Keizer Koenraad II

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Koenraad II
Koenraad II (m) met Leopold IV van Beieren en Hadmar van Könring
Koenraad II (m) met Leopold IV van Beieren en Hadmar van Könring
Rooms-Duits koning en keizer
Regeerperiode 1024 - 1039
Verkiezing 4 september 1024 in Kamba
Kroning 8 september 1024 in Mainz
Kroning (Italië) ~ 23 maart in Milaan
Keizerskroning 26 maart 1027 in Rome
Voorganger Hendrik II
Opvolger Hendrik III
Hertog van Beieren
Regeerperiode 1026 - 1027
Voorganger Hendrik III (V)
Opvolger Hendrik VI
Koning van Bourgondië
Regeerperiode 1032 - 1039
Kroning 2 februari 1033 in Payerne
Voorganger Rudolf III
Opvolger Hendrik III
Dynastie Saliërs
Vader Hendrik van Spiers
Moeder Adelheid van Elzas
Geboren ~990
Gestorven 4 juni 1039
Utrecht
Echtgenote Gisela van Zwaben
Religie Rooms-katholiek

Koenraad II (rond 990Utrecht, 4 juni 1039) was vanaf 1024 koning van Duitsland en vanaf 1027 keizer van het Heilige Roomse Rijk. Koenraad was de eerste keizer uit de Salische dynastie. Onder zijn heerschappij werd het koninkrijk Bourgondië in het keizerrijk opgenomen.

Koenraads vader was jong overleden en daardoor kreeg zijn oom Koenraad de grote erfenis van zijn grootvader Otto I van Karinthië. Koenraad zelf werd in bescheiden omstandigheden opgevoed door Burchard, de bisschop van Worms. Eenmaal volwassen werd hij graaf van Speyer en Worms. In 1017 werd Koenraad gewond aan de zijde van zijn oom Gerard van Metz tegen Godfried II van Lotharingen. Hij trouwde in 1016 met Gisela van Zwaben. Keizer Hendrik II probeerde (zonder werkelijke grond) het huwelijk te dwarsbomen op grond van bloedverwantschap en liet het paar in de ban doen. Koenraad en Gisela gingen in ballingschap en in 1019 hielp Koenraad zijn neef, de latere hertog Koenraad II van Karinthië tegen de toenmalige hertog van Karinthië, Adalbero van Eppenstein. In 1020 verzoende Koenraad zich met de keizer en deze gaf zijn verzet tegen het huwelijk op.

Na de dood van de kinderloze keizer Hendrik werd Koenraad tot koning gekozen en op 8 september 1024 in Mainz gekroond. De adel uit Lotharingen en Saksen had de verkiezing niet gesteund maar Koenraad wist na onderhandelingen ook daar als koning te worden erkend. Hij moest daarvoor wel concessies doen: zo stemde hij toe dat in Saksen weer het eigen Saksische recht ging gelden en liet hij dat vastleggen in een wetboek. In 1025 volgde de huldiging door de Italiaanse bisschoppen te Konstanz en besprekingen met de bevolking van Pavia die na de dood van Hendrik de koninklijke palts in die stad had verwoest. In 1026 werd Koenraad in Milaan tot koning van Italië gekroond. In 1027 werd hij in Rome door paus Johannes XIX gekroond tot keizer van het Heilige Roomse Rijk. Ook was Koenraad in 1026/1027 hertog van het hertogdom Beieren. Zijn zoon Hendrik III werd in 1028 tot medekoning gekroond en zou zich snel ontwikkelen tot een belangrijke adviseur van zijn vader.

Koenraad voerde een actieve en agressieve politiek tegen de oostelijke buurlanden van Duitsland. In 1028 hield hij een veldtocht tegen Polen. Koning Mieszko moest alle westelijke veroveringen van zijn vader opgeven en was ook gedwongen zijn koningstitel op te geven en Koenraad als leenheer te erkennen. In 1029 hield Koenraad een veldtocht tegen Hongarije maar die liep op een mislukking uit en het Duitse leger moest zich zelfs bij Wenen overgeven. Koenraad sloot een bondgenootschap met Knoet de Grote en gaf hem gebieden in het noorden van Duitsland in leen. In 1036 liet Koenraad ook zijn zoon Hendrik trouwen met een dochter van Knoet. In 1033 organiseerde Koenraad een nieuwe aanval op Polen, van drie zijden: Polen werd tegelijk door Duitsland, de Denen en door het Kievse Rijk aangevallen.

Koning Rudolf III van Bourgondië had in 1016 keizer Hendrik II als leenheer gehuldigd en beloofd dat hij Bourgondië aan hem zou nalaten als hij zonder directe erfgenamen zou overlijden. Na de dood van Hendrik verviel deze belofte maar zijn nicht, keizerin Gisela, wist te bereiken dat Rudolf de belofte hernieuwde aan Koenraad. Dit leidde direct tot verzet van Gisela's zoon uit een eerder huwelijk, Ernst II van Zwaben, die zichzelf als kandidaat voor de opvolging van Rudolf zag. Ernst kwam in opstand tegen Koenraad. Verzoeningspogingen door Gisela mislukten en uiteindelijk werd Ernst in 1030 gedood door de bisschop van Konstanz. Rudolf overleed in 1032 en zijn neef Odo II van Blois, de machtigste edelman van Frankrijk, greep de macht in Bourgondië en riep zich uit tot koning. Koenraad liet zich op 2 februari 1033 te Payerne tot koning van Bourgondië kronen. Hij vermeed een directe confrontatie met Odo maar wist door diplomatie te bereiken dat steeds meer edelen en geestelijken in Bourgondië zijn aanspraken steunden. In 1034 werd hij uiteindelijk in Zürich door de edelen als koning van Bourgondië gehuldigd.

In het zuiden ontnam Koenraad in 1035 markgraaf Adalbero van Eppenstein zijn functies in de marken Karinthië en Verona, en gaf deze functies aan zijn neef Koenraad II van Karinthië. Koenraad had de controle over alle belangrijke Alpenpassen nu vast in handen en kon zich nu actief met Italiaanse zaken bezighouden. In 1038 mengde Koenraad zich in de Italiaanse twisten tussen de bisschoppen en de hoge adel enerzijds, en de lage adel en steden anderzijds. Toen hij de bisschop van Milaan gevangen zette, ontstond echter een algemeen anti-Duitse weerstand. Dat anti-Duitse sentiment was over de jaren versterkt door Koenraads beleid om Duitse bisschoppen in Italië te benoemen en door de hoge Italiaanse adel bij voorkeur met Duitse families te laten trouwen. Door slimme wetgeving wist hij de meeste edelen echter weer aan zijn kant te krijgen. Koenraad stelde ook orde op zaken in Zuid-Italië waardoor het keizerrijk ook daar een aantal vazallen kreeg. Op de terugweg brak een epidemie uit in het leger waardoor onder andere zijn schoondochter en zijn stiefzoon overleden. Koenraad zelf bleef gezond.

In 1039 stierf Koenraad in Utrecht aan een aanval van jicht. Zijn ingewanden werden in de Dom van Utrecht bijgezet, mogelijk heeft om die reden zijn zoon een vermoedelijk kerkenkruis daaromheen gebouwd. Zijn stoffelijk overschot werd met grote pracht en praal naar Speyer gebracht en bijgezet in de dom.

Koenraad wordt algemeen gezien als een zeer bekwaam bestuurder en diplomaat, ambitieus maar voorzichtig. Hij continueerde het beleid van de Ottonen op het gebied van godsdienst met een voortzetting van de Rijkskerk en steunde de hervorming van de kloosters, mede om de politieke rol van de kloosters in te perken. Zijn bestuur steunde niet zo zeer op de hoge adel maar op de lage edelen, de opkomende steden en op zijn ministerialen. Hij stelde nieuwe wetboeken op voor Saksen en voor Italië. Koenraad zou de eerste van de middeleeuwse vorsten zijn die een duidelijk onderscheid zag in zijn eigen positie en de staat als zelfstandig instituut. Dit kwam naar voren in de berechting van een edelman die zich had verrijkt uit algemene middelen maar zorgvuldig had vermeden de belangen van Koenraad te schaden. Het verweer van de edelman was dat hij onschuldig was omdat hij de koning niet had benadeeld. Koenraad veroordeelde hem toch. Daarbij gebruikte hij een beeldspraak waarin hij de koning vergeleek met een scheepskapitein en de staat met een schip, en dat het beschadigen van het schip als een misdaad op zich moest worden beschouwd.
Aan de andere kant was Koenraad persoonlijk hebzuchtig en maakte hij voortdurend gebruik (misbruik) van zijn positie om voor zichzelf bezittingen te verwerven. Ook bij de benoeming van hoge geestelijken keek hij alleen naar politieke en persoonlijke belangen; sommige ambten werden openlijk verkocht. De geschiktheid van geestelijken voor hun ambt deed voor Koenraad niet ter zake.
Koenraad gaf opdracht om in Nijmegen, op de restanten van de palts van Karel de Grote, de Sint-Nicolaaskapel te bouwen.

Koenraad was de zoon van Hendrik van Spiers en Adelheid van Elzas. Koenraad trouwde in 1016 met Gisela van Zwaben (995-1043), haar derde huwelijk. Zij kregen de volgende kinderen:

Karolingen (800–911): Karel de Grote · Lodewijk I de Vrome · Lotharius I · Lodewijk II · Lodewijk III de Duitser · Karel II de Kale · Lotharius II · Karloman van Beieren1 · Lodewijk III de Jonge1 · Karel III de Dikke · Arnulf van Karinthië · Lodewijk IV het Kind
Italiaanse keizers (891–928): Guido van Spoleto · Lambert van Spoleto · Lodewijk de Blinde · Berengarius van Friuli
Ottonen (911–1024): Koenraad I van Franken2 · Hendrik I de Vogelaar · Otto I de Grote · Otto II · Otto III · Hendrik II de Heilige
Saliërs (1024–1125): Koenraad II · Hendrik III · Hendrik IV · Rudolf van Rheinfelden · Herman van Salm · Koenraad (III)1 · Hendrik V
Hohenstaufen (1125–1254): Lotharius III2 · Koenraad III · Hendrik (VI) Berengarius1 · Frederik I Barbarossa · Hendrik VI · Filips van Zwaben · Otto IV2 · Frederik II · Hendrik VII1 · Koenraad IV · Hendrik Raspe
Interregnum (1254–1273): Willem van Holland · Richard van Cornwall · Alfons van Castilië
Versch. dynastieën (1273–1437): Rudolf I · Adolf van Nassau · Albrecht I · Hendrik VII · Lodewijk V de Beier · Frederik de Schone1 · Karel IV · Gunther van Schwarzburg · Wenceslaus · Ruprecht van de Palts · Jobst van Moravië · Sigismund
Habsburgers (1437–1806): Albrecht II · Frederik III · Maximiliaan I · Karel V · Ferdinand I · Maximiliaan II · Rudolf II · Matthias · Ferdinand II · Ferdinand III · Ferdinand IV1 · Leopold I · Jozef I · Karel VI · Karel VII Albrecht2 · Frans I Stefan · Jozef II · Leopold II · Frans II

Vetgedrukt: keizer · Cursief: tegenkoning · 1 medekoning (in een deelrijk)· 2 afkomstig uit een andere dynastie