misstanden aanklagen en rechtzetten en ging ervan uit dat de paus het misbruiken van de aflaathandel ook zou veroordelen.

Vastgespijkerd?[bewerken]

Schilderij in de traditie dat Luther zijn stellingen aan de kerkdeur zou hebben gespijkerd. Ferdinand Pauwels, 1872.
19e-eeuwse deur van de Slotkerk te Wittenberg met daarop de tekst van de 95 stellingen die Luther volgens de overlevering op 31 oktober 1517 daarop openbaar zou hebben gemaakt

De hervormer Philipp Melanchthon schreef in het voorwoord van Luthers verzamelde werken, dat Luther de 95 stellingen tegen de aflaat had aangeplakt aan de slotkerk te Wittenberg, op 31 oktober 1517. Het beeld van Luther die de 95 stellingen in het Latijn aan de deur van de slotkerk te Wittenberg vastspijkert, heeft een grote rol gespeeld in de Lutherverering in de 19e eeuw. Melanchthon is echter waarschijnlijk geen ooggetuige geweest, want hij was pas in 1518 als hoogleraar aan de Wittenbergse universiteit aangesteld.

De katholieke Lutheronderzoeker Erwin Iserloh beweerde in 1961 in het openbaar dat het aanslaan van de stellingen een legende was. Deze stelling wordt onderbouwd in zijn boek.[1] Sindsdien is er echter een vroegere getuigenis van het aanslaan van de stellingen gevonden,[2] gedaan tijdens Luthers leven door zijn secretaris Georg Rörer, hoewel dit wellicht ook geen sluitend bewijs levert.[3]

Veronderstelde argumenten tegen[bewerken]

De volgende argumenten komen volgens de katholieke Erwin Iserloh in aanmerking om aan te tonen dat het aanslaan van de stellingen (tegen de katholieke leer) aan de deur van de kerk een legende is:

  • Luther dacht eerst dat de aflaatpredikers eigenmachtig optraden, zonder medeweten van bisschop of aartsbisschop, en tegen de wil van de paus in.
  • Toen Luther echter de 'Instructio summaria' van de aartsbisschop in handen kreeg, wist hij dat de aflaatprediking in overeenstemming was met de officiële instructies.
  • Daarom stuurde hij op 31 oktober 1517 een brief aan zijn plaatselijke bisschop, Hiëronymus Schulz van Brandenburg en tot de Maagdenburgse aartsbisschop Albrecht, waarin Luther de aartsbisschop verzoekt de 'Instructio summaria' te herroepen. Deze brief is bewaard gebleven.

De stellingen waren bij de brief ingesloten en Luther vraagt een dringende verheldering van de leer over de aflaten door de theologen.

  • Op deze brief komt Luther later nog vaak terug, bijvoorbeeld in een brief aan paus Leo X in mei 1518 en in een brief aan zijn keurvorst Frederik de Wijze op 21 november 1518.
  • In de brief aan Frederik de Wijze stelt Luther expliciet dat hij alleen bisschop Hiëronymus Schulz van Brandenburg en aartsbisschop Albrecht met voorgenoemde brief op de hoogte had gebracht van de misbruiken van de aflaathandel, en dat zelfs zijn vrienden niet op de hoogte waren.
  • Pas toen hij geen antwoord kreeg van bisschop Hiëronymus Schulz van Brandenburg en aartsbisschop Albrecht, maakte Luther de stellingen bekend aan geleerde mannen binnen en buiten Wittenberg.
  • Het aanslaan van de stellingen aan de deur, zonder een antwoord op zijn brief aan bisschop Hiëronymus Schulz van Brandenburg en aartsbisschop Albrecht af te wachten, zou als een provocatie beschouwd worden. Luther wilde juist provocatie en geweld voorkomen en vertrouwde op de goede bedoelingen van de paus.
  • Er heeft nooit een openbare discussie over de stellingen plaatsgevonden, wat de bedoeling geweest zou zijn van het aanslaan van de stellingen aan de kerkdeur.
  • De 95 stellingen waren in het Latijn opgesteld, en konden dus niet door de gewone mensen gelezen worden, waarvan overigens de overgrote meerderheid nog steeds ongeletterd was. Met andere woorden, ze waren louter bestemd voor theologen en geestelijken.
  • Er is geen oorspronkelijke uitgave van de stellingen gevonden, ze werden gepubliceerd op verschillende plaatsen, zonder toedoen van Luther.
  • In een van zijn tafelgesprekken vertelt Luther dat hij na Allerheiligen ontsteltenis heeft gewekt bij zijn collega Hiëronymus Schurff, toen hij zei dat hij tegen de aflaten wilde schrijven. Dus kon Luther deze niet reeds op Allerheiligen aangeplakt hebben.
  • Pas op 11 november 1517 stuurt Luther de stellingen aan zijn vriend, prior Johannes Lang te Erfurt, met de vraag of hij en zijn medebroeders er hun mening willen over geven.

Luthers bedoeling[bewerken]

Luther heeft zijn plaatselijke bisschop, Hiëronymus Schulz van Brandenburg, en de aartsbisschop Albrecht, de tijd gegeven om te reageren. Luther stuurde dus in het begin niet aan op een breuk met de kerk, maar op het uit de weg ruimen van misstanden en dwalingen die aanwezig waren in de kerk.

Belangrijke misstand of dwaling was de aflaathandel, waarmee mensen door een aflaat te kopen vergeving van zonden zouden ontvangen, en dat zelfs konden afkopen van reeds overleden mensen.

Stelling 1: "Daar onze Heere en Meester, Jezus Christus zegt: ,Doet boete',enz. math 4:17[4] eist Hij, dat het gehele leven van Zijn gelovigen op aarde, een gestadige en gedurige boete zij!"

Vaak werd er verkeerd gedacht dat boete en berouw niet nodig waren, als men maar een aflaatbrief kocht. In werkelijkheid ging de aflaat over tijdelijke straffen in het vagevuur, aldus de katholieke leer.

Stelling 36: "Iedere Christen, die waarlijk berouw en boete over zijn zonden gevoelt, heeft volle vergeving van pijn en schuld, welke hem ook zonder aflaatbrieven is toegezegd."

Een aflaatbrief helpt dus niemand. Wanneer er waarlijk berouw is over het bedreven kwaad is er geen aflaatbrief nodig.

Publicatie[bewerken]

De stellingen werden rond de jaarwisseling 1517/1518 gedrukt te Leipzig, Neurenberg en Bazel. In Duitsland en de hele wereld vonden de stellingen weerklank: ze waren de verwoording van reeds lang smeulende vragen en ontevredenheid bij de bevolking.

Sommigen denken dat Luther deze plotse verspreiding van de stellingen betreurde, omdat ze voor de geleerden zouden zijn bestemd. Dit is echter in tegenstelling tot juist het opzoeken van het volk, dat Luther deed. Door de stellingen aan de kerkdeur te bevestigen, de Bijbel in het Duits te vertalen en overal waar hij kwam het volk toe te spreken.

Tegenstand vanuit de Rooms-katholieke kerk[bewerken]

Luther ondervond veel tegenstand bij het uiten van zijn gedachtegoed. Verschillende malen is hij verzocht zijn boeken en ongeveer de helft van zijn stellingen te herroepen. Eerst werd er door de Paus (Leo X) in Rome verzocht om dit in Rome te doen maar Luthers vrienden raadden hem ernstig aan om niet te gaan. Ze wijzen hem op Johannes Hus die ook in goed vertrouwen naar Konstanz reisde, maar is geëxecuteerd.

Ook in Duitsland wilde Luther niet herroepen. Op de Rijksdag te Worms in 1521 bij Karel V, wordt Luther op last van de paus weer verzocht te herroepen. Hier heeft Luther eerst een rede in het Duits gegeven en vervolgens in het Latijn omdat de Keizer een hekel aan het Duits had en hem moeilijk kon volgen.

Hier gaf Luther aan dat wanneer hij naar sommige personen te scherp is geweest, hij dat wil terugnemen. Wat echter de waarheid betreft, die kan en mag hij niet herroepen. In pausen en concilies gelooft hij niet, omdat het al zo dikwijls was gebleken dat die gedwaald hebben. Alleen wanneer men hem uit de Bijbel kon overtuigen, dat hij dwaalde, zou hij herroepen. Maar dat moet dan alleen uit de Bijbel bewezen worden.

Enkele dagen later is Luther vogelvrij verklaard. Dat betekende dat iedereen hem ongestraft doden mocht. Alle boeken die Luther geschreven had, moesten verbrand worden. Dit is bekend geworden als het Edict van Worms.

Door de goedgezinde keurvorst van Saksen, Frederik de Wijze, is Luther in bescherming genomen. Hier heeft hij een tijd vertoefd op de Wartburg (kasteel).

Later, na het Concilie van Trente, werden de misbruiken rond aflaten in de Katholieke Kerk eindelijk aangepakt. Luther was toen al gestorven, en had al eerder met vele andere leerstellingen gebroken.

Externe links[bewerken]

Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Disputatio pro declaratione virtutis indulgentiarum op Wikisource
Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina De Engelse vertaling van de 95 stellingen op Wikisource
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Joseph Lortz en Erwin Iserloh, Beknopte geschiedenis van de reformatie (Oorzaken - verloop - invloed), J.H.Gottmer, Haarlem, 1971
  2. Did Luther nail the 95 Theses to the church door in Wittenberg?, 07-04-2010, opgehaald 28-04-2011
  3. Neuer Beleg für Luthers Thesenanschlag, Der Spiegel, 1 februari 2007
  4. Matthéüs 4:17