Beleg van Maastricht (1579)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Beleg van Maastricht in 1579
Onderdeel van de Tachtigjarige Oorlog
Famiano Strada, De Bello Belgico, Beleg van Maastricht door de troepen van de hertog van Parma.
Famiano Strada, De Bello Belgico, Beleg van Maastricht door de troepen van de hertog van Parma.
Datum 8 maart 1579 - 29 juni 1579
Locatie Maastricht, Limburg, Nederlanden
Resultaat Inname van de stad
Strijdende partijen
Prinsenvlag.svg Maastrichtenaren, Staatse huurlingen Flag of Cross of Burgundy.svg Spaanse leger
Commandanten
Schwarzenberg†;
Tappin
Parma
Berlaymont[1]
Troepensterkte
1200 infanterie
6000 bewapende burgers
18.000 tot 20.000 infanterie
Verliezen
900-4.000 burgers 2.500 infanterie

Het beleg van Maastricht vond plaats tijdens de Tachtigjarige Oorlog, in de periode van 8 maart tot 29 juni 1579. De groots opgezette aanval van de Spaanse veldheer Alexander Farnese (prins, later hertog van Parma) was bedoeld om zich van de stad te verzekeren. Maastricht was destijds vanwege zijn geografische ligging en zijn economische betekenis een belangrijk strategische vesting.

Voorgeschiedenis[bewerken]

In 1578 trad Maastricht toe tot de Pacificatie van Gent en verklaarde zich daarmee openlijk voor de Staten-Generaal van de Nederlanden. Een aanval op de stad werd verwacht. Parma had in juni van het voorgaande jaar gebieden rondom Maastricht, Limbourg en kasteel Valkenburg (inclusief enkele kleinere plaatsen) en Dalhem al ingenomen. Het zou een aanloop zijn voor de grote aanval op Maastricht. Willem van Oranje had weinig vertrouwen in de militaire gouverneur van Maastricht, Melchior van Schwarzenberg en benoemde daarom de Lotharinger Sebastiaan Tappin tot opperbevelhebber van de vesting. Tappin was naar Maastricht gezonden om onder La Noue te dienen, echter La Noue had niet binnen de stad kunnen komen.[2] Alexander Farnese was op 2 maart als afleiding begonnen met de slag bij Borgerhout (bij Antwerpen) en verplaatste zijn legers plotseling. Hijkwam op 8 maart 1579 voor de stad aan. Voor Maastricht aangekomen doet hij de stad een aanbod. Algemene amnestie, waarborg voor alle rechten en privileges, mist zij uitsluitend de katholieke godsdienst en het gezag van de koning zouden onderhouden. Het aanbod werd afgeslagen, waarmee het beleg begon.[3]

Staat van beleg[bewerken]

Maastricht, belegeringsmunt, 8 stuiver 1579. Geslagen tijdens het beleg van de stad Maastricht. Voorzijde: Gehelmd stadswapen; links en rechts van het schild 7 en 9. Keerzijde: Een hand met opgeheven zwaard splitst het omschrift: *-* / TRA-IEC / *AB*-HIS / PA-NIS / *OB-SES. In de afsnede: VIII

In januari had de prins de ingenieur Sebastiaan Tappin (die roem vergaarde met het versterken van La Rochelle in 1574) naar Maastricht gezonden om de nodige verbeteringen aan te brengen. Deze werken waren nagenoeg voltooid toen Parma voor de stad was verschenen met een leger van ruim achttienduizend man.[4] Tappin zorgde ervoor dat de vestingwerken verbeterd werden en nam allerlei maatregelen om de stad op een aanval van de Spaanse troepen voor te bereiden. Zo werd op de Jeker een molen gebouwd om buskruit mee te fabriceren, alle burgers moesten verplicht aan de vestingwerken meebouwen en de boeren die naar de stad waren gevlucht werden ingelijfd bij de verdedigende troepen. Buiten de wallen liet Tappin mijnen leggen en hij liet de grachten buiten de muren schoonmaken en verder verdiepen. Strada beschrijft de verdediging van de Maastrichtenaren. De burgers hadden achter de bestaande vestingwerken van de stad een geheel nieuwe linie opgeworpen. Onzichtbaar voor het oog van de belegeraars. De nieuwe vestingwerken waren net als de andere werken voorzien van een diepe gracht, hoge wallen met borstwering. Deze waren aan de bestaande wallen gekoppeld middels een houten brug. Via de brug kon de verdediging zich terugtrekken naar de nieuwe linie als zij zouden moeten wijken voor een aanval. Vanaf die tweede linie moest de aanval weer opnieuw worden opgezet.[5]

Binnen Maastricht bestond het verdedigende garnizoen uit huurlingen; Fransen, Engelsen en Schotten, totaal zo'n twaalfduizend man met daarnaast, zo'n tweeduizend boeren mannen en vrouwen met twaalfhonderd man van de schutterij. De totale bevolking van Maastricht bedroeg destijds naar schatting vijftien- tot vierendertigduizend inwoners.[2]

Het geld in Maastricht werd dagelijks schaarser, er werd daarom gebruik gemaakt van het octrooi van hertog Matthias en de prins van Oranje om munt te slaan. De kopervoorraad van de burgers werd hiervoor aangesproken. Men sloeg stukken van een halve-, een hele stuivers. Daarnaast eenheden van; twee, zes, twaalf en vierentwintig stuivers. Lonen werden er mee betaald, soldij, burgers ontvingen er hun huur van. [6]

Het beleg[bewerken]

Insluiting[bewerken]

Op 12 maart had de berenning van Maastricht plaatsgevonden.[6] De Spaanse troepen werden grotendeels in de omliggende dorpen ondergebracht. Parma zelf betrok zijn hoofdkwartier op het kasteel Pietersheim. Parma liet de stad van twee kanten omsingelen. Er werden twee schipbruggen aangelegd over de Maas om verbinding te houden en tegelijkertijd werd de stad afgesneden van de buitenwereld. Er werd een linie rondom de stad aangelegd, met forten alsof er een tweede stad omheen gebouwd werd. Parma liet zes grote forten opwerpen, een aan de noordzijde tegenover de Boschepoort, een bij de Brusselsepoort, tegenover het Sint-Servaas bolwerk, de Tongerlosepoort, een aan de zuidkant nabij de Hunnenberg tegenover de Sint-Pieterspoort. De twee andere aan de rechter Maasoever. De forten deden dienst als soldatenverblijf en opslag voor het geschut, zij moeten een behoorlijke omvang hebben gehad. Hier en daar werden kleinere schansen opgeworpen, een contravallatielinie werd (nog) niet opgezet. Door middel van twee schipbruggen werd gemeenschap gehouden met de legerafdelingen op de linker- en rechteroever. Toen de aanleg van deze linie voltooid was werd aangevangen met het graven van approches. Intussen hadden gevechten plaatsgevonden tussen bezetting en belegeraars.

Dubbele aanval[bewerken]

De dubbele bestorming door Parma's troepen. Frans Hogenberg

De loopgraven van de aanvallers leidden aanvankelijk naar de Brusselsepoort. Twee dagen later deden de Maastrichtenaren een uitval, daarbij gebruik makende van eerder aangelegde contra-approches waardoor zij de aanvallers gevoelige verliezen toebrachten en veel van hun tunnels werden vernield. Toen de aanvallers het contrescarp waren van Maastricht hadden bereikt merkten zij dat de stad op dit punt juist niet het zwakst, maar het sterkst verdedigd was. Daardoor werd vanaf dat moment gekozen voor een nieuwe locatie, de Tongerlosepoort, waar op 23 maart een nieuwe aanval begon. Er werd tegenover deze poort een batterij opgeworpen met daarop zesenveertig stukken geschut. Toen Parma het gerucht van ontzet vernam liet hij uit voorzorg rondom de stad door middel van wolfskuilen en verhallingen, alle toegangswegen afsluiten.

De batterijen vuurden twee dagen onophoudelijk op de wallen zonder enig resultaat. Waar al een geringe bres was ontstaan ontdekten de aanvallers achter de muur de tweede verschansing. Om die reden liet Parma de graaf van Mansfeld met twintig stukken geschut de stad op een tweede punt aanvallen, de Boschpoort. Mondragon schoot vanuit Wijck op de stad. De inwoners van Maastricht groeven tunnels om de aanvallers ondergronds te ontmoeten. In de ondergrondse tunnels ontbrandde een felle strijd los. Honderden belegeraars werden gedood door kokend water dat in de tunnels werd gegoten. Anderen stierven door rook en zuurstofgebrek zodra de Maastrichtenaren vuren boven de tunnels aanstaken. Hopman Rhosne, een gunsteling van Parma stelde voor om een mijn onder het ravelijn te legggen.[7] Vijfhonderd Spaanse soldaten stierven toen de kruitlading, bedoeld om de muren op te blazen, vroegtijdig ontplofte. Ortiz een Spaans genie kapitein verloor ook zijn leven daarbij. Vijfenveertig jaar na het beleg van Maastricht werd hij teruggevonden tijdens het graven van een bouwput. In volle wapenuitrusting, met een gouden ketting om zijn nek, spade en houweel bij zijn voeten, onverminkt, schijnbaar gereed om zo weer de strijd te hervatten.[2]

Tunnels en loopgraven[bewerken]

Aanhoudende regen had het waterpeil van de gracht doen stijgen, waardoor de aanvaller gedwongen werden kanalen aan te leggen voor de afwatering. Intussen woedde de oorlog ondergronds in alle hevigheid. De strijd onder de grond werd door de drie Maastrichtse vrouwenvendels gestreden. De vrouwenvendels werden geleid door "mijnmeesteressen" zoals zij zich zelf noemden. Door middel van orgelpijpen bliezen ze rook in de tunnels, of gooiden kokend water naar binnen, honderden aanvallers kwamen daarbij om het leven. Onder de grond navigeerden ze met een kompas, een loodlijn en een maatstok.[2] Waar de aanvallers ook groeven, steeds troffen ze contre-approches waar zij verdreven werden met kokend water en/of brandend pek. Parma koos tien vrijwilligers die voorzien van houten schilden van ruim tien centimeter dikte (door twee soldaten gedragen) voorzien van schietgaten de tunnel gingen uitkammen met lange pistolen. Vier piekeniers begeleidden deze vrijwilligers.[7] Uiteindelijk wisten de aanvallers toch de contrescarp te bereiken van een toren, niet ver van de Tongerlosepoort. Daar groeven zij de gang onder de gracht door tot aan de saillant en legden daar een mijn. Op 3 april april werd de mijn tot ontploffing gebracht wat een groot deel van het vestingwerk deed springen. De bres werd bestormd, deels bemachtigd, maar het geschut van het daarachter gelegen verschansing noodzaakten de aanvallers zich weer terug te trekken. In de bres poogden zij zich nog staande te houden maar werden in de flank aangevallen door Tappin. Parma zette verse troepen in voor een tweede aanvalsgolf, maar ook deze werd afgeslagen. Na grote verliezen moest Parma van verdere aanvallen afzien. Op 7 april waren de kanalen gereed. De stad werd anderhalf dag onophoudelijk beschoten, maar iedere bres werd hersteld. Op 8 april werd de stad opnieuw van alle kanten beschoten en aangevallen. De burgers verdedigden echter verwoed de stad. Ook vrouwen streden mee, en alles wat maar als wapen kon dienen, stenen, dorsvlegels en rieken werd tegen de vijand gebruikt. Toch besloot Parma een nieuwe aanval te wagen. De hoofdaanval zou op de Boschepoort plaatsvinden waar de bres het grootste was. De aanvallers hadden schanskorfen, steenklompen en dergelijke in de gracht gesmeten waardoor deze begaanbaar was. Maar om de kracht van de verdediging te verdelen werd ook een aanval op de Tongersepoort.

Op 9 april werd besloten de stad te bestormen nadat er een bres geschoten was. De stad werd verdedigd door soldaten en burgers. Onder de burgers was iedereen vertegenwoordigd, vrouwen, bejaarden en kinderen. In de vroege morgen moesten de aanvallers de stad bestormen in een regen van musketkogels, stenen, vuurballen, pikkransen en meer. In dichte drommen, met grote verliezen stormden zij voorwaards. Urenlang werd een verbitterde strijd geleverd. De aanvallers verzamelden lijken om daarvan borstweringen te bouwen. De aanvallers bestormden zo hardnekkig dat uiteindelijk de hindernis genomen werd om daar te zien dat er een tweede verschansing achter was gebouwd. Geheel met stormpalen en diepe gracht voorzien, zij waren weer terug bij af. Ze moesten nu van een verdere aanval afzien. Bij de Tongerlosepoort was het al niet anders vergaan. Tegen de avond gaf Parma het bevel "staakt het vuren". Net als in Haarlem was ook in Maastricht een vrouwenleger. Na een bloedig gevecht moesten de aanvallers wijken. Parma zag in dat een bestorming niet afdoende was in dit geval, hij besloot de verdere aanval ondergronds voort te zetten. Hij liet een groot aantal sappeurs uit Luik komen die tunnels moesten graven. Intussen werd bovengronds het netwerk van linies omsloten.

Contravallatielinie[bewerken]

Parma schreef aan de koning dat bij deze aanval honderdvijftig Spaanse en vreemde ridders het leven lieten, vierhonderd edelen zwaargewond. Totaal zouden er die dag tweeduizend doden zijn gevallen. Precies zoveel als het hele verlies van 12 maart tot 9 april tot dan haf opgeleverd. Binnen een maand tijd was het leger van Parma door gevechten en ziekten verminderd met een derde. Parma vond het nu noodzakelijk om de omsingeling van Maastricht te verbeteren. Het zou nu dan toch een contravallatielinie moeten komen. Daarvoor liet hij bouwmeester Serbelloni een ontwerp maken, wat in deze tijd als een meesterstuk werd beschouwd. De linie werd versterkt met zestien forten, elf op de linker- en vijf op de rechteroever. De linie werd zo sterk gemaakt dat vier- tot vijfduizend man genoeg zouden zijn haar te verdedigen. De bouw van deze linie werd bijna dagelijks gehinderd vanuit de stad. In de eerste helft van mei werd de linie toch voltooid. Intussen zat men in de stad ook niet stil, bijna al de verwoestingen waren intussen hersteld. Daarnaast hadden de Maastrichtenaren voor de Brusselsepoort ook nog eens een redoute laten opwerpen, voorzien van natte grachten en deels omgeven met muren. In de keel was nog een traverse opgeworpen met een klein driehoekig grachtje. Bovenop waren caponnières gemaakt, langs de grachtboorden mijnovens, onderaardse gangen werden gegraven vanaf de buitenste gracht naar buiten om uitvallen te kunnen plegen.[4]

Oranje probeerde intussen geld in te zamelen om Maastricht een ontzet te kunnen bieden. Geld werd steeds een groter probleem door de voortdurende strijd tegen de koning. Oranje liep echter tegen onenigheden, besluiteloosheid en langdradigheid van de Staten aan.[8] Zonder resultaat maande hij de Staten van Vlaanderen aan om hun aandeel in de pot te storten voor de kosten die met het ontzet waren gemoeid, tweehonderdduizend gulden.[3]

Strijd om een ravelijn[bewerken]

Inname van het ravelijn, fantasieafbeelding. Romeyn de Hooghe

Parma liet het ravelijn van de Brusselsepoort beschieten. Hij liet daarvoor een "beukerij" oprichten, een gesloten schans van ruim twintig meter hoog, en vier meter dik met een face en flanken van ruim zeventien meter. Drie stukken schoten op de stad, met als doel zoveel mogelijk schade aan te richten aan de ravelijn, die nu dagen achtereen onophoudelijk werd beschoten. na vijftien dagen was de saillant geheel vernield. Nu lukte het de aanvallers wel om de ravelijn in te nemen. Alleen de poging om over de gracht te geraken mislukte. De Maastrichtenaren probeerden zelfs nog de aanvallers terug te drijven.Intussen had Parma de brug gezien tussen de stad en de redoute. De redoute kon vanuit het veld beschoten worden, hij liet dus aan beide kanten een batterij opwerpen voor vier kanonnen. De werkzaamheden werden zwaar belemmerd door schieten vanuit de nabijgelegen torens. Parma begreep dat eerst dat geschut moest zwijgen. Hij liet dus nog een derde batterij bouwen waar vanaf de torens beschoten werden. In een korte tijd werden de borstweringen van de torens geschoten waardoor de verdedigers gedwongen werden het geschut terug te trekken. Nu kon de brug beschoten worden waardoor de verdedigers gedwongen werden de redoute op te geven. Deze verovering had Parma tweeduizend levens gekost en vijf weken tijd gekost.[4]

Negen bestormingen op Maastricht[bewerken]

Nu kon Parma aan beide kanten van de Brusselsepoort een galerij aanleggen van vier- tot vijfhonderd meter. De sappeurs konden nu uit hun sappen komen en de muren bereiken. Ondanks herhaaldelijke uitvallen vanuit de stad lukte het de mijnenleggers om mijnen te leggen en een groot deel van de muur op te blazen. De bres werd ingenomen door de aanvallers, de verdedigers trokken zich wederom terug naar een volgende verschansing, waar acht stukken geschut stonden opgesteld. Daarachter stond nog een tweede borstwering opgesteld. Parma liet over de gracht die hier tien meter breed was een paalbrug bouwen, onder beschietingen van musketiers van de stad. In een korte tijd was de brug gereed. Op de puinhoop van de oude ringmuur plaatsen de belegeraars een batterij met toen halve kartouwen en veldslangen. Op 24 juni openden zij het vuur. Intussen had Parma bij de niet ver van brug mijnen laten leggen onder de verschansing waarmee een groot deel van de wal werd opgeblazen. Als tijgers vielen Parma's troepen en Maastrichtenaren elkaar aan in de ontstane bres. Twee uren wordt gevochten, Tappin raakt zwaargewond. Op dat moment is er een tweede bres in de wal geschoten en lijkt het alsof de slag voorbij is. Op dat moment schiet de verdediging op de grote batterij en brengen zoveel schade toe dat het aanvallende vuur zo goed als stil komt te liggen. Negen bestormingen worden op de bres ondernomen (met drieduizend doden onder vriend en vijand tot gevolg) werden allemaal door de Maastrichtenaren afgeslagen.[4]

Poging tot ontzet[bewerken]

Na deze aanval was de toestand in Maastricht verslechterd, gebrek aan voedsel en ziekten gingen hun tol eisen. De bezetting was met de helft verminderd, velen waren zo verzwakt dat ze nauwelijks op hun benen stonden. Een bode van de staatsen kwam met het bericht dat binnen twee weken ontzet zou komen. Maar het zou anders lopen.[4] Drie- tot vierduizend ruiters onder Jan van Nassau met ondersteuning van honderd compagnieën voetvolk troffen Parma's leger zo sterk verschanst dat zij het niet waagden om aan te vallen. De prins probeerde intussen in Keulen een wapenstilstand te regelen, maar Parma bleef onverzettelijk. Intussen begon hongersnood binnen de stad een rol te spelen. Bewoners kwijnden weg of kregen Tyfus. Daardoor was de bezetting al met zo'n vierhonderd man geslonken. Het garnizoen wilde zich overgeven, maar de burgers (opgehitst door predikanten) waren fel tegenstander van dat plan. De ondergrondse strijd duurde voort.[3] Bijna dagelijk vonden schermutselingen plaats in de tunnels en loopgraven. Bij een van die voorvallen was Tappin zwaargewond geraakt door een kogelschot in zijn arm. Op 18 juni sneuvelde Gilles van Berlaymont, een belangrijke stadhouder.

Bestorming en inname[bewerken]

Illustratie van het beleg. Frans Hogenberg

Op 28 juni klom een soldaat van de belegeraars de muur op en zag dat een bres niet gevuld was en dat de schildwachten moe en uitgemergeld in een diepe slaap lagen. Hij meldde dit meteen bij zijn officieren. Als reactie werd een afdeling soldaten gestuurd. Die beklom de muren en doodde de schildwacht, even later gevolgd door een bestorming. De garnizoensoldaten, burgers, iedereen vocht tegen de invallers. De belegeraars stormden uiteindelijk van alle hoeken de stad binnen. De soldaten en burgers probeerden daarop over de brug de voorstad Wyck te bereiken. De aanvallers stormden de brug op en honderden die niet onder het zwaard vielen, stortten van de brug en verdronken. Een gruwzame slachting en plundering volgde. Tijdens de bestorming lag Parma met hoge koorts op het ziektebed. De inname geschiedde in zijn afwezigheid. Die afwezigheid was merkbaar onder de Duitsers en Walen, die al plunderende onderling om de buit twistten. Duizenden doden lagen op de grond verspreid.[3]

Tijdens de inname van de stad werd niets of niemand ontzien; vrouwen, bejaarden en zelfs kinderen. Iedereen die had meegeholpen met de verdediging had zich de woede op de hals gehaald van de op wraak beluste aanvallers. Moeders namen hun kinderen in de armen en sprongen in de Maas. De bloeddorst van de aanvallers richtte zich in het bijzonder op vrouwen. Ze werden van huis tot huis vervolgd en van de daken en uit de vensters naar beneden gegooid, in de Maas gejaagd en op straat verscheurd. Dergelijke gruwelen waren in de Nederlanden intussen geen bijzonderheid meer. Op de eerste dag werden vierduizend mannen en vrouwen omgebracht. De plunderingen en razernij duurden daarna nog twee volle dagen. Men zegt dat nog geen vierhonderd burgers het bloedbad overleefden. De overlevenden trokken weg en Walen vestigden zich in wat er over was van de stad. Sebastiaan Tappin stierf aan zijn verwondingen en ook Melchior van Schwarzenberg sneuvelde.[2] Het moordtoneel was zo ijselijk dat het lang voortleefde bij de Maastrichtenaren.

Gevolgen[bewerken]

Parma hield op 21 juli een zegetocht door Maastricht. Tijdens Parma's intocht waren de straten rood van het bloed, hoofdeloze rompen, afgeknotte leden, een rottende hoop menselijke overblijfsels die overal verspreid lagen, domineerde de zomerlucht. De bloeiende stad was tot slachthuis en woestenij gemaakt.[2] Van juli 1579 tot maart 1580 verbleef hij in de Proosdij van Sint-Servaas. Op 10 augustus 1579 kondigde Parma een generaal pardon af. Een groot aantal Maastrichtenaren die de Reformatie aanhingen, waren al voor of direct na het beleg de stad ontvlucht. De Protestanten die achter bleven, kregen de kans zich te bekeren tot het Katholicisme (met uitzondering van predikanten). Aan het kapittel van Sint-Servaas schonk Parma een nieuw verguld zilveren borstbeeld van Sint Servaas, dat zich nog steeds in de Schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek bevindt. Ook zou hij op 15 maart 1580 in het Spaans Gouvernement de vogelvrijverklaring van Willem van Oranje hebben ondertekend.[9] De vestingwerken, de brug en veel gebouwen binnen de muren van Maastricht waren tijdens het beleg zwaar beschadigd. Het zou jaren duren voordat alle herstelwerkzaamheden waren uitgevoerd. Door de plunderingen waren veel kunstschatten en relikwieën verdwenen, waardoor de stad enkele belangrijke trekpleisters voor bedevaartgangers was kwijtgeraakt.[10] De economische positie van Maastricht als handelsstad, die toch al te lijden had gehad van de oorlog in het algemeen, was door het beleg ernstig verzwakt.

De plundering door de Spanjaarden was voor de Maastrichtse bevolking een traumatische ervaring geweest, die nog eeuwenlang nagalmde. Bij latere oorlogsdreigingen herinnerde men telkens aan het beleg van 1579, waarbij de burgerij er bij de garnizoensleiding op aandrong om de stad vroegtijdig over te geven, ter voorkoming van een herhaling van 1579. Gravures die de moorden en plunderingen in beeld brachten, werden nog tot aan het eind van de 17e eeuw verspreid (onder andere door Jan Luyken).

In 1632 werd Maastricht opnieuw belegerd. Tijdens het Beleg van Maastricht (1632) waren de rollen echter omgekeerd: de stad werd verdedigd door een Spaans garnizoen (samen met de burgers van Maastricht) en de aanvallers waren de Staatse troepen onder leiding van prins Frederik Hendrik van Oranje.

Bronnen, noten en/of referenties
  • Morreau, L.J., Bolwerk der Nederlanden. Assen, 1979
  • Russel, J., Geschied- en Oudheidkundige Schets der Stad Maastricht, 1883 (eerste uitgave)
  • Strada, F. De Bello Belgica. Rome, 1648
  • Ubachs, P., en I. Evers, Historische Encyclopedie Maastricht. Zutphen, 2005
  • Ubachs, P., en I. Evers, Tweeduizend jaar Maastricht. Een stadsgeschiedenis. Zutphen, 2006

Verwijzingen

  1. Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993-2002) s.v. Berlaymont. Gilles van Berlaymont. Microsoft Corporation/Het Spectrum.
  2. a b c d e f John Lothrop Motley, De opkomst van de Nederlandsche republiek, Volume 4 P.201 Uitgave:W.P. Van Stockum, 1867 P.12/22 Uitgave:Van Langenhuysen, 1867
  3. a b c d Willem Jan Frans NuyensGeschiedenis van den oorsprong en het begin der Nederlandsche beroerten (1559-1598) P.12/22 Uitgave:Van Langenhuysen, 1867
  4. a b c d e Joan Karel Hendrik de Roo van Alderwerelt, ''De vestingoorlog en de vestingbouw in hunne ontwikkeling beschouwd P.128-140 Uitgave: M.J. Visser, 1862
  5. Johannes Gerrit Willem Merkes, Verhandeling over het belang der vestingen voor den staat, het verband tusschen de kunst van versterken met de strategie, en de daaruit volgende noodwendigheid eener bevestigings-methode, gewijzigd, naar de hedendaagsche meer volmaakte wijze van aanval en verdediging, Volume 2 P.212 Uitgave: Brest van Kempen, 1827
  6. a b Lamb. Emm. Jos. de Lenarts, Joannes Josephus Habets, Opkomst en voortgang der stad Maastricht P.8/22 Uitgave:Hollman, 1864
  7. a b P.F.H. Mascheck, Geschiedenis van het korps Nederlandsche mineurs en sappeurs van de vroegste dagen tot op den tegenwoordigen tijd, 1852 P.201 Uitgave:W.P. Van Stockum, 1867 P.8/22 Uitgave:Noman, 1853
  8. James Tracy, The Founding of the Dutch Republic:War, Finance, and Politics in Holland, 1572-1588 P.8/22 Uitgave:Oxford University Press, 2008
  9. Ubach/Evers (2005), p. 400.
  10. Het belangrijkste verlies waren de zogenaamde drie hemelse doeken, die tot die tijd het hoogtepunt hadden gevormd bij de reliekentoning vanaf de dwerggalerij van de Sint-Servaaskerk. Ook de vernieling van het borstbeeld van Sint Servaas en diefstal van andere waardevolle voorwerpen uit kerken en kloosters, betekende een verminderde aantrekkingskracht van Maastricht als pelgrimsstad.