Staatse leger

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het Staatse leger bij Nieuwpoort in gevecht met het leger van Vlaanderen.

Het Staatse leger was het leger van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden van 1575 tot aan de oprichting van de Bataafse Republiek in 1795.

Het ontstond als gevolg van de besluiten van 25 september 1575 door de Staten-Generaal van de Nederlanden. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog was het belast met de strijd tegen de Spaanse machthebbers en daarna onder meer met de verdediging van de barrièresteden.

Het leger was vanaf 1586 een instrument van de noordelijke gewesten, samengesteld uit ruiterij en voetvolk en verenigd in vendels. Filips van Lalaing (1537-1582) was één van de eerste bevelhebbers.

Een belangrijke ontwikkeling was de overgang na 1588 van een krijgsmacht die voornamelijk bestond uit tijdelijk aangeworven manschappen, waardgelders, naar een leger van permanent onder de wapenen gehouden beroepssoldaten (staand leger). De invoering van de aan Maurits van Oranje toegeschreven, maar vooral op aandringen van zijn neef Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg tot stand gekomen legerhervormingen veroorzaakte die verandering. Het was namelijk te kostbaar geworden de goed getrainde, veelal buitenlandse huursoldaten, na afloop van ieder krijgsseizoen af te danken.

Nieuw was ook dat de soldaten oefenden met schijngevechten, schieten en manoeuvres. Dit kwam Maurits aanvankelijk op hoongelach te staan, maar later bleken zijn manschappen beter te presteren en kwam er waardering.

Kapitein-generaal der Unie[bewerken]

Musketier die lont controleert, door Jacob de Gheyn (II).

In de beginjaren had het Staatse leger geen opperbevelhebber: ieder gewest had een eigen kapitein-generaal; meestal de stadhouder van dat gewest. In de periode 1576-1579 van de Nederlandse Opstand nam de behoefte toe aan een Staatse opperbevelhebber, voor welke positie eind 1576 Anton van Goignies werd aangesteld. Goignies, die zich in 1557 had onderscheiden bij de Slag bij Saint-Quertin, kreeg de titel veldmaarschalk der Staten-Generaal. Na afloop van de Slag bij Gembloers werd hij door de Spanjaarden gevangengenomen en keerde na zijn vrijlating terug naar Spaanse zijde.[1] François de la Noue werd zijn opvolger,[2] later gevolgd door Joost de Soete.[3]

Veldmaarschalk der Staten-Generaal

Ten tijde van de Republiek ontstond er de officiële titel van kapitein-generaal der Unie, die Maurits van Nassau (de jure sinds 1589 aanvoerder van het Staatse leger), steevast door de Staten-Generaal werd geweigerd.[4] Zijn halfbroer en opvolger Frederik Hendrik van Oranje werd bij zijn aantreden in 1625 zonder problemen benoemd, evenals diens zoon en opvolger Willem II van Oranje-Nassau.

Aan het einde van het Eerste Stadhouderloze Tijdperk bepaalden de Staten-Generaal krachtens het Eeuwig Edict (1667) en de Akte van Harmonie uit 1670 dat het stadhouderschap onverenigbaar was met de functie van admiraal-kapitein-generaal. Met het herstel van het stadhouderschap tijdens het Rampjaar 1672 werd deze akte afgeschaft en werd het kapitein-generaalschap in 1674 in de mannelijke lijn erfelijk verklaard, dat daarmee samen kwam te vallen met de dynastie van de Oranje-stadhouders.[5]

Kapitein-generaal der Unie

Volgens Simon van Slingelandt hadden naast de stadhouder en de Staten-Generaal, ook de Raad van State, de hoge officieren en de afzonderlijke provincies en de daaronder vallende bestuurslichamen zeggenschap over het Staatse leger.[bron?]

Compagnie vaandels[bewerken]

Elke compagnie had een eigen vaandel of ruitervaan (standaard) dat tot het uiterste moest worden verdedigd. De vaandels deden behalve als onderlinge herkenning, tevens dienst als oriëntatiepunt in het strijdgewoel.[7]

Literatuur[bewerken]

  • Zwitser, H.L. (1991) 'De militie van den staat'. Het leger van de republiek der verenigde Nederlanden, p. 14-15.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. A.J. van der Aa, "GOIGNIES (Anthony van)", Biographisch Woordenboek der Nederlanden (1862).
  2. Van der Aa, "Noue, François heer van la".
  3. Van der Aa, "Joost de Soete".
  4. De Staten van Holland hebben jarenlang aangedrongen op de benoeming, maar de Staten-Generaal hebben het altijd afgewezen. Dit ondanks dat Maurits op 8 maart 1589 al bevelhebber van de Staatse troepen was geworden en in april 1588 benoemd werd tot admiraal-generaal der Unie, en ook al kapitein-generaal van Holland en Zeeland was, sinds 1590 ook van Gelre, Overijssel en Utrecht en sinds 1620 ook van Groningen en Drenthe, en al die tijd het feitelijke bevel voerde over de Staatse troepen in Gelre, Brabant en Limburg. De Staten-Generaal lijken beducht te zijn geweest voor een kapitein-generaal voor alle Nederlanden. Dat zou het gewest Holland en/of het huis Oranje-Nassau te veel invloed geven. Niettemin werd Maurits dat in feite meer en meer, met uitzondering van Friesland. De titelweigering schijnt dan ook symboolpolitiek te zijn geweest, die onder zijn opvolger werd losgelaten.
  5. Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993-2002) s.v. 'kapitein-generaal'. Microsoft Corporation/Het Spectrum.
  6. Encarta, s.v. "Willem [Nederland]".
  7. Vaandels en standaarden, op defensie.nl