Jacoba van Beieren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jacoba van Beieren
1401-1436
Jacoba van Beieren door Hollandse school ca 1600.jpg
Gravin van Holland en Zeeland
Periode 1417-1433
Voorganger Willem VI
Opvolger Filips de Goede
WapenHenegouwen.jpg Gravin van Henegouwen
Periode 1417-1433
Voorganger Willem IV
Opvolger Filips de Goede
Hertogin-gemalin van Brabant
Periode 1418-1420
Voorganger Elisabeth van Görlitz
Opvolger Isabella van Portugal
Vader Willem VI van Holland
Moeder Margaretha van Bourgondië
Hainaut-Bavaria Arms.svg
Wapen van Jacoba.

Jacoba van Beieren (Le Quesnoy, gedoopt 16 juli 1401Slot Teylingen, 9 oktober 1436) was gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen tussen 1417 en 1433.

Jeugdjaren[bewerken]

Jacoba werd in 1401 geboren en op 16 juli van dat jaar gedoopt in Le Quesnoy in Henegouwen.[1] Ze is de dochter van graaf Willem VI en Margaretha van Bourgondië. In 1406 werd zij op 5-jarige leeftijd uitgehuwelijkt aan de Franse prins Jan van Touraine. In 1415, toen zij 14 was, werd dat huwelijk voltrokken in Den Haag. Kort daarop overleed Jans oudere broer Lodewijk van Guyenne, waarna Jan de Dauphin van Frankrijk werd, en Jacoba dus Dauphine, oftewel: kroonprinses. In 1417 overleed echter ook Jan van Touraine en werd Jacoba weduwe. Enkele maanden later overleed ook haar vader graaf Willem VI van Holland.

Strijd met Jan VI van Beieren[bewerken]

Jacoba volgde haar vader op zestienjarige leeftijd op, maar haar oom, de Luikse bisschop Jan VI van Beieren, had ook zijn oog laten vallen op de erfenis van graaf Willem VI. Hij werd hierin gesteund door de Duitse keizer Sigismund, die verdere invloed van de Bourgondische hertogen in zijn gebieden wilde voorkomen.[2] Jacoba, gesteund door haar moeder Margaretha van Bourgondië zocht haar steun bij Jan zonder Vrees, de hertog van Bourgondië en broer van Margaretha.[3] De strijd tussen Jacoba en Jan betekende tevens een oplaaiing van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Onder Jacoba's leiding behielden de edellieden die onder Willem VI gediend hadden hun positie, zij behoorden tot het Hoekse kamp. Daarentegen werd Jan VI van Beieren door de Kabeljauwse edelen gesteund.[4]

Volgende huwelijken[bewerken]

Intrede te Bergen van Jacoba van Beieren en haar nieuwe echtgenoot Humphrey van Gloucester

Om haar machtspositie te versterken trouwde Jacoba in 1418 met haar neef in de vierde graad Jan IV van Brabant. Ze kreeg hiervoor toestemming van paus Martinus V. Jan VI van Beieren en zijn partijgenoten protesteerden tegen dit huwelijk. Onder druk van keizer Sigismund werd de pauselijke toestemming later ingetrokken. Omdat hij zijn financiële verplichtingen niet kon nakomen, verpandde Jan van Brabant het grondgebied van Jacoba voor 12 jaar aan haar vijand Jan van Beieren. Jacoba liet hierop het huwelijk ongeldig verklaren en vertrok naar Engeland, waar zij in 1422 in het huwelijk trad met Humphrey van Gloucester.

Samen met Humphrey ging zij in 1424 terug naar Holland om de strijd op te nemen tegen haar ex-echtgenoot Jan van Brabant, die gesteund werd door Filips de Goede, hertog van Bourgondië. In 1425 keerde Humphrey echter terug naar Engeland, omdat zijn politieke positie daar in gevaar was gekomen. Jacoba bleef achter in Henegouwen, waar zij zich onder politieke en militaire druk later over moest geven aan Filips van Bourgondië en in Gent gevangen werd gezet.[5]

Hernieuwde strijd[bewerken]

Toen haar oom Jan van Beieren in januari 1425 overleed, kwamen de gebieden die hij eerder verpand had gekregen weer bij Jan van Brabant terecht. Dit betekende feitelijk dat deze gebieden onder het gezag van Filips de Goede, hertog van Bourgondië, kwamen te staan, aangezien Jan van Brabant hem als ruwaard aanstelde.[6] De Hoeken verzetten zich hiertegen en besloten Jacoba van Beieren te bevrijden. De edellieden Spiering en Aalburg van het Schuttersgilde St. Joris van Heusden (opgericht in 1356) slaagden erin Jacoba van Beieren te ontmoeten en met haar werd een ontsnappingsplan gemaakt[bron?]. Jacoba zei niet gestoord te willen worden, omdat ze een bad ging nemen, waarna zij en haar kamenier mannenkleren aantrokken en zo vermomd het kasteel uitliepen waar ze gevangen zaten. Buiten wachtten Spiering en Aalburg met paarden en het viertal wist te ontkomen via Breda en Woudrichem naar Vianen. Hier ontdeed ze zich van haar vermomming en reisde vervolgens verder naar Schoonhoven waar de Hoeken kort daarvoor de macht hadden gegrepen.[7]

Jacoba van Beieren nam samen met de Hoeken de strijd tegen Filips de Goede weer op in de driehoek Gouda - Oudewater - Schoonhoven. Jacoba wist mede met hulp van Floris van Kijfhoek in september 1425, Schoonhoven te veroveren op de bezetters onder Albrecht Beiling. Ze zou daarna de stad incognito in mannengewaad bezocht hebben. Ze nam haar intrek in het kasteel van Gouda, waarvandaan ze haar strijd ondernam tegen de Kabeljauwen in Holland. Ze won een kleine slag bij de Gouwsesluis in 1425.[8] Herhaaldelijk vroeg zij om hulp van haar echtgenoot Humphrey van Gloucester, die nog steeds in Engeland verbleef. Het leidde nog tot de slag bij Brouwershaven, maar de weinige hulp die hij kon bieden was niet genoeg. Na de tegenslag bij Brouwershaven profiteerde Jacoba van de opstand die in Kennemerland was ontstaan. Daar bezetten ontevreden boeren Haarlem. Ze toog er met haar leger naartoe om de opstandige boeren te helpen met het beleg op de stad. Ze brak het beleg echter halverwege op, omdat een ontzettingsleger onderweg was naar Haarlem. Dit leger passeerde echter eerst Gouwsluis, waar een tweede slag plaatsvond. Jacoba steunde de Kennemerse opstandelingen nog minimaal een half jaar daarna, maar met de Slag bij Hoorn werd deze opstand gebroken.[9] Twee jaar later, in 1428, moest ze vrede sluiten. In dit vredesverdrag (de Zoen van Delft) werd bepaald dat Filips erfgenaam van Jacoba van Beieren zou worden en dat zij niet in het huwelijk mocht treden zonder zijn toestemming. Jacoba bleef in naam nog gravin van Holland, maar moest feitelijk vrijwel alle macht afstaan. Haar huwelijk met Humphrey van Gloucester werd in 1428 door de paus onwettig verklaard, omdat zij volgens de kerk al getrouwd was met Jan van Brabant toen zij met Humphrey in het huwelijk trad.[10] Jan van Brabant stierf echter een jaar eerder, waarmee Jacoba dus weer een ongehuwde vrouw was.

Overdracht aan Filips van Bourgondië[bewerken]

Met Pasen in 1433 deed Jacoba volledig afstand van haar titel als gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen. Vaak wordt beweerd dat dit te maken zou hebben met een geheim huwelijk met Frank van Borssele waarmee zij een van de voorwaarden van de zoen van Delft schond. Dit is echter niet meer dan een legende.[11] Filips de Goede had haar politiek machteloos gemaakt door haar vertrouwelingen bij haar weg te spelen en hun loyaliteit te kopen. Daarnaast was haar financiële positie ernstig verslechterd.[12] Hierdoor kon zij niet anders dan de landen overdragen aan Filips en kwamen Holland, Zeeland en Henegouwen in handen van de hertogen van Bourgondië. Jacoba kreeg verschillende gebieden en steden, met name in Zeeland, om in haar onderhoud te voorzien. De voornaamste hieruit waren de heerlijkheid Voorne, Tholen en Goes met Zuid-Beveland.[13]

Laatste huwelijk en dood[bewerken]

Na de overdracht van haar landen verbleef ze op de landen die haar waren toebedeeld. In het voorjaar van 1434 trad ze in het huwelijk met Frank van Borssele.[14] Dit huwelijk was economisch voor beide partijen gunstig, al was voor Jacoba ook liefde in het spel.[15] Lang heeft ook dit huwelijk niet geduurd. In 1436 werd ze ziek. Na een ziekbed van enkele maanden op het slot Teylingen, stierf zij op 9 oktober 1436 op 35-jarige leeftijd aan tuberculose.

De wens van Jacoba van Beieren te worden begraven in de kerk van Sint-Maartensdijk is niet ingewilligd. Zij werd begraven bij haar voorouders in de Hofkapel op het Binnenhof (Den Haag) onder het koor in de kerk. Bij de teraardebestelling van Jacoba in 1436 was de Hofkapel op het Binnenhof vol mensen.[16] De Hofkapel stond aan de westzijde (Hofvijver) van het huidige Binnenhof en is in de zeventiende eeuw door brand verwoest, maar weer hersteld. Op deze plek staat nu de kantoorvleugel van de huidige Eerste Kamer. De grafkelders van de Graven van Holland liggen nu onder de vloer van dit gebouw dat de Hofkapel in de negentiende eeuw verving.

Mythevorming en legendes[bewerken]

Door de eeuwen heen zijn er verschillende mythen en legendes over het leven van Jacoba van Beieren ontstaan.

Gevangen in het Gravensteen[bewerken]

Een mythe is dat gedurende haar gevangenschap in 1425 in Gent Jacoba in het Gravensteen opgesloten zou hebben gezeten. In werkelijkheid werd zij echter ondergebracht in het stadspaleis de Posteerne waar zij in luxe leefde.[17]

Militair bevelhebster[bewerken]

Door de oorlogsjaren 1425-1428 en het harde verzet van Jacoba tegen de hertog van Bourgondië heeft zij in de mythevorming een imago van heldhaftige verzetsstrijder gekregen. Hierbij wordt haar ook de rol van militair aanvoerder toegedicht. Haar werkelijke rol in deze oorlogsjaren ligt echter anders. Zelf heeft zij nooit deelgenomen aan de gevechten of het leger geleid. Dit liet zij over aan haar raadslieden en de leiders van de Hoekse legers.[18]

Een geheim huwelijk[bewerken]

Een hardnekkige legende is dat Jacoba en Frank van Borssele al in de zomer van 1432 in het geheim in het huwelijk waren getreden. Volgens de legende zou Filips van Bourgondië Frank van Borssele daarom gevangen hebben genomen, waarna Jacoba al haar bezittingen afstond aan Filips om haar geliefde vrij te kopen. Er is echter geen enkel bewijs voor een geheim huwelijk en dit is dan ook niet de reden waarom Jacoba afstand heeft gedaan van haar bezittingen. Pas in november 1433, een half jaar nadat zij haar landen aan Filips van Bourgondië had overgedragen, was er sprake van een aanstaand huwelijk tussen Jacoba en Frank van Borssele.[19]

Jakobakannetje[bewerken]

Tekening van een jakobakan uit de 15e eeuw

Een typisch middeleeuwse kan van Siegburgs aardewerk werd in de zeventiende eeuw bij werkzaamheden in groten getale uit de gracht van slot Teylingen in Voorhout opgebaggerd. Een legende zegt dat deze kannetjes door de hertogin zelf, nadat ze door verdriet over het verlies van haar land aan de drank was geraakt, in de gracht waren gegooid. In deze legende zit zelfs geen kern van waarheid, aangezien de kannetjes veelal pas na de dood van Jacoba vervaardigd zijn.[20] Dit soort steengoed wordt sindsdien in Nederland algemeen jakobakannetje genoemd.

Trivia[bewerken]

  • Jacoba gebruikte de burcht van Voorne af en toe als buitenverblijf. Sinds 1975 organiseert men daarom bij de ruïne van de burcht in Oostvoorne jaarlijks een Jacoba van Beierendag.
  • Het levensverhaal van Jacoba van Beieren was onderwerp van de roman Jacoba, dochter van Holland van Simone van der Vlugt.
  • In het 61ste Kiekeboeverhaal De zes sterren komt een stukje van de geschiedenis over Jacoba van Beieren aan bod.

Literatuur[bewerken]

  • Antheun Janse. Een Pion voor een Dame, Jacoba van Beieren (1401-1436), 2009
  • D.E.H. de Boer, E.H.P. Cordfunke. "Jacoba van Beieren (1417-1428) en Jan 'Zonder Genade' van Beieren (1418-1425)", In: Graven van Holland, Middeleeuwse Vorsten in Woord en Beeld (880-1580), 2010, p. 135-145

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Voorouders[bewerken]

De voorouders van Jacoba van Beieren
'
Jacoba van Beieren
Vader:
Willem VI van Holland
Grootvader:
Albrecht van Beieren (1336-1404)
Overgrootvader:
Keizer Lodewijk de Beier
Overgrootmoeder:
Margaretha II van Henegouwen
Grootmoeder:
Margaretha van Brieg
Overgrootvader:
Lodewijk I van Brieg
Overgrootmoeder:
Agnes van Glogau
Moeder:
Margaretha van Bourgondië (1374-1441)
Grootvader:
Filips de Stoute
Overgrootvader:
Jan II van Frankrijk
Overgrootmoeder:
Bonne van Luxemburg
Grootmoeder:
Margaretha van Male
Overgrootvader:
Lodewijk van Male
Overgrootmoeder:
Margaretha van Brabant (1323-1368)

Noten[bewerken]

  1. A. Janse, Een Pion voor een Dame, p. 26
  2. A. Janse, p. 128-130
  3. A. Janse, p. 121-122
  4. A. Janse, p. 125-128
  5. A. Janse, p. 223, 230
  6. A. Janse, p. 238
  7. A. Janse, p. 233-235
  8. Johannes de Beke, Chronyke van Hollandt
  9. C. Ekama, Het beleg van Haarlem door Vrouwe Jacoba in 1426: Geschiedkundige bijdragen
  10. A. Janse, p. 279-280
  11. Zie voor een uitgebreide weerlegging: A. Janse, p. 288-326, D.E.H. de Boer, E.H.P. Cordfunke. Graven van Holland, p. 141-143
  12. A. Janse, p. 312-316
  13. zie voor een volledige lijst: A. Janse, p. 316
  14. A. Janse, p. 326
  15. A. Janse, p. 326, Graven van Holland, p. 143
  16. L.J. van der Klooster, ‘De hofkapel’, in: R.J. van der Pelt en M.E. Tiethoff-Spliethoff (red.), Het Binnenhof. Van grafelijke residentie tot regeringscentrum (Dieren 1984) p. 30-35; A. Janse, Een pion voor een dame. Jacoba van Beieren 1401-1436 (Amsterdam 2009) p. 331-332
  17. Graven van Holland, p. 140-141
  18. A. Janse, p. 246-251
  19. A. Janse, p. 288-326, Graven van Holland, p. 141-143
  20. A. Janse, p. 329, zie ook: J.P. Ter Brugge, “Jakoba's Kruikjes: de Historiografie van de gelijknamige Siegburg-kan”, in Gevonden voorwerpen. Opstellen over Middeleeuwse Archeologie voor H.J.E. Van Beuningen. Rotterdam, 2000. p. 62-72.