Keizer Otto III
| Otto III | ||
| Zalving door paus Gregorius V | ||
| Rooms-Duits koning en keizer | ||
| Regeerperiode | 983 - 1002 | |
| Voorganger | Otto II | |
| Opvolger | Hendrik II de Heilige | |
| Vader | Otto II | |
| Moeder | Theophanu | |
| Geboren | juni of juli 980 Kessel |
|
| Gestorven | 23 of 24 januari 1002 Civita Castellana |
|
Otto III (Kessel, Reichswald, juni of juli, 980 - Civita Castellana, 23 januari of 24 januari 1002), een koning van Duitsland, was de vierde heerser uit het Saksische Huis of de Liudolfingen van het Heilige Roomse Rijk. Hij werd verkozen tot koning in 983 bij de dood van zijn vader, Otto II en werd gekroond tot Rooms-Duitse keizer in 996.
Inhoud |
Leven [bewerken]
Onzeker begin [bewerken]
Otto III was de zoon van keizer Otto II en keizerin Theophanu. Hij had drie zusters: Adelheid, Sophia en Mathilde. Reeds op driejarige leeftijd, nog tijdens het leven van zijn vader, werd hij op een hofdag in Verona in mei 983 door de rijksgroten van Duitsland en Italië tot Duits koning gekozen.
De reden, waarom juist op dat moment de troonopvolging door een driejarige koningszoon zeker moest worden gesteld, wordt niet vermeld in de bronnen. Samen met een deel van de deelnemers aan de hofdag trok de kleine Otto III over de Alpen om in de traditionele kroningsstad van de Ottonen, in Aken de koningswijding te ontvangen. Toen hij op eerste kerstdag 983 door de aartsbisschoppen Willigis van Mainz en Johannes van Ravenna tot koning werd gekroond was zijn vader Otto II al drie weken dood. Kort na de kroningsceremonie bereikte het nieuws van zijn dood Aken en maakte "een einde aan de feestvreugde".[1]
De toestand in het Rijk was zeer onstabiel. In juli 982 werd het Duitse leger in de slag bij Kaap Colonna vernietigend verslagen. Een jaar later werd het succes van de christelijke missiepolitiek door de opstand van de Slaven ten oosten van de Elbe in een klap ongedaan gemaakt.[2] De dood van Otto II leidde in Italië tot een groot aantal opstanden tegen de Ottoonse heerschappij. Deze precaire situatie maakte veel bisschoppen terughoudend om voor een lange regering van een driejarige te kiezen.
Tijdens zijn minderjarigheid nam zijn moeder tot haar dood in 991 het regentschap voor haar rekening. Vervolgens was zijn grootmoeder Adelheid van Italië tot bij zijn meerderjarigheid in 994 regent. Hij was toen veertien jaar.
Strijd om de opvolging van Otto II [bewerken]
Als lid van de Beierse lijn was hertog Hendrik II van Beieren de naaste mannelijk verwant. De wegens gewapend conflict in Utrecht gevangen zittende Hendrik werd onmiddellijk nadat de dood van Otto II in Utrecht bekend was geworden door bisschop Folcmar van Utrecht vrijgelaten. De aartsbisschop van Keulen gaf hem conform het verwantschaprecht (ius propinquitatis) in bewaring bij de net gekroonde jonge koning. Hiertegen werd geen bezwaar gemaakt, want behalve Otto's moeder Theophanu bevonden ook zijn grootmoeder Adelheid van Bourgondië en zijn tante Mathilde zich nog in Italië.
De verdere activiteiten van Hendrik II ("de Ruziezoeker") van Beieren waren niet zozeer gericht op een plichtsgetrouwe invulling van het voogdijschap. In plaats daarvan probeerde hij zelf koning te worden. Hendrik II sprak al snel een bijeenkomst in Breisach af met de West-Frankische koning Lotharius, die in dezelfde graad verwant was aan de jonge Otto III als Hendrik II.[3] Om onbekende redenen zag Hendrik echter van de geplande ontmoeting met Lotharius af. Hij vertrok onmiddellijk vanuit Keulen, waar hij de jonge Otto III in zijn macht had genomen via Corvey naar het hertogdom Saksen.[4] In Saksen nodigde Hendrik alle groten van het hertogdom in Maagdenburg uit voor de viering van Palmzondag. Hier voerde hij openlijk campagne voor zijn koningschap, echter met weinig succes. Toch waren zijn aanhangers nog steeds talrijk genoeg om naar Quedlinburg te trekken om daar in aansluiting op de Ottoonse traditie, het paasfeest te vieren. Hier probeerde in hij onderhandelingen de instemming van de aanwezigen te verkrijgen om tot koning te worden verheven. Hij slaagde er in dat velen hem "hun steun toezegden door hem middels een eed als koning en heer te erkennen".[5] Onder degenen die Hendrik ondersteunden waren Mieszko I van Polen, Boleslav II van Bohemen en de Slavische prins Mistui.
Om het koningschap van Hendrik II te voorkomen, verlieten zijn tegenstanders Quedlinburg. Op de Asselburg kwamen zij in een zweerverbond (coniuratio) bijeen. Toen Hendrik II hiervan op de hoogte werd gesteld, trok hij met militaire eenheden van Quedlinburg naar Werla, in de buurt van zijn tegenstanders, om hen ofwel uiteen te drijven ofwel een regeling met hen te treffen. Ook stuurde hij bisschop Folcmar van Utrecht naar hen toe om middels onderhandelingen tot een oplossing van het probleem te komen. In deze onderhandelingen werd duidelijk dat de tegenstanders van Hendrik II niet bereid waren om "af te zien van hun gezworen trouw aan hun koning." [6] Hendrik kreeg slechts een garantie voor toekomstige vredesonderhandelingen in Seesen. Daarop vertrok Hendrik II plotseling naar Beieren; daar werd hij door alle bisschoppen en een aantal graven erkend. Na zijn mislukkingen in Saksen en successen in Beieren hing nu alles af van de beslissing van de Frankische groten. Dezen bleken echter onder geen enkele omstandigheid afstand te nemen van en troonopvolging door Otto III. Hendrik II vreesde nu een militair conflict. Hier schrok hij voor terug. Op 29 juni 984 gaf hij het koninklijke kind in het Thüringse Rohr terug aan zijn moeder en grootmoeder.
Regentschap van de keizerinnen (985-994) [bewerken]
De lange periode van het regentschap van de keizerinnen bleef grotendeels vrij van conflicten. Vanaf 985 tot haar dood oefende Otto's moeder Theophanu de regeringsmacht uit. Tijdens haar regentschap zette zij in voor het hernieuwd instellen van het bisdom Merseburg, dat door haar man Otto II in 981 was opgeheven. Verder nam Theophanu de hofkapelaans van de kapel van Otto II over. De leiding bleef in handen van de kanselier bisschop Hildebold van Worms en aartskapelaan Willigis van Mainz. Beide bisschoppen ontwikkelden zich door regelmatige interventies tot co-regenten van de keizerin.
In 986 vierde de vijfjarige Otto III het paasfeest in Quedlinburg. De vier hertogen Hendrik II ("de Ruziezoeker") van Beieren als aartsdrossaard, Koenraad I van Zwaben als kamenier, Hendrik de Jongere van Karinthië als schenker en Bernhard I van Saksen als maarschalk[7] oefenden hier de hofambten uit. Deze dienst door de hertogen werd al bij de kroonsbestijgingen van Otto I de Grote in 936 in Aken en ook die van Otto II in 961 verleend. Door middel van deze dienst symboliseerden de hertogen bij het feest hun bereidheid om de jonge koning te dienen. Daarnaast symboliseerde de dienst van Hendrik II ("de Ruziezoeker") van Beieren op de plaats waar hij twee jaar eerder zijn mislukte usurpatie was gestart, zijn volledige onderwerping aan de koninklijke genade. Otto III ontving van graaf Hoico en van Bernward, de later bisschop van Hildesheim, een uitgebreide opleiding in hoofs- en ridderlijkheid, als ook een geestelijke opleiding en opvoeding.
Tijdens het regentschap van Theophanu brak het zogenaamde Gandersheimse conflict uit. Dit ging om de vraag of de abijd van Gandersheim onder het bisdom Hildesheim of onder het bisdom Mainz ressorteerde. Het startpunt van het geschil was de vraag in welke vorm de inhuldiging van zijn zuster Sophia als Sanctimoniale moest worden gegoten. Zij wilde zich niet onder leiding van de bevoegde Hildesheimse bisschop Osdag van Hildesheim stellen en wendde zich in diens plaats tot de Mainzse aartsbisschop, Willigis. Een dreigende escalatie van dit conflict werd in aanwezigheid van koning Otto III en zijn keizerlijke moeder Theophanu eerst daardoor vermeden, dat Sophia onder beide bisschoppen zou ressorteren, terwijl de rest van Sanctimonialen alleen onder Osdag zou vallen.[8]
Aan de oostgrens was het tijdens de maanden van het geschil om de troon met Hendrik II weliswaar rustig gebleven, maar al eerder, in 983, had de opstand van de Liutizen grote tegenslagen voor het Ottoonse missionaire beleid met zich meegebracht. Bijgevolg ondernamen Saksische legers in de jaren 985, 986 en 987 campagnes tegen de Elbe-Slaven. In 986 nam de zesjarige Otto zelf aan de veldtocht deel. De Poolse hertog Mieszko ondersteunde de Saksen meerdere keren met een groot leger en zou tijdens deze campagne hommage hebben gedaan aan Otto. Hij eerde Otto onder andere door het geven van een kameel.[7] In september 991 trok de elfjarige Otto tegen Brandenburg op. Dit gebied werd korte tijd ingenomen. In 992 leed Otto bij een nieuwe veldtocht tegen de Slaven in Brandenburg echter zware verliezen.[9] In de tijd van deze gevechten aan de oostgrens zou door Theophanu een concept voor een oostpolitiek gepostuleerd zijn dat doelbewust zou hebben aangestuurd op de kerkelijke onafhankelijkheid van Polen. In plaats van Magdeburg maakte zij de abdij van Memleben tot centrale plaats voor de hernieuwde missiepolitiek. Daarmee zette zij zich bewust af tegen de aanspraken van Magdeburg, welk bisdom er naar streefde om de nieuw gekerstende gebieden onder het eigen bisdom te laten vallen. Voor deze stelling is echter geen bewijs in de bronnen te vinden.[10]
In het jaar 989 ondernam Theophanu zonder haar koninklijke zoon een expeditie naar Italië, met als voornaamste doel om tijdens de sterfdag van haar man, Otto II, te bidden voor zijn ziel. In Pavia belastte zij haar vertrouweling Johannes Philagathos, die zij tot aartsbisschop van Piacenza had verheven, met de leiding over de centrale regering. In Italië vaardigde Theophanu een aantal oorkonden in eigen naam uit, waarbij in één geval haar naam in de mannelijke vorm werd geschreven: "Theophanis gratia divina imperator augustus". Toch zijn uit de weinige overgeleverde bronnen nauwelijks inhoudelijke contouren voor een beleid ten aanzien van Italië te herkennen. Een jaar na haar terugkeer uit Italië overleed Theophanu in aanwezigheid van haar zoon Otto III op 15 juni 991 in Nijmegen. Zij werd in het klooster van Sint-Pantaleon in Keulen begraven. Wat Theophanus's laatste adviezen en instructies aan Otto zijn geweest, is niet overgeleverd. een herdenkingsstichting van Theophanu voor Otto II, waarvan zij de uitvoering aan de abdis van Essen had opgedragen, werd door de overdracht van de relieken van de heilige Marsus pas na 999 door Otto III gerealiseerd. De koning heeft voor het zieleheil van zijn moeder geen moeite gespaard. In zijn oorkonden spreekt hij van zijn "geliefde moeder" en aan het sticht Keulen deed hij rijke schenkingen.
Voor de laatste drie jaren van zijn minderjarigheid nam Otto's grootmoeder Adelheid van Bourgondië het regentschap op zich. Zij werd daarin ondersteund door de abdis Mathilde van Quedlinburg. Onder haar bewind bereikte de Ottoonse muntslag zijn hoogtepunt. Terwijl Theophanu er nog naar streefde om de opheffing van het bisdom Merseburg ongedaan te maken, was Adelheid hiertoe niet bereid.
Begin van Otto's bestuur [bewerken]
In 994 werd Otto III veertien jaar oud. In overeenstemming met de gebruiken van zijn tijd was hij nu volwassen. In de hoge middeleeuwen werd deze gebeurtenis met een rituele handeling, een ridderslag kracht bijgezet. In het geval van Otto is van een dergelijke rituele handeling, als symbool van het bereiken van de meerderjarigheid, niets uit de bronnen bekend. In een op 6 juli 994 gedateerde oorkonde[11], waarin Otto zijn zuster Sophia, het goed Eschwege schonk, werd onlangs als het begin van zijn zelfstandige bestuur geïnterpreteerd.[12] Otto gaf in oorkonden overigens een overvloed aan schenkingen weg - ook aan zijn zuster - toen hij nog minderjarig was.
Al in 994 nam Otto zijn eerste onafhankelijke beslissingen. Met zijn vertrouweling Heribert van Keulen benoemde hij een Duitser tot hoofd van de Italiaanse afdeling van de kanzelarij - een positie die tot dan alleen voor Italianen was gereserveerd. In Regensburg verhief Otto in hetzelfde jaar, in plaats van de gekozen Regensburgse geestelijke Tagino, zijn eigen kapelaan Gebhard tot bisschop van Regensburg. In de zomer van 995 hield hij een hofdag in Quedlinburg. Met hulp van Boheemse en Poolse troepen voerde hij zowel in de winter van 994/95 als ook in de herfst van 995 een nu bijna jaarlijks plaatsvindende veldtocht tegen de noordelijk wonende Elbe-Slaven.[13] Na zijn terugkeer heeft hij het bisdom Meissen aanzienlijk uitgebreid. Hierdoor werd de tienden-inkomsten van dit bisdom verveelvoudigd.
In september 995 vertrokken aartsbisschop Johannes Philagathos en bisschop Bernward van Würzburg naar Byzantium om daar een bruid voor Otto III te zoeken.[14] De onderhandelingen met Byzantium zouden pas kort voor Otto's dood tot een succesvolle afsluiting komen. Welke prinses hem werd beloofd is overigens niet bekend.
Bewind [bewerken]
Otto zorgde er voor dat zijn neef Bruno van Karinthië, een zoon van Otto I van Karinthië als paus Gregorius V de eerste Duitse paus werd. Zijn neef kroonde Otto III tot keizer in 996. Otto stierf op 22 jarige leeftijd ongehuwd en zonder nakomelingen.
Voetnoten [bewerken]
- ↑ Thietmar III, blz. 26.
- ↑ Thietmar III, blz. 17-18.
- ↑ Lotharius en Hendrik II waren net als Otto II directe kleinzonen van Hendrik I.
- ↑ Thietmar IV, blz. 1
- ↑ Thietmar IV, blz. 2
- ↑ Thietmar IV, blz. 4
- ↑ a b Thietmar IV, blz. 9
- ↑ Thangmar, Vita Bernwardi, hfdst. 13
- ↑ Jürgen Petersohn. König Otto III. und die Slawen an Ostsee, Oder und Elbe um das Jahr 995. Mecklenburgzug — Slavnikidenmassaker — Meißenprivileg. In: Frühmittelalterliche Studien, Bd. 37 (2003), blz. 99–139, hier: blz. 102.
- ↑ Gerd Althoff: Otto III. Darmstadt 1996, blz. 67
- ↑ Oorkonde nr. 146 Theodor Sickel (Hrsg.): Diplomata 13: Die Urkunden Otto des II. und Otto des III. (Ottonis II. et Ottonis III. Diplomata). Hannover 1893, S. 556–557 (Monumenta Germaniae Historica)
- ↑ John Laudage Das Problem der Vormundschaft über Otto III. in:. Anton von Euw/ Peter Schreiner (Eds.), Keizerin Theophanu: Begegnung des Ostens und Westens um die Wende des ersten Jahrtausends, blz. 261-275, hier: blz. 274
- ↑ Gerd Althoff: Otto III.' Darmstadt 1996, blz. 79
- ↑ Bernward overleed op 20 september 996 op Euboea, dit nog voordat deze missie Constantinopel had bereikt.
Vetgedrukt: keizer · Cursief: tegenkoning · 1 medekoning (in een deelrijk)· 2 afkomstig uit een andere dynastie