Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Willem Lodewijk
1560 – 1620
Willem Lodewijk van Nassau 1560-1620.jpg
Graaf van Nassau-Dillenburg
Periode 1606 – 1620
Voorganger Jan VI
Opvolger George
Stadhouder van Friesland (Staten-Generaal)
Periode 1584 – 1620
Voorganger Willem van Oranje
Opvolger Ernst Casimir van Nassau-Dietz
Stadhouder van Groningen (Staten-Generaal)
Periode (1584) 1594 – 1620
Voorganger Francisco Verdugo (Filips II)
(Willem van Oranje (Staten-Generaal))
Opvolger Ernst Casimir van Nassau-Dietz
Stadhouder van Drenthe (Staten-Generaal)
Periode 1596 – 1620
Voorganger Francisco Verdugo (Filips II)
Opvolger Ernst Casimir van Nassau-Dietz
Vader Jan VI van Nassau-Dillenburg
Dynastie Nassau-Dillenburg
Wapen van Willem Lodewijk van Nassau
Stamboom.png Stamboom

Willem Lodewijk (Dillenburg, 13 maart 1560 - Leeuwarden, 31 mei 1620) was graaf van Nassau-Dillenburg, van 1584 tot zijn dood stadhouder van Friesland en later ook van de gewesten Groningen (1594) en Drenthe (1596). In Friesland staat hij bekend onder de bijnaam Us Heit (Fries voor: Onze Vader). Willem Lodewijk was tevens kapitein-generaal van het leger van Friesland en samen met prins Maurits van Oranje opperbevelhebber van het Staatse Leger in de strijd tegen de Spanjaarden. In 1906 werd in Leeuwarden een standbeeld geplaatst ter herinnering aan Us Heit.

Biografie[bewerken]

Hij was de oudste zoon van Jan VI van Nassau-Dillenburg (Jan de Oude) en diens eerste vrouw Elisabeth van Leuchtenberg.

Willem Lodewijk speelde in de jaren voor het Twaalfjarig Bestand in de Tachtigjarige Oorlog een belangrijke rol in de oorlog, samen met zijn neef en zwager Maurits van Nassau. Hij voerde belangrijke hervormingen in het leger door. Aan de ene kant zorgde hij ervoor dat de soldaten op regelmatige tijden hun soldij kregen, aan de andere kant verlangde hij als tegenprestatie uiterste discipline. Hij was een sterk voorstander van een aanvalsoorlog: in plaats van de opstandige gebieden te beschermen tegen Spaanse aanvallen, moesten de opstandelingen actief door Spanje bezette gebieden aanvallen. Hierbij gebruikte hij samen met Maurits de oorlogstechnieken die eeuwen eerder al door de Romeinen werden gebruikt. Willem Lodewijk, briljant strateeg als hij was, bestudeerde namelijk de beschrijvingen uit de Romeinse Tactica.

Graaf Willem Lodewijk staat vooral bekend om zijn tactiek die ook wel de "Groninger Schansenkrijg" genoemd wordt. Groningen was door het overlopen van de graaf van Rennenberg in Spaanse handen gekomen en het gewest Friesland zou het volgend doelwit kunnen zijn. Na enkele (mislukte) pogingen in 1583 en 1587 (de list van Enumatil) waarbij hij Groningen rechtstreeks op de Spanjaarden o.l.v. kolonel Francisco Verdugo wilde veroveren, begon hij in 1589 zijn plan om de heirwegen naar de stad stukje bij beetje af te sluiten, zodat de bevoorrading naar Groningen stopgezet werd. In 1589 werd de toegangsweg langs het Reitdiep afgesloten door het versterken van de sterkte De Opslag. Twee jaar later werd de fortificatie bij de Delfzijlen versterkt en werden er Staatse troepen gelegerd. In 1592 werden Steenwijk en Coevorden definitief door de Staatsen ingenomen en versterkt. Tenslotte werd op de laatste pas (die naar het Duitse Lingen) op de boerentange de vesting Bourtange gebouwd, waardoor alle heirwegen werden afgesloten. Voorts werden o.a. de schansen Bellingwolderzijl (het latere Oudeschans), de Leek en de Zwartendijksterschans gebouwd om de kunstmatig verhoogde wegen door de hoogveenmoerassen onder controle te krijgen. Ook werden het huis te Ruinen en de burcht te Wedde veroverd op de Spanjaarden en versterkt.

In 1594 werd het doel van de krijg in het noorden bereikt. Op 23 juli werd de stad Groningen, na een beleg van toch nog enkele weken, op de Spanjaarden veroverd en werd het Tractaat van Reductie getekend. De stad Groningen maakte vanaf toen weer onderdeel uit van de Unie van Utrecht (1579) en Willem Lodewijk werd ook stadhouder van het nieuwste gewest: Stad en Lande.

Huwelijk[bewerken]

Willem Lodewijk huwde (waarschijnlijk op 22 november 1587) met zijn nicht Anna van Nassau (dochter van Willem van Oranje en zijn tweede echtgenote Anna van Saksen). Het huwelijk was tegen de zin van Jan de Oude vanwege de schulden van Willem van Oranje. Een ander beletsel was het gegeven dat zij neef en nicht waren. Gereformeerde theologen gaven hierover een instemmend advies. Anna kreeg uit het sterfhuis van Willem van Oranje een jaarrente van 2.000 gulden mee. Anna werd echter al snel ziek en zij overleed tijdens haar eerste zwangerschap in juni 1588. Willem Lodewijk kwam het verlies van zijn vrouw niet te boven en is nooit hertrouwd.

Dood[bewerken]

Net teruggekeerd uit Holland, waar hij voor de zoveelste keer de belangen van Friesland had behartigd, werd Willem Lodewijk in mei 1620 getroffen door een beroerte waaraan hij overleed. Na zes weken werd op 13 juli 1620 zijn gebalsemde lichaam met een grandeur die hij tijdens zijn leven niet had meegemaakt, ten grave gedragen. In de lange lijkstatie liepen edellieden, familieleden, grietmannen, de Leeuwarder predikanten, professoren en vele andere hoogwaardigheidsbekleders mee. De lijkstoet eindigde in de Grote of Jacobijnerkerk in Leeuwarden waar hij werd bijgezet in de Grafkelder van de Friesche Nassau's waar in 1588 zijn vrouw Anna haar laatste rustplaats had gekregen. Van de begrafenisstoet heeft de Harlinger graveur Pieter Feddes een gedetailleerde tekening gemaakt.

De titel graaf van Nassau-Dillenburg, die hij in 1607 na de dood van zijn vader erfde, ging na zijn dood over naar zijn broer George. Als stadhouder van Friesland werd hij opgevolgd door zijn jongere broer Ernst Casimir van Nassau-Dietz.

Onderwijs[bewerken]

Trivia[bewerken]

Bij het beleg van Coevorden werd Willem Lodewijk in zijn linkerbeen getroffen door een kogel van zes pond. Sindsdien was hij mank en liep hij met een stok. Het liefst verplaatste hij zich te paard.

Literatuur[bewerken]

  • L.H. Wagenaar, Het leven van graaf Willem Lodewijk, een vader des vaderlands
  • W. Bergsma, Willem Lodewijk en het Leeuwarder hofleven, in: It Beaken, Tydskrift fan de Fryske Akademy, jiergong 60 (1998), pag. 191-256.