Staten van Holland en West-Friesland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

(Doorverwezen vanaf Staten van Holland)
Ga naar: navigatie, zoeken
Vergadering van de Staten van Holland in 1625.

De Staten van Holland, later de Staten van Holland en West-Friesland geheten, vormden aanvankelijk een adviescollege van de graaf van Holland en vanaf de Opstand het hoogste bestuursorgaan van het gewest Holland en West-Friesland. In de Zoen van Delft van 1428 is de eerste vermelding te vinden. Hierin werd de status van de Staten van Holland formeel bevestigd.

Inhoud

[bewerken] Structuur

In de Bourgondische Nederlanden bestonden de Staten van Holland uit afgevaardigden van de Ridderschap en de zes grootste steden, Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam en Gouda. De Ridderschap had hierbij één stem, net als de afzonderlijke steden. Opvallend was de afwezigheid van de geestelijkheid in het bestuur. Bij het stemmen bracht de afgevaardigde van de Ridderschap als eerste zijn stem uit, gevolgd door de steden in de traditionele volgorde waarop ze hiervoor vermeld zijn. Na 1572 werd het aantal zgn. stemhebbende steden uitgebreid, en sinds 1608 werden de achttien voornaamste steden voor vergaderingen opgeroepen. De genoemde achttien steden waren:

Zuiderkwartier: Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden, Amsterdam, Gouda, Rotterdam, Gorichem, Schiedam, Schoonhoven, Brielle.

Noorderkwartier: Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Edam, Monnikendam, Medemblik, Purmerend.

De vergaderingen van de Staten van Holland werden geleid door de landsadvocaat, na 1621 raadpensionaris geheten. De Staten van Holland kwamen tenminste viermaal per jaar bij elkaar, of zoveel vaker als nodig werd bevonden. Beslissingen werden bij meerderheid van stemmen genomen en hoefden niet overgenomen te worden door de steden, die een grote mate van autonomie hadden.

[bewerken] Taken

Samen met de staten van de andere gewesten benoemden zij de leden van de Staten-Generaal van de Nederlanden. Voor 1572 waren de staten een adviescollege, dat voornamelijk over belastingzaken beraadslaagde en onregelmatig bijeenkwam. Na 1572 kwamen zij minimaal vier maal per jaar bijeen en vergaderden meer dan 200 dagen per jaar, tegenover zo'n 60 dagen daarvoor.

Voor de uitvoering van de besluiten van de Staten ontstonden tijdens de Opstand in de praktijk permanente commissies, die een groot deel van het bestuurlijk gezag van de Staten overnamen. Deze bestuurlijke colleges, Gecommitteerde Raden geheten, beheerden de financiën, zagen toe op krijgsmacht en vloot en spraken recht wanneer het belang van de provincie betrokken was. Na 1585 konden in de Statenvergadering nog slechts onderwerpen besproken worden die door de Gecommitteerde Raden naar voren waren gebracht.

Doordat Holland zo'n 58% van de begroting van de Republiek voor zijn rekening nam, had het binnen de Staten-Generaal een doorslaggevende stem. Binnen de Staten van Holland waren de ridderschap en Amsterdam de belangrijkste leden. De ridderschap had het recht als eerste te spreken en te stemmen.

[bewerken] Geschiedenis

[bewerken] Staten

Van oudsher had de graaf edelen rond zich die hem met raad bijstonden - zoals elke leenman zijn leenheer met raad en daad - consilium en auxilium - moest bijstaan - zonder dat deze raad formeel was beschreven. Naast de hoge edelen, maakten vanaf graaf Floris V ook lage edelen deel uit van deze grafelijke raad, de curia comitis, terwijl er ook nog sprake was van het commune consilium, de gezamenlijke raad. Pas vanaf het begin van de vijftiende eeuw hadden ook niet-edelen, sporadisch, een plaats in de grafelijke raad.

Onder Willem II ontstond er een vergadering die voor langere tijd bijeen bleef, waarmee zich een raad begon af te tekenen. Vanaf de tweede helft van de dertiende eeuw kregen de steden onder zijn zoon Floris V enige invloed in het bestuur van het graafschap. Onder hertog Willem V nam de raad het bestuur waar tijdens diens afwezigheid. Willem V liet de grafelijke raad en de steden overleg voeren in wat dagvaarten werden genoemd.

Filips de Goede verkreeg de macht in Holland met de Zoen van Delft, waarin de Staten van Holland voor het eerst genoemd worden.

Van oudsher waren er de hoge edelen geweest, afkomstig uit de oeradel. Daarnaast hadden de ministerialen, van oudsher van onvrije afkomst, zich ontwikkeld tot ridderschap. Het prestige van deze groep steeg dusdanig dat ook edelen de riddertitel begonnen te voeren. Het onderscheid van de adel als stand en de ridderschap als klasse begon te vervagen, zonder overigens volledig te verdwijnen. De vorming van de steden als stand bij de dagvaarten zorgde er voor dat in de vijftiende eeuw ook de ridderschap zich als stand begon te presenteren. De grafelijke raad kwam uit slechts edelen te bestaan, ook wel consilium dominorum of militia genoemd.

Onder Filips de Goede kwam de term staten voor standen in gebruik. In de Zoen van Delft van 1428 werd de status van de Staten van Holland formeel bevestigd. Aanvankelijk werden ook de kleine steden en de dorpen van het platteland geraadpleegd. Dit werd in de vijftiende eeuw steeds minder gebruikelijk en werden de dorpen nog maar zelden uitgenodigd om de dagvaarten bij te wonen. Uiteindelijk accepteerde men dat de ridderschap het platteland vertegenwoordigde.

Nadat graaf Bossu - die in 1567 in plaats van Willem van Oranje stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht was geworden - in juli 1572 een spoedvergadering van de Staten bijeenriep in het nog koningsgezinde Den Haag, nam Dordrecht het initiatief tot een alternatieve vergadering. In deze Eerste Vrije Statenvergadering van 1572 schaarden de Staten zich achter de verklaring van Oranje dat hij nog steeds stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht was en beschermer van de gehele Nederlanden bij afwezigheid van de koning. Hoewel de Staten pretendeerden hierbij de rechten van koning Filips II te respecteren met de bewering dat zij traditioneel al uit eigen beweging bijeen kwamen, was dit feitelijk een revolutionaire daad.

Hij had daarmee de belangrijkste rol in het bestuur dat de Staten overnamen van het Hof van Holland. Deze hield nog tot ver in de zestiende eeuw politieke bevoegdheden, maar beperkte zich steeds meer tot gerechtelijke aangelegenheden. Na het vertrek van Willem van Oranje naar Brussel in 1577 nam de zelfstandigheid van de Staten toe.

Na de dood van Oranje in 1584 ontstond een zeker machtsvacuüm. Johan van Oldenbarnevelt werd in 1586 als landsadvocaat voorzitter van de Staten van Holland. Hoewel hij formeel gezien slechts een woordvoerder was, slaagde Van Oldenbarnevelt erin zich via deze functie omhoog te werken. Hij leidde vergaderingen en alle besluiten en uitgaande stukken gingen via zijn hand. Hij wist te bereiken dat niet de Raad van State, maar de Staten-Generaal het hoogste bestuursorgaan werd. Omdat Van Oldenbarnevelt zitting had in de Staten-Generaal, kon hij op deze manier zijn macht en invloed verder uitbreiden. In de praktijk kon niemand om hem heen.

Aanvankelijk had men nog gezocht naar een vervangend landsheer, maar na de negatieve ervaringen met de hertog van Anjou en de graaf van Leicester - wiens streven naar een centraal landsbestuur in Utrecht de aan een bepaalde mate van autonomie gewende gewesten niet aanstond - werd in de Justificatie of Deductie vastgelegd dat de politieke macht voortaan bij de Staten-Generaal kwam te liggen. In feite werd daarmee besloten dat de Nederlanden voortaan onafhankelijk van buitenlandse vorsten zouden zijn.

De Staten van Holland werden na de Franse inval in 1795 vervangen door de Provisionele Representanten van het Volk van Holland.

[bewerken] Gecommitteerde Raden

Tijdens de opstand tegen het Spaanse gezag ontstonden voor noordelijk en zuidelijk Holland afzonderlijke bestuurscolleges. Een eerste stap was in 1574 de afzonderlijke bijeenkomsten van enkele Noord-Hollandse steden, Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Edam, Monnickendam, Medemblik en Purmerend. Deze waren vooral na het beleg en de val van Haarlem afgesneden van de prinsgezinde steden bezuiden het IJ en konden niet meer in de Staten in Den Haag verschijnen. Uit deze vergaderingen ontstonden wat naderhand de Gecommitteerde Raden van Westfriesland en het Noorderkwartier is gaan heten (volledig: Het Kollege der Gecomitteerde Raden van de Staten van Holland en Westfriesland in Westfriesland en het Noorderkwartier). Daarna ontstonden ook de Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier (1584).

Pogingen om de deze raden samen te voegen, strandden op de drang naar zelfstandigheid van het Noorderkwartier. Dit was vooral op het vlak van financiën dusdanig onwerkbaar dat in 1751 de beide raden werden gedwongen samen te werken, waardoor zij in feite als één naar buiten kwamen. Met de instelling van de Provisionele Representanten van het Volk van Holland in 1795 werden de Gecommitteerde Raden vervangen door drie colleges, het Comité van Algemeen Welzijn, van Militaire Zaken en van Financiën. In de maanden daarna werden nog twaalf comités opgericht.

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

Persoonlijke instellingen
in andere talen