Brief van Barnabas

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Brief van Barnabas is een vroeg tweede-eeuws, in het Grieks opgesteld christelijk geschrift dat niet in de Bijbel is opgenomen. In de brief van Barnabas wordt de auteur niet genoemd. In de Oudheid is deze brief, naar men denkt onterecht, aan Barnabas toegeschreven en wordt gerekend tot de geschriften van de Apostolische Vaders. Het oudste en beste handschrift dat van de tekst is overgebleven, is de Codex Sinaïticus uit ca. 350.

Ouderdom en context[bewerken]

De apostel Barnabas wordt in onze tijd niet meer beschouwd als de schrijver van de brief. Men gaat uit van een ontstaan in de tweede eeuw, en toen zal Barnabas niet meer in leven geweest zijn.

Justinus Martyr, Irenaeus van Lyon en Tertullianus hebben soms een overeenkomstige gedachtegang als deze brief, maar dat kan ook betekenen dat ze deze gedachten aan dezelfde bron ontlenen. Clemens van Alexandrië citeerde er uit, Eusebius van Caesarea en Hiëronymus van Stridon kenden het, maar vonden niet dat het onderdeel uitmaakte van de Bijbel. De brief zelf geeft geen informatie van de herkomst. Over het algemeen denkt men uit Alexandrië, omdat Clemens er daar in 200 al een soort commentaar op schrijft. Wat de datum betreft, maakt de brief melding van plannen om de tempel te herbouwen. Deze was in 70 verwoest, en na 136 was herbouw ondenkbaar. De brief zal dus tussen 70 en 136 geschreven zijn. De brief stond in ieder geval rond 325 al zo hoog in aanzien, dat ze in de Codex Sinaïticus werd opgenomen. Tot de ontdekking van de Codex Sinaïticus was men aangewezen op acht Griekse handschriften die teruggingen op één origineel en die begonnen bij hoofdstuk 5, vers 7. Voor het ontbrekende gedeelte was men aangewezen op een Latijns handschrift.

Thema en inhoud[bewerken]

De christelijke kerk had (voor een deel) dezelfde Bijbel als de joodse synagoge. De twee groeiden echter steeds verder uit elkaar. De brief van Barnabas gaat over de christelijke uitleg van het Oude Testament. Volgens de brief ligt de oplossing erin het Oude Testament te beschouwen als een profetie over Jezus, en de teksten eventueel op allegorische, overdrachtelijke wijze uit te leggen.

  • Samenvatting
  1. Begroeting
  2. God heeft door de profeten gezegd dat hij geen slachtoffers of brandoffers wil.
  3. God wil geen vasten; het gaat om de binnenkant.
  4. Let op! We leven in de eindtijd
  5. De profeten spraken over Christus,
  6. Alles is klaar, we mogen toetreden tot een blije viering van het veerbond,
  7. De tabernakeldienst was een voorafschaduwing van wat met Christus zou gebeuren.
  8. Nog een voorbeeld
  9. Niet je lichaam, maar je zondige hart laten besnijden.
  10. Geestelijke betekenis van reine en onreine dieren.
  11. God voorspelde het water van de doop.
  12. God voorzegde de kruisiging.
  13. Wij hebben deel aan het verbond
  14. Israël is het verbond kwijt.
  15. De zondag in plaats van de sabbat.
  16. Geen tempel kan God omvatten, zo groot is God. Mensen zijn Gods tempel.
  17. Eerste slot
  18. Er zijn twee wegen; de weg van de duisternis en de weg van het licht.
  19. De weg van het licht
  20. De weg van de zwarte.
  21. Oproep tot gehoorzaamheid
  22. SLOT

Literatuur[bewerken]

  • Apostolische Vaders 2; Dr A.F.J. Klijn, Kok, Kampen 1992; bladz 5 vv
  • Early Christian Writings; Maxwell Staniforth; Penguin 1968; pp 189
  • De geschriften van Apostolische Vaders, A.C. Duker en W.C. van Manen, Brinkman, Amsterdam, 1871, bladz 5

Externe links[bewerken]