Beleg van Maastricht (1579)
| Beleg van Maastricht in 1579 | ||||
| Onderdeel van de Tachtigjarige Oorlog | ||||
Famiano Strada, De Bello Belgico, Beleg van Maastricht door de troepen van de hertog van Parma. |
||||
| Datum | 8 maart 1579 - 29 juni 1579 | |||
| Locatie | Maastricht, Limburg, Nederlanden | |||
| Resultaat | Inname van de stad | |||
| Strijdende partijen | ||||
|
|
||||
| Commandanten | ||||
|
||||
| Troepensterkte | ||||
|
||||
| Verliezen | ||||
|
||||
Het beleg van Maastricht vond plaats tijdens de Tachtigjarige Oorlog, in de periode van 8 maart tot 29 juni 1579. De groots opgezette aanval van de Spaanse veldheer Alexander Farnese (prins, later hertog van Parma) was bedoeld om zich van de stad te verzekeren. Maastricht was destijds vanwege zijn geografische ligging en zijn economische betekenis een belangrijk strategische vesting.
Voorgeschiedenis[bewerken]
In 1578 trad Maastricht toe tot de Pacificatie van Gent en verklaarde zich daarmee openlijk voor de Staten-Generaal van de Nederlanden. Een aanval op de stad werd verwacht. Willem van Oranje had weinig vertrouwen in de militaire gouverneur van Maastricht, Melchior van Schwarzenberg en benoemde daarom de Lotharinger Sebastiaan Tapijn tot opperbevelhebber van de vesting.
Tapijn zorgde ervoor dat de vestingwerken verstevigd werden en nam allerlei maatregelen om de stad op een aanval van de Spaanse troepen voor te bereiden. Zo werd op de Jeker een molen gebouwd om buskruit mee te fabriceren, alle burgers moesten verplicht aan de vestingwerken meebouwen en de boeren die naar de stad waren gevlucht werden ingelijfd bij de verdedigende troepen. Buiten de wallen liet Tapijn mijnen leggen en hij liet de grachten buiten de muren schoonmaken en verder verdiepen.
Het verdedigende garnizoen bestond uit huurlingen; Fransen, Engelsen en Schotten, totaal 1200 man. Het aantal burgers geschikt om de wapens tegen de Spanjaarden op te nemen bedroeg ongeveer 6000. De totale bevolking van Maastricht bedroeg destijds naar schatting 15 tot 25.000.
Het beleg[bewerken]
Alexander Farnese kwam op 8 maart 1579 voor de stad aan. De Spaanse troepen werden grotendeels in de omliggende dorpen ondergebracht. Parma zelf betrok zijn hoofdkwartier op het kasteel Pietersheim. De stad werd van alle kanten ingesloten en er werden door de Spanjaarden twee bruggen over de Maas geslagen om de troepen sneller te kunnen manoeuvreren.
Op 25 maart 1579 begonnen de Spanjaarden met zware beschietingen met zesenveertig muurbrekers. Maar de belegerden hielden stand.
Farnese gaf zijn troepen opdracht tunnels onder de muren door te graven. De inwoners van Maastricht groeven tunnels om hen ondergronds te ontmoeten. In de ondergrondse tunnels ontbrandde een felle strijd. Honderden belegeraars werden gedood door kokend water dat in de tunnels werd gegoten. Anderen stierven door rook en zuurstofgebrek toen de Maastrichtenaren vuren boven de tunnels aanstaken. 500 Spaanse soldaten stierven toen een kruitlading, bedoeld om de muren op te blazen, vroegtijdig ontplofte.
Op 8 april werd de stad opnieuw van alle kanten beschoten en aangevallen. De burgers verdedigden echter verwoed de stad. Ook vrouwen streden mee, en alles wat maar als wapen kon dienen, stenen, dorsvlegels en rieken werd tegen de vijand gebruikt. De aanval werd afgeslagen en Alexander Farnese besefte dat hij nu haast moest maken. Jan van Nassau vormde een bedreiging met zijn troepen, en het soldij vanuit Spanje kwam niet opdagen. Tapijn was ondertussen zwaargewond geraakt door een kogelschot in zijn arm. Op 18 juni sneuvelde Gilles van Berlaymont, een belangrijke stadhouder aan regeringszijde[1].
24 juni vielen de Spanjaarden opnieuw aan en deze keer met succes. In de nacht van Sint Petrus en Paulus (29 juni) wisten de troepen van Parma de stad binnen te dringen terwijl de uitgeputte verdedigers sliepen. Door miscommunicatie was inmiddels het houten deel van de Maasbrug afgebroken, waardoor veel burgers die van Maastricht naar Wyck probeerden te vluchten, verdonken. De wraak van de Spanjaarden was verschrikkelijk. Volgens het destijds geldende oorlogsrecht mochten de overwinnaars een stad die zich niet vrijwillig had overgegeven drie dagen plunderen. Doordat Farnese met hoge koorts in bed lag, konden de Spaanse troepen ongehinderd dagenlang plunderend en moordend door de stad trekken. De schattingen omtrent het aantal doden onder de burgerbevolking lopen uiteen van 900 tot 4000. Volgens de Italiaanse geschiedschrijver Famiano Strada bedroegen de verliezen aan Maastrichtse zijde zelfs 8000, waaronder 1700 vrouwen.[2] De Spanjaarden hadden bij het vier maanden durende beleg naar schatting 2500 manschappen verloren.
Gevolgen[bewerken]
Parma hield op 21 juli een zegetocht door Maastricht. Van juli 1579 tot maart 1580 verbleef hij in de Proosdij van Sint-Servaas. Op 10 augustus 1579 kondigde Parma een generaal pardon af. Een groot aantal Maastrichtenaren die de Reformatie aanhingen, waren al voor of direct na het beleg de stad ontvlucht. De Protestanten die achter bleven, kregen de kans zich te bekeren tot het Katholicisme (met uitzondering van predikanten). Aan het kapittel van Sint-Servaas schonk Parma een nieuw verguld zilveren borstbeeld van Sint Servaas, dat zich nog steeds in de Schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek bevindt. Ook zou hij op 15 maart 1580 in het Spaans Gouvernement de vogelvrijverklaring van Willem van Oranje hebben ondertekend.[3]
De vestingwerken, de brug en veel gebouwen binnen de muren van Maastricht waren tijdens het beleg zwaar beschadigd. Het zou jaren duren voordat alle herstelwerkzaamheden waren uitgevoerd. Door de plunderingen waren veel kunstschatten en relikwieën verdwenen, waardoor de stad enkele belangrijke trekpleisters voor bedevaartgangers was kwijtgeraakt.[4] De economische positie van Maastricht als handelsstad, die toch al te lijden had gehad van de oorlog in het algemeen, was door het beleg ernstig verzwakt.
De plundering door de Spanjaarden was voor de Maastrichtse bevolking een traumatische ervaring geweest, die nog eeuwenlang nagalmde. Bij latere oorlogsdreigingen herinnerde men telkens aan het beleg van 1579, waarbij de burgerij er bij de garnizoensleiding op aandrong om de stad vroegtijdig over te geven, ter voorkoming van een herhaling van 1579. Gravures die de moorden en plunderingen in beeld brachten, werden nog tot aan het eind van de 17e eeuw verspreid (onder andere door Jan Luyken).
In 1632 werd Maastricht opnieuw belegerd. Tijdens het Beleg van Maastricht (1632) waren de rollen echter omgekeerd: de stad werd verdedigd door een Spaans garnizoen (samen met de burgers van Maastricht) en de aanvallers waren de Staatse troepen onder leiding van Prins Frederik Hendrik van Oranje.
Bronnen, noten en/of referenties
Verwijzingen
|