Docetisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Docetisme (van het Griekse: δοκεῖν, dokein = lijken of schijnen) is de door de vroege Kerk veroordeelde leer die beweert dat Jezus Christus slechts een schijnbare lichamelijkheid bezat. Volgens de doceten was het lichaam van Christus slechts schijn, niet werkelijk aanwezig. Deze opvatting verraadt een gnostisch denken, dat materie als onrein beschouwt (vergelijk ook manicheïsme). Dientengevolge kon de waarneming van de fysieke aanwezigheid van Christus dan ook alleen een illusionaire aanwezigheid zijn.

Er zijn reeds vanaf de 1ste eeuw docetische leerstellingen aanwijsbaar. Hoewel er reeds in het Nieuwe Testament (in de eerste brief van Johannes, iv, 2, bijvoorbeeld) op wordt gealludeerd, vond verdere ontwikkeling van het docetisme pas plaats in de tweede eeuw toen de gnostici de onreinheid van materie tot een belangrijk punt van hun leer maakten. De docetische leerstellingen hebben van bij de aanvang gemeen dat zij het lijden en sterven van Christus tijdens de kruisiging verwerpen. Omdat het christendom lijden, sterven en de verrijzenis van Christus als het centrale punt van de christelijke boodschap beschouwt, is het docetisme steeds bestreden als ketterij. De omlijning van wat tot het wezen van Christus en de christologische perichorese behoort, kwam geleidelijk en grotendeels tot stand tussen het Eerste Concilie van Nicea (325) en het Concilie van Chalcedon (451).

Verwante zienswijzen bleven echter lange tijd aanwezig, ook in de Kerk. Zo hingen bijvoorbeeld de Katharen (12de - 14de eeuw) een docetische interpretatie van Christus' aanwezigheid op aarde aan en eind 16de eeuw werd Giordano Bruno door de kerkelijke rechtbank aangeklaagd wegens onder meer docetisme en ter dood gebracht.

Het docetisme is verwant aan het adoptianisme, waarin Jezus als een door God uitverkozen profeet wordt gezien, maar niet als Zoon van God. Ook in de islam is dit laatste het geval.