Sint-Servaasbasiliek (Maastricht)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Sint-Servaasbasiliek
Sint-Servaasbasiliek aan het Vrijthof
Sint-Servaasbasiliek aan het Vrijthof
Plaats Maastricht, Keizer Karelplein 6
Gebouwd in 6e/11e/12e/15e eeuw
Restauratie(s) 1870-1890, 1981-1992
Gewijd aan Sint-Servaas
Monumentale status Rijksmonument
Monumentnummer  27168
Architectuur
Bouwmateriaal kolenzandsteen, mergel
Stijlperiode romaans, gotisch
Portaal  Portaalicoon   Christendom

De Sint-Servaasbasiliek (Limburgs: Sintervaosbasiliek, of kortweg Sintervaos) is een kerkgebouw in het historische centrum van Maastricht, gelegen tussen drie pleinen: het Vrijthof, het Keizer Karelplein en het Henric van Veldekeplein. De kerk is, naar men aanneemt, gebouwd op het graf van Sint-Servaas en wordt beschouwd als de oudste nog bestaande kerk van Nederland. De basiliek behoort tot de Top 100 der Nederlandse UNESCO-monumenten. De grote driebeukige kruisbasiliek is grotendeels in romaanse stijl gebouwd met gebruikmaking van kolenzandsteen en mergel. Het kerkgebouw fungeert als parochiekerk van de Rooms-katholieke Sint-Servaasparochie en dekenaatskerk van Maastricht. Sinds 1985 voert de kerk de titel basilica minor (basiliek). De kerk, de kloostergangen en de schatkamer zijn dagelijks geopend voor publiek en tegen betaling te bezichtigen.

Geschiedenis[bewerken]

Archeologische opgraving onder de huidige schatkamer
Grafkruis Geldulfus, de belangrijkste bouwheer van de romaanse kerk
Interieur naar het westen, reconstructie situatie ca. 1200-1400 (Hustinx, 1904)
Sint-Servaaskerk (kopergravure, J. Harrewijn, 1697)
Neoclassicistisch interieur met verlaagd priesterkoor (tekening Ph. van Gulpen, ca. 1840)
Herbouw crypte tijdens restauratie Cuypers (foto Th. Weijnen, 1881)

De huidige Sint-Servaasbasiliek is waarschijnlijk de vierde kerk op deze locatie. Door een reeks archeologische opgravingen (met name de opgravingscampagne onder leiding van Titus Panhuysen in de jaren 1980) is de wordingsgeschiedenis van het huidige gebouwencomplex min of meer duidelijk geworden.

Grafkapel (384 - ca. 560)[bewerken]

Volgens de middeleeuwse legende reisde bisschop Aravatius (Servaas) aan het eind van zijn leven vanuit Tongeren naar Maastricht om daar te sterven, en werd hij aldaar, "nabij de grote weg, bij de brug" begraven. Volgens Gregorius van Tours werd er op zijn graf een houten kapel gebouwd, een cella memoriae, die al spoedig een bedevaartsplek werd.

Van 1985 tot 1989 werden bij archeologische opgravingen in de kerk ter hoogte van de Servaascrypte, op een diepte van 180 cm onder de huidige kerkvloer, resten van een min of meer vierkant gebouw van steen aangetroffen met de afmetingen 430 x 390 cm. Het gebouw lag aan de zuidrand van een laat-Romeins grafveld uit de 4e-5e eeuw, op een afstand van 100 m van de Romeinse weg (de Via Belgica). De ingang bevond zich aan de noordzijde. Aan de zuidzijde bevond zich een laat-antiek waterbassin (piscina), waarin twee munten uit de late 4e eeuw werden aangetroffen.[1] Bij de opgraving waren op een fundament van vuursteen en rode mortel resten te zien van 50-60 cm dikke muren van kolenzandsteen.[2] Het is mogelijk dat met dit gebouw de cella memoriae van Gregorius van Tours gevonden is.

Eerste Merovingische kerk (ca. 560 - 675)[bewerken]

Omstreeks 560 werd de houten grafkapel door bisschop Monulfus van Maastricht vervangen door een stenen kerk met crypte, volgens Gregorius van Tours een magnum templum, een grote tempel. Volgens sommige historici was de Merovingische kerk de kathedraal van het Bisdom Maastricht, hoewel er ook aanwijzingen zijn dat de Onze-Lieve-Vrouwekerk dat was.

Bij opgravingen in de jaren 1980 is de kerk van Monulfus teruggevonden. Het gebouw was 15 meter breed. Door de aanleg van de vieringscrypte in de 11e eeuw, is een deel van de fundamenten van deze kerk verwijderd. Als gevolg daarvan is onbekend hoe ver de muren naar het oosten doorliepen. Ook de plattegrond van het priesterkoor is daardoor niet meer te achterhalen. Waarschijnlijk is de kerk rond 650 een vijftal meters in westelijke richting uitgebreid, waardoor de cella memoriae uit de eerste bouwfase binnen de Merovingische kerk kwam te liggen.

Tweede Merovingische kerk (ca. 675 - 1000)[bewerken]

Door de grote toestroom van pelgrims naar het graf van de heilige werd de kerk van Monulfus al gauw te klein en moest al na een eeuw vervangen worden door een tweede Merovingische, vroeg-Karolingische basilica. Deze kerk, waarvan vrijwel de gehele plattegrond gedocumenteerd kon worden, mat 38 x 19 m, bezat een atrium aan de westzijde, aanbouwsels aan de oostelijke uiteinden van de zijbeuken, en een ingangsportaal aan de zuidzijde. Ook van deze kerk blijft de exacte vorm van het koor onbekend door de verstoring van de fundamenten bij de aanleg van de latere crypten. Wel zijn er aanwijzingen op een toen reeds bestaande crypte. Opgaand muurwerk is nauwelijks gevonden. De datering van de kerk in het derde kwart van de 7e eeuw is gebaseerd op C14-datering van skeletten uit naburige sarcofagen. Op een later tijdstip, wellicht in de 10e eeuw, is de kerk minimaal tien meter naar het westen toe uitgebreid.[3]

Tussen het puin werden talrijke stukjes muurschilderingen met geometrische en figuratieve voorstellingen en fragmenten van teksten aangetroffen. Daarnaast werden honderden glasscherven en een aantal loodstrips van de oorspronkelijke glas-in-loodbeglazing gevonden. Onder een oude mortelvloer werd vlak bij het priesterkoor een in drie stukken gebroken kalkstenen plaat met een vrij vlak reliëf gevonden uit de 1e helft van de 8e eeuw. Mogelijk is het afkomstig van een doksaal. Het linkerdeel toont De vlucht naar Egypte; het rechterdeel De kindermoord van Herodes. Bij de opgravingen werd midden in de as van de kerk, ongeveer 10 meter ten westen van het graf van Sint-Servaas, de begraafplaats aangetroffen van de heilige bisschoppen Monulfus en Gondulfus, de stichters van de eerste Merovingische kerk volgens de traditie. De vindplaats kwam precies overeen met de plek (in medio ecclesiae) die Heriger van Lobbes in de 10e eeuw had beschreven.[4]

In het begin van de 8e eeuw wordt het Sint-Servaasklooster weer in de schriftelijke bronnen genoemd als verbanningsoord van abt Wando van Fontenelle, een van de tegenstanders van Karel Martel in de Frankische Burgeroorlog. Uit het feit dat Wando door de Karolinger Karel Martel enkele tientallen jaren naar Maastricht werd verbannen, kan worden afgeleid dat de Karolingen toen zekere rechten over kerk en klooster van Sint-Servaas hadden.[5] Dit was zeker het geval in de 9e eeuw, toen Alcuinus en Einhard, beiden vooraanstaande hovelingen aan het Akense koningshof, in Maastricht lekenabt waren.

Bouw romaanse kerk (1000 - 1200)[bewerken]

De bouw van de huidige romaanse kerk vond in drie fases plaats. Rond het jaar 1000 werd de bestaande kerk tot op de fundamenten gesloopt en werd het terrein opgehoogd en geëgaliseerd, waarna de bouw van de nieuwe kerk begon. Van deze kerk staan nog grote delen overeind, o.a. het middenschip met de oorspronkelijke pijlers. De onder het bewind van proost Geldulfus tot stand gekomen eerste fase had reeds een imposant westwerk en werd verder gekenmerkt door een transept met polygonale uiteinden en omgangen. Het huidige grondplan van het oostkoor, de oostcrypte, de kleine crypte en de twee in 1969 ontdekte steunberen aan de oostkant van de apsis behoren tot de vroegste bouwfase van de romaanse kerk. In 1039 werd deze kerk in aanwezigheid van keizer Hendrik III door 12 bisschoppen ingewijd.

Tijdens de tweede bouwfase in de tweede helft van de 11e eeuw werden onder proost Humbertus belangrijke wijzigingen aangebracht. Volgens de uitvoerige tekst op zijn grafkruis bouwde Humbertus verder aan het westwerk, verving hij het polygonale transept door een rechthoekig dwarsschip met twee annexkapellen (de huidige schatkamer en de afgebroken Maternuskapel), vernieuwde hij de viering met de vieringscrypte eronder, en verbouwde hij de oostpartij (in de 12e eeuw sterk gewijzigd) en de kloostergebouwen (in de 15e eeuw vervangen door de huidige, gotische kruisgang).

De derde bouwfase vond plaats in de 12e eeuw onder de ambitieuze proosten Arnold van Wied en Gerard van Are.[6] Tijdens deze fase kreeg de oostpartij een ander aanzien door een nieuwe apsis met dwerggalerij en flankerende koortorens, naar het voorbeeld van de domkerken van Speyer en Mainz. Het westwerk werd in deze periode voltooid met een westkoor, een atrium met omringende galerijen, een zogenaamde keizersloge, een proostenkapel en op de hoogste verdieping de Keizerzaal. De architectuur van het westwerk vormde een afspiegeling van de status die de rijksonmiddellijke kerk toen had en de banden die de eigenkerk had met de keizers van het Heilige Roomse Rijk.

Romaans-gotisch-barokke kerk (1200 - 1797)[bewerken]

Na voltooiing van het romaanse bouwwerk werd de kerk nog verschillende keren verbouwd en aan de smaak van de tijd aangepast. Eind 12e, begin 13e eeuw verrees aan de zuidzijde het Bergportaal, waarschijnlijk de allereerste uiting van de gotiek in de Nederlanden. In de late 13e eeuw werd een groot gebeeldhouwd doksaal opgericht, waarmee het priesterkoor van het schip werd afgescheiden. Het beeldhouwwerk met afbeeldingen uit de Servaaslegende vormde de passende achtergrond voor het Servaasaltaar, dat boven het graf van de heilige was opgericht.

In de 14e en 15e eeuw werden de zijbeuken uitgebreid met kapellen in Maasgotische stijl. In het transept vervingen grote spitsboogvensters de romaanse ramen. Andere wijzigingen, zoals de toevoeging van steunberen en luchtbogen, hielden verband met de overwelving van het schip, de zijbeuken en het transept (ca. 1450). Als bouwmeester van het gotische gewelf wordt kanunnik Dierick Volquin genoemd, voor wie in de doopkapel een herinneringsplaquette is aangebracht. Kort daarop begon onder proost Antonius Hanneron de bouw van de laatgotische kloostergang en de Koningskapel, waarvoor de Franse koning Lodewijk XI in 1463 een grote som geld beschikbaar had gesteld. In 1556 werd een hoge, spitse middentoren op het westwerk geplaatst, waarin een carillon werd opgehangen.

Eind 17e eeuw kreeg de Vrijthofzijde van de kerk een barok tintje door nieuwe helmdaken op de beide koortorens en barokke krulgevels voor de 11e-eeuwse transeptkapellen. In 1770 kreeg ook het westwerk een barok aanzien door de nieuwe torenbekroning ontworpen door de Luikse architect Etienne Fayen. Ook het Bergportaal kreeg een barokfaçade. Het interieur van de kerk werd in 1632 gewit en onderging een eeuw later opnieuw grote wijzigingen. Het gotische doksaal werd toen gesloopt en het priesterkoor werd in barokke stijl aangekleed met beeldhouwwerk van Denis-Georges Bayar.

Secularisatie en herstel (na 1797)[bewerken]

Na de komst van de Fransen in 1794 kreeg het kapittel van Sint-Servaas zware oorlogsschattingen opgelegd, waardoor een groot deel van de kerkschat moest worden verkocht of omgesmolten. In 1796 kregen de kanunniken van Sint-Servaas van de Franse machthebbers opdracht om zowel de rijksadelaar op het westwerk, als de hardstenen paaltjes die het immuniteitsgebied van het kapittel markeerden, te verwijderen. De tweekoppige adelaar (teken van de vrije rijkskerk) en de paaltjes met de Servaassleutel (symbool van de onafhankelijkheid van het kapittel) waren de Fransen een doorn in het oog. Op 30 maart van dat jaar werd de rijksadelaar op het Vrijheidsplein (het Vrijthof) officieel ten grave gedragen. Op de plek van de adelaar verscheen een ijzeren tricolore met daarboven een vrijheidsmuts. Korte tijd daarna werd deze op zijn beurt vervangen door de keizerlijke adelaar van Napoleon Bonaparte.[7]

In december 1797 werden het kapittel en de proosdij van Sint-Servaas opgeheven en werden haar gebouwen verkocht. Het grootste deel van de kerkinventaris werd verkocht of vernield. De kerk zelf werd een tijdlang als paardenstal gebruikt. In 1804 kreeg de kerk opnieuw een religieuze bestemming, nu als parochiekerk. Begin 19e eeuw werd de 11e-eeuwse Sint-Maternuskapel, die met de dubbelkapel een symmetrisch ensemble vormde, gesloopt ten behoeve van de verbreding van het Vagevuur. Ook de Koningskapel werd wegens bouwvalligheid gesloopt (slechts een deel van de noordelijke muur resteert). Het interieur onderging in de eerste decennia van de 19e eeuw een totale metamorfose. Zo werd de middeleeuwse vieringscrypte gesloopt en het priesterkoor verlaagd. Wat nog resteerde van de middeleeuwse schilderingen verdween onder een neoclassicistisch cassetteplafond. De architect en meubelontwerper Mathias Soiron ontwierp onder andere een nieuwe preekstoel.[8] Ander meubilair werd overgenomen van opgeheven kloosterkerken.

Restauraties 19e/20e eeuw[bewerken]

In de periode 1870-1890 werd de Sint-Servaas zeer ingrijpend gerestaureerd door de bekende architect Pierre Cuypers. Cuypers herbouwde de kort daarvoor gesloopte vieringscrypte en liet de kerk beschilderen volgens een polychroom neoromaans decoratieschema. De schatkamer werd ondergebracht in de voormalige refter en kapittelschool in de westelijk kloostergang. Het Noordportaal aan het Keizer Karelplein werd door Cuypers van nieuw beeldhouwwerk voorzien. Een deel van de romaanse kapitelen aan de buitenzijde van de apsis en de koortorens werden vervangen. De vernieuwing van de puntgevel boven het oostkoor is door het abusievelijk gebruik van rode zandsteen nog steeds zeer zichtbaar. Ook het westwerk werd vernieuwd, waarbij de barokke noordelijke en zuidelijke westwerktorens werden vervangen door torens in neoromaanse stijl. Op de plaats van de middentoren van Fayen verrees een hoge, ranke toren in neogotische stijl. Deze laatste ging in 1955 door brand verloren, waarbij een deel van de torenspits door het dak van het middenschip stortte.

In 1981 ging opnieuw een ingrijpende restauratie van het kerkgebouw van start, onder leiding van T. van Hoogvest en P. Satijn. In de eerste fase werden het exterieur, de kloostergang en de schatkamer aangepakt, waardoor de kerk kon blijven functioneren. Tijdens de restauratie kwamen ernstige gebreken aan het licht. Eén steunbeer bleek door een bouwfout geen fundament te hebben, waardoor een grote scheur in een muur van het zuidelijke transept was ontstaan. Bij de restauratie werd het restant van de afgebrande middentoren van Cuypers verwijderd. De ingangsportalen aan de Vrijthofzijde werden hersteld. Na een bezoek van paus Johannes Paulus II in 1985, waarbij de kerk tot basilica minor werd verheven, verhuisde de parochie tijdelijk naar de Kruisherenkerk en begon de restauratie van het interieur. Er werd vloerverwarming aangelegd en een deel van de meubilering van de kerk werd vervangen. De neogotische muurschilderingen van Cuypers werden verwijderd en ervoor in de plaats kwam een beschildering in laatmiddeleeuwse stijl, gebaseerd op restanten van 15e-eeuwse gewelfschilderingen. De verwijdering van de Cuypers-decoraties en de reconstructie van de laatmiddeleeuwse situatie was controversieel en leidde tot veel discussie.

De restauratie werd in 1993 afgerond. De werkzaamheden waren dusdanig ingrijpend geweest, dat het nodig werd geacht de kerk opnieuw in te wijden. Bij de consecratieplechtigheid in 1993 waren 12 bisschoppen aanwezig. In enkele pilaren werden kleine kruisjes met het Heilig Oliesel aangebracht.

Functieverandering: kapittelkerk, pelgrimskerk en parochiekerk[bewerken]

Aan de Sint-Servaaskerk was vanaf de vroege 8e eeuw (en wellicht al eerder) een klooster verbonden. In de 9e eeuw is Einhard er abt. Vanaf de 12e eeuw gaan de monniken, dan kanunniken genoemd, zelfstandig wonen. Het kapittel is dan al een machtige instelling, met aan het hoofd een proost (voor de zakelijke bewindvoering) en een deken (voor het geestelijk welzijn van de kanunniken). Aan het kapittel waren een 40-tal prebenden verbonden. Het Sint-Servaaskapittel was zeer rijk door inkomsten van bezittingen, tiendrechten en andere feodale rechten in een groot gebied rondom Maastricht. De proosdij, van waaruit al deze bezittingen werden geadministreerd, bevond zich ten westen van de kerk. In de nabijheid van de proosdij bevonden zich tevens graanschuren, wijnkelders, een brouwerij en paardenstallen. De rijkdom van het kapittel kwam tot uitdrukking in de goedgevulde schatkamer, de vele verbouwingen aan kerk en klooster, de bouw van kanunnikenhuizen rondom de kerk en buitenhuizen in de omliggende dorpen, en het luxueuze leefpatroon van de kanunniken.

Nuvola single chevron right.svg Zie Kapittel van Sint-Servaas en Proosdij van Sint-Servaas voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

Vóór 1218 stichtten de kanunniken naast hun eigen kerk een aparte parochiekerk, de Sint-Janskerk. Vanaf dat moment deed de Servaaskerk nog slechts dienst als kapittel- en pelgrimskerk. In 1214 vond er het huwelijk plaats tussen Otto IV en Maria van Brabant. De bedevaartsfunctie kreeg een sterke impuls door de instelling van de heiligdomsvaart, voor het eerst genoemd in 1391. Vooral in de 15e eeuw was Maastricht daardoor een topbestemming voor pelgrims. Het Sint-Jacobs- en Sint-Servaasgasthuis, die beide aan het kapittel toebehoorden, vingen de pelgrims op. Door de Tachtigjarige Oorlog nam de stroom pelgrims in de 16e en 17e eeuw sterk af. Na de verovering van Maastricht door Frederik Hendrik (Beleg van Maastricht, 1632) kon het kapittel blijven voortbestaan. De Sint-Janskerk moest echter worden overgedragen aan de protestanten, waarna de Sint-Jansparochie kerkte in de kapel van het Sint-Jacobsgasthuis.

Na de opheffing van kapittel en proosdij in de Franse tijd kregen de gebouwen een profane bestemming. In 1804 kreeg de kerk haar religieuze bestemming terug, nu als parochiekerk. Gedurende de 19e en 20e eeuw werd de kerk aangeduid als 'hoofdparochiale kerk', waarmee werd aangegeven dat het de belangrijkste parochiekerk van Maastricht was. De Sint-Servaaskerk is tevens dekenaatskerk van het dekenaat Maastricht. In 2000 is de parochie een personele unie aangegaan met de Sint-Anna/Sint-Lambertusparochie. De huidige pastoor/deken is Mgr. M.J.M. Hanneman; kapelaan is M.C.P. Kessels; koster is P. Wolters. De pastorie en het parochiebureau bevinden zich aan het Keizer Karelplein. Dagelijks worden er in de Sint-Servaaskerk missen opgedragen, doordeweeks in de Servaaskapel, op zondag in de basiliek zelf. Aan de kerk is een gregoriaans mannenkoor verbonden, de Schola Gregoriana, en een gemengd koor, de Cappella Sancti Servatii.

Beschrijving exterieur[bewerken]

Oostpartij[bewerken]

De bouw van de oostpartij begon onder de 11e-eeuwse proosten Geldulfus en Humbertus, maar kreeg zijn huidige aanzien tijdens het bewind van proost Arnold van Wied in de 12e eeuw. De lagere delen van de apsis, het transept en de noordoostelijke dubbelkapel (de huidige schatkamer) zijn nog uit de tijd van Humbertus. De kenmerkende apsis met dwerggalerij en flankerende koortorens kwam waarschijnlijk in het tijdvak 1140-1150 tot stand. De twee lagere gevelzones van de apsis zijn geleed met rondbogige spaarvelden, de bovenste zone bestaat uit een open arcade gedragen door zuiltjes, de dwerggalerij. De Sint-Servaasapsis vertoont grote overeenkomsten met die van de Dom van Speyer en de Dom van Mainz, waarvan het een navolging is, en die van het Munster van Bonn, de abdijkerk van Maria Laach, de Sint-Gereonskerk in Keulen en de Sint-Kastorkerk in Koblenz, die op hun beurt naar het Maastrichtse voorbeeld werden gemodelleerd.[9] De apsis en koortorens zijn bij de Cuypers-restauratie ingrijpend gerestaureerd, waarbij ook de puntgevel boven de apsis in rode zandsteen werd herbouwd. De Vrijthofportalen aan weerszijden van het koor zijn bij de restauratie in de jaren 1980 hersteld en voorzien van bronzen deuren. De noordoostelijke portaaldeur (de 'Pausdeur') is van Appie Drielsma; de zuidoostelijke van Piet Killaars.

De romaanse bouwsculptuur van de oostpartij is van groot kunsthistorisch belang, ook al zijn een aantal kapitelen bij de Cuypers-restauratie rond 1870 vervangen door nieuwe exemplaren. De kapiteeltjes van de dwerggalerij zijn onbewerkt, maar alle andere kapitelen, zowel van de apsis als van de koortorens, zijn gebeeldhouwd en laten voorstellingen zien van vogels die in planten verstrikt zijn, vogels die met hun vleugels in elkaar verstrikt zijn, draken met in elkaar verstrikte staarten, draken met vogelkoppen die naar elkaar pikken, draken met vogelkoppen die naar leeuwen pikken, twee centauren omgeven door gebladerte, een mensachtig wezen verstrikt in planten, een mensachtig wezen dat door een leeuw in de borst gebeten wordt, een mensachtig wezen dat twee monsters wurgt en twee mensachtige wezens die elkaar omhelzen. Verder zijn er kapitelen met alleen palmetten en lancetvormige bladeren.[10] De betekenis van de afgebeelde voorstellingen, in veel gevallen ontleend aan middeleeuwse bestiaria, is niet in alle gevallen duidelijk. Vaak gaat het om de strijd tussen goed en kwaad, waarbij dieren, fabeldieren en planten de kwaadaardige kant van de natuur voorstellen.

Westwerk[bewerken]

De kern van het monumentale westwerk van de Sint-Servaaskerk kwam waarschijnlijk al tot stand tijdens de eerste bouwfase van de romaanse kerk, maar onderging in de 12e eeuw een ingrijpende vernieuwing. De zware onderbouw van kolenzandsteen heeft een rechthoekige plattegrond met een iets vooruitspringend middendeel. De drie horizontale gevelzones nemen naar boven toe in hoogte af en zijn voorzien van spaarvelden met rondbogen. In de bovenste zone bevinden zich rondboogvensters met deelzuiltjes. In de loop van de 13e eeuw werden waarschijnlijk de steunbogen, die over de straat Sint-Servaasklooster reiken, toegevoegd. Uit dezelfde tijd dateren de noordelijke en zuidelijke westbouwtorens (met 19e-eeuwse leien daken). Tussen deze twee torens hebben in de loop der eeuwen diverse middentorens gestaan. Na een brand in 1955, waarbij de neogotische toren werd vernield, werd bij de laatste restauratie besloten geen nieuwe middentoren te bouwen. In de noordtoren hangt een carillon, in de zuidtoren enkele luidklokken (o.a. Grameer, zie hieronder).

Zuidzijde en Bergportaal[bewerken]

Vanaf het Henric van Veldekeplein geeft de Sint-Servaasbasiliek een hybride aanblik: enerzijds het zware, romaanse westwerk, anderzijds de lichtere, gotische vormen van de zuidelijke zijbeuk, de zijkapellen, de luchtbogen van het gotische gewelf en het Bergportaal. Het grote raam in het zuidertransept heeft een gebeeldhouwde middenstijl met de Boom van Jesse, een geschenk van Victor de Stuers uit ca. 1900. Op de zuidoosthoek, in de nauwe straat tussen de Sint-Janskerk en de Sint-Servaas stond ooit de Maternuskapel. Op de zuidwesthoek van het complex stond tot begin 20e eeuw 't Spijker, een grote graanschuur van het kapittel. Tegenwoordig staan hier de bronzen beelden van Monulfus en Gondulfus van Jef Courtens.

Aan de zuidwestzijde van het schip verrees eind 12e, begin 13e eeuw het Bergportaal. De overwelfde voorhal van dit kerkportaal geldt als een der vroegste uitingen van de Gotiek in de Nederlanden. Een deel van het portaal, met name het beeldhouwwerk in het boogveld boven de doorgang naar de kerk, dateert nog van ca. 1180 en vertoont overeenkomsten met de Noodkist.[11] Waarschijnlijk werden de plannen voor het portaal later gewijzigd, zodat dit deel niet helemaal past bij de architectonische opbouw van het geheel. Op het boogveld zijn scènes uit het leven van Maria afgebeeld: in het bovenste segment de kroning van Maria, linksonder het sterfbed, rechtsonder de opwekking van Maria. De beelden in de archivolten stellen aartsvaders, profeten, heiligen en koningen voor. De twee binnenste archivolten zijn nog 12e-eeuws; de buitenste stammen uit de tweede bouwfase (rond 1215) en hebben al meer gotische vormen. De grotere beelden links van de toegangspoort stellen Samuel, David, Mozes en Abraham voor. Rechts zijn Simeon, Johannes de Doper, Johannes de Evangelist en Sint-Servaas afgebeeld.

De zijwanden van de vestibule zijn voorzien van romaans aandoende nissen waarin heiligenbeelden zijn geplaatst. Bijzonder zijn de in het portaal toegepaste zuiltjes van kalksinter, een marmerachtige steen die gevormd wordt door kalkafzetting in romeinse aquaducten in de Eifel.[12] Bij de restauratie van het portaal in 1883-87 is het beeldhouwwerk van een neogotische polychromie voorzien en heeft men een marmeren mozaïekvloer gelegd met een labyrint. Begin jaren 90 is het portaal opnieuw gerestaureerd, waarbij enkele beelden werden ontdaan van hun polychromie en werden teruggebracht naar hun oorspronkelijke toestand.

Noordzijde en Noordportaal[bewerken]

Aan het Keizer Karelplein bevindt zich het Noordportaal, de belangrijkste toegang tot de kerk en de schatkamer. Het kwam omstreeks 1475 tot stand, als sluitstuk van de nieuwe, gotische kruisgang. In de loop der eeuwen verloor het portaal vrijwel alle beelden en decoraties. Het huidige portaal is gotisch, maar alle beelden zijn neogotisch. In het spitsboogsegment staat Christus te midden van Sint-Petrus en Sint-Servaas. In de archivolten daaromheen zijn de twaalf apostelen afgebeeld. Naast de toegangspoort staan vier profeten opgesteld. Opvallend zijn de zeer hoge pinakels.

Naast het portaal bevindt zich links de pastorie en rechts de kosterswoning. De laatste is door Cuypers toegevoegd in 1894-95, toen ook de kloosterwand langs het Sint-Servaasklooster werd vernieuwd. Het pand werd in 1990 ingrijpend verbouwd, waarbij de ingang verplaatst werd naar het Sint-Servaasklooster. Op het plein voor het Noordportaal bevindt zich de Servaasfontein met een bronzen beeld van de heilige van de hand van Charles Vos.

Kruisgang en pandhoftuin[bewerken]

De kruisgang of pandhof bestaat uit drie kloostergangen met in het midden een kloostertuin. De zuidelijke vleugel heeft nooit onderdeel uitgemaakt van de kruisgang; hier bevinden zich de noordelijke zijkapellen, die alleen toegankelijk zijn vanuit de kerk. De kloostergangen worden gescheiden van de kloostertuin door gotische spitsboogramen met gedetailleerde traceringen, waarin onder andere de Franse lelie en het Bourgondisch kruis zijn te herkennen.[13] De pandhoftuin, die de vorm van een onregelmatige ruit heeft, is als een traditionele kloostertuin aangelegd met vier perken en een rond middenpleintje. De beplanting bestaat uit buxushagen, bomen en bodembedekkende lavendel. Op het middenpleintje staat een fontein, die ooit deel uitmaakte van de Sint-Servaasbron op het Vrijthof. Een deel van de tuin is bestraat. Hier kunnen ca. 100 stoelen worden geplaatst voor carillonconcerten. In de noordoosthoek van de kloostertuin staat de oude Grameer (zie hieronder).

Aan de westelijk kloostergang (de lange gaank) bevindt zich de vroegere refter en kapittelschool, later schatkamer, thans Sint-Servaaskapel en sacristie. De kapel doet dienst als dagkapel voor doordeweekse missen. Het 15e-eeuwse ribgewelf is gedecoreerd met bloemkransen. In de kapel staat een kostbaar altaarretabel, dat afkomstig is uit de Sint-Martinuskerk in Wyck. Het gebeeldhouwde retabel is waarschijnlijk rond 1500 in Brussel ontstaan. In de kapel bevindt zich tevens een 16e-eeuwse Anna te Drieën. De toegangsdeur van de voormalige kapittelzaal heeft een gebeeldhouwde middenstijl in Luikse renaissancestijl.

De noordelijke en oostelijke kloostergang vormen de verbinding tussen het Noordportaal en de bezoekersingang overdag. In de oostelijke gang bevindt zich de kassa en de ingang van de schatkamer. De twee noordelijke toegangsportalen tussen het klooster en de kerk zijn 12e-eeuws. Ze zijn om onbekende redenen naar hier verplaatst, waarschijnlijk tijdens de bouw van de kruisgang. Waar ze oorspronkelijk vandaan komen, is niet duidelijk; wellicht waren het de oostelijke toegangsportalen van de kerk.[14] Ze zijn zeer sterk verweerd, het noordwestelijke meer dan het noordoostelijke. Beide portalen hebben zuiltjes van kalksinter. Ondanks de zeer sterke verwering zijn leeuwtjes en een Atlas-figuur te herkennen. Boven het noordoostelijke portaal bevindt zich een timpaan met een voorstelling van de Majestas Domini in een mandorla, omgeven door de vier evangelistensymbolen. Het randschrift nodigt de bezoeker uit over de drempel te stappen en zich binnen van zonden te reinigen.[15] Het timpaan boven het andere portaal is 19e-eeuws.

Beschrijving interieur[bewerken]

Crypte[bewerken]

De Sint-Servaaskerk telt vier, oorspronkelijk vijf crypten. Onder het oostelijk deel van het schip bevindt zich de Servaascrypte, ook wel confessio genoemd, de oudste van de vier. Waarschijnlijk is dit het enige restant van de kerk van Monulfus uit de 6e eeuw. Ten oosten hiervan ligt de kleine crypte, een restant van een verbindingsgang naar de oostcrypte, beide daterend uit de vroege 11e eeuw, de eerste bouwfase van de romaanse kerk. De oostcrypte werd rond 1160 dichtgestort bij de bouw van de koorpartij, maar tijdens de Cuypers-restauratie weer ten dele uitgegraven en gereconstrueerd met graatgewelven op pijlers met vlakke dekplaten. Tussen de oostcrypte en de kleine crypte werd in de late 11e eeuw of in de 12e eeuw de vieringscrypte aangelegd. Deze werd in 1811 gesloopt, maar door Cuypers enkele tientallen jaren later weer opgebouwd, met nieuwe graatgewelven en zuilen met kapitelen in neoromaanse vormen.[16] Tot begin 19e eeuw bevond zich tevens een crypte onder het westkoor.

In de Servaascrypte bevindt zich het vermeende graf van Sint-Servaas, alhoewel de stoffelijke resten van de heilige zich na zijn translatie elders bevinden.[17] In de kleine crypte bevindt zich het graf van hertog Karel van Neder-Lotharingen (en volgens sommigen ook van zijn zoon, Otto II van Neder-Lotharingen). De vieringscrypte is ingericht als bidkapel. Er staat een centraal opgestelde, neogotische altaartafel en enkele stoelen. In een nis in de oostelijke muur staat op het Petrusaltaar de beschilderde sarcofaag van de bisschoppen van Maastricht, maar het is niet zeker of deze ooit als zodanig gefunctioneerd heeft. De ouderdom van de stenen sarcofaag is onbekend; de beschildering dateert uit de 16e of 17e eeuw.

De oostcrypte is sedert de laatste restauratie ingericht als lapidarium. Centraal in de ruimte staat de cenotaaf van Monulfus en Gondulfus (vroeger aangeduid als sarcofaag van Monulfus en Gondulfus) uit de 11e eeuw. Het is een grote zandstenen lijkkist met zadeldakvormig deksel, lengte 235 cm, breedte 117 cm, hoogte 56 - 93 cm. In de lange wanden zijn telkens vier ruitvormige openingen in terugliggende panelen uitgespaard; in de smalle zijden twee. Op de ene lange zijde bevindt zich een (later aangebracht) opschrift.[18] In 1628 werd de cenotaaf, die oorspronkelijk boven het graf van de heiligen in de middenbeuk van de kerk stond opgesteld, verwijderd en begraven. In 1890 werd ze teruggevonden en kreeg een plaats op het koor, achter het hoofdaltaar. Sinds 1990 staat de cenotaaf in de oostcrypte. Het onderstel van mergel met zwartmarmeren zuiltjes is 19e-eeuws. In de oostcrypte bevinden zich verder een fragment van een Romeinse sarcofaag, een viertal vroeg-christelijke grafstenen, enkele trapeziumvormige Frankische sarcofagen, verschillende romaanse kapitelen en een twintigtal brokstukken van het gotische doksaal. Het lapidarium is slechts op afspraak te bezichtigen.

Koor[bewerken]

De gewelfschilderingen in het priesterkoor, met name die in de koortravee, bevatten restanten van de middeleeuwse fresco's. Waarschijnlijk vormden de gewelfschilderingen samen met de verdwenen wandschilderingen in het koor een iconografisch samenhangend geheel.[19] De Madonna in de stralenkrans in het koepelgewelf is een typisch laatgotische toevoeging, waarschijnlijk uit de tijd dat het gotisch gewelf werd gebouwd en beschilderd (ca. 1450). De schildering in het apsisgewelf (de concha) is in de tijd van de Cuypers-restauraties geheel vernieuwd.

Het neogotische koorgestoelte, met afbeeldingen uit het leven van Franciscus van Assisi, is in 1898 vervaardigd door de firma Stoltefusz uit Roermond. De koorbanken, afkomstig van de gesloopte Derde Franciscanenkerk te Maastricht, werden in 1989 op het koor van de Sint-Servaaskerk geplaatst, waarbij het door de firma Verschueren vervaardigde koororgel werd ingebouwd. Het neogotische altaarciborie dateert uit 1900. Het moderne altaar en de lezenaar van Toscaans marmer zijn van Piet Killaars (1989).

Transept en transeptkapellen[bewerken]

Plattegrond kerk

Het transept met de twee Vrijthofportalen en de beide transeptkapellen kwam tot stand tijdens de 11e-eeuwse bouwcampagne van proost Humbertus. Het transept werd rond 1450 verhoogd en voorzien van een stenen gewelf.

De gebrandschilderde ramen (1870-80) in het transept, de zijbeuken en de zijkapellen zijn vrijwel allemaal afkomstig van het glasatelier F. Nicolas uit Roermond. Het grote, gotische raam in het noordertransept beeldt 7 van de 21 legendarische bisschoppen van Maastricht uit, verder Sint-Petrus en twee scènes uit het leven van Sint-Servaas, namelijk het opwekken van een bron en zijn kroning in de hemel (geschenk Petrus Regout, 1872). Het grote raam in het zuidertransept toont Sint-Maternus en de overige 14 bisschoppen van Maastricht (een geschenk in 1880 van enkele welgestelde families). De noordelijke transeptkapel, ooit de doorgang naar de Koningskapel, thans de kapel van de Heilige Eligius en Marcoen, heeft moderne ramen van Albert Troost (ca. 1990), met teksten uit het Magnificat. De beschildering is van vader en zoon Joseph Lücker (ca. 1880). Ook de zuidelijke transeptkapel (kapel van het Heilig Aanschijn) geeft nog een goed beeld van de 19e-eeuwse aankleding van architect Cuypers.

In het noordelijk transept bevinden zich enkele epitafen, waarvan die van Egidius Ruyschen in renaissancestijl waarschijnlijk de meest originele is. Daar in de buurt staat ook het indrukwekkende grafmonument van de graaf en gravin Van den Bergh (Johannes Bossier, 1685), dat in 1805 werd overgebracht vanuit de Dominicanenkerk. Het monument toont de gestorven graaf, liggend op een dodenkleed, beweend door zijn vrouw en geflankeerd door twee vrouwelijke figuren, Geloof en Hoop. Eveneens uit de Dominicanenkerk afkomstig zijn de rijkversierde biechtstoelen (Daniël van Vlierden, Hasselt, ca. 1700), waarvan er zowel in het noorder- als zuidertransept, als ook elders in de kerk, een aantal te bewonderen zijn. Van de barokke aankleding van het koor resteren nog twee marmeren pylonen met portretmedaillons van bisschoppen en personificaties van het Oude en Nieuwe Testament (koning David en vrouw met kelk en kruis). Ze werden in 1732 besteld bij de Namense beeldhouwer Denis-Georges Bayar.

Van de schilderijen (voornamelijk in de transeptarmen) kunnen genoemd worden: een groot drieluik, onderdeel van een epitaaf, met o.a. Het martelaarschap van Sint-Sebastiaan en afbeeldingen van de schenkers (16e eeuw), drie levensgrote schilderijen van Sint-Servatius, Sint-Dominicus en Sint-Hyacinthus (alle toegeschreven aan Gaspar de Crayer, 17e eeuw), De kruisiging van Paulus (naar Guido Reni, 17e eeuw) en twee van boven halfronde panelen met De toning van Christus aan het volk en De bewening van het lijk van Christus (17e eeuw).

Schip[bewerken]

Het schip van de Sint-Servaaskerk dateert nog grotendeels uit de 1e helft van de 11e eeuw. Het middenschip wordt van de zijbeuken gescheiden door rondbogen op zware, vierkante pijlers met imposten. Het schip van de kerk is overkluisd met netgewelven uit het midden van de 15e eeuw. Ter ondersteuning van het gewelf werden aan de buitenzijde luchtbogen aangebracht en voorzag men in het interieur de oude pijlers van halfzuiltjes en schalkenbundels met gebeeldhouwde kapitelen. De muren van het schip werden in deze periode iets verhoogd en de romaanse ramen (nog herkenbaar) werden vervangen door gotische. De gewelfschilderingen werden bij de laatste restauratie hersteld op basis van restanten van de originele 15e-eeuwse beschildering.

Het Marianum in het schip is 16e-eeuws. De grote 17e-eeuwse koperen kroonluchter in het westelijk deel van het schip is oorspronkelijk afkomstig uit de Grote of Sint-Laurenskerk in Rotterdam. De 750 kg wegende luchter werd in 1864 geschonken door Petrus Regout, evenals twee kleinere luchters in de transeptarmen.

In de middenbeuk ("in medio ecclesiae") zijn drie bisschoppen en minstens vijf proosten begraven. Het graf van Servaas (bisschop, †384), toegankelijk vanuit de crypte, ligt het dichtst bij het hoofdaltaar. Daarna volgen in westelijke richting: Jan van Eynatten (proost, †1530[20]), Monulfus en Gondulfus (bisschoppen van Maastricht, 6e eeuw), Engelbert van Heemstede[21] (proost, †1539), Geldulfus (proost, 11e eeuw), Jan Adolf van Brederode van Bolswart (proost, †1703) en Humbertus (proost, †1086).[22] Op het graf van Van Heemstede na, zijn alle graven gedekt met eenvoudige, moderne gedenktegels. Dat van proost Humbertus is gedekt met een koperen plaat, die kan worden opgetild om een blik in het graf te werpen.

Zijbeuken en zijkapellen[bewerken]

De zijbeuken zijn, net als het schip, overkluisd met kruisribgewelven. De decoratie van het gewelf is uit de late jaren 1980, maar gebaseerd op laatgotische schilderingen.

Oorspronkelijk bevonden zich aan elke kant van de kerk 7 zijkapellen, maar in de loop der tijden zijn dat er door het wegbreken van tussenmuren minder geworden. Aan de noordzijde van oost naar west: kapel van Onze-Lieve-Vrouw, Zetel-der-Wijsheid (met Sedes Sapientiae uit ca. 1275), Antonius-van-Paduakapel, kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Altijddurende Bijstand. Aan de zuidzijde van west naar oost: doopkapel (met geelkoperen doopvont, in de vorm van een kelk met een ronde kuip, op een ronde voet met achtkantige schacht, 15e-eeuws; het neogotische deksel is een geschenk van Victor de Stuers uit 1908), kapel van Onze-Lieve-Vrouw-der-Zeven-Smarten (met 15e-eeuwse piëta), Sint-Barbarakapel (met 15e-eeuws beeld van de Heilige Barbara), Sint-Jozefkapel (inrichting ca. 1875).

Westwerk[bewerken]

Westwerk ca. 1830 (tekening Alexander Schaepkens)

Het westwerk van de Sint-Servaasbasiliek wordt beschouwd als een van de interessantste architectonische ensembles uit de 12e eeuw in het Maasgebied.[23] Het bestaat uit een rechthoekig blok met drie verdiepingen met daarop twee torens. Het interieur is verdeeld in drie verhoogd gelegen centrale ruimtes, die in het verlengde liggen van het schip en de zijbeuken. Daaromheen liggen 7 kleinere ruimtes, waar zich onder andere de trappen naar de hogere verdiepingen bevinden. Het westwerk wordt visueel van de kerk gescheiden door zijn verhoogde ligging en door drie grote scheidingsbogen. De middelste centrale ruimte wordt aangeduid als het westwerkkoor en kan betreden worden via trappartijen aan weerszijden van het westwerkaltaar.

Op de bovenverdieping liggen de galerijen in een U-vorm rondom een atrium. De centrale ruimtes en de galerijen worden gedekt door romaanse kruisribgewelven. In de noordelijke galerijruimte bevindt zich de proostenkapel, de privékapel van de proost van het Sint-Servaaskapittel. Dit deel was vroeger door middel van een houten loopbrug langs de steunbogen verbonden met de proosdij van Sint-Servaas aan de overkant van de straat. In het centrale gedeelte van de middengalerij, exact tegenover het priesterkoor, bevindt zich de keizersloge. Deze ruimte wordt gemarkeerd door een triomfboog, een semi-koepelgewelf en een oculusvenster achter de plek waar de keizer zou moeten plaatsnemen. Of de Duitse koningen ooit hier gezeten hebben, is niet zeker. Wellicht was de aanwezigheid van de keizersloge symbolisch bedoeld om de status van eigenkerk van de Duitse koningen te benadrukken.

Boven de galerijverdieping bevindt zich de imposante Keizerzaal. De indeling correspondeert met die op de begane grond. De centrale ruimte heeft een koepelgewelf. Deze ruimte was ooit zichtbaar vanuit de kerk, en bood zicht op het priesterkoor, maar de open arcade werd bij de aanleg van het gotisch gewelf in de 15e eeuw verwijderd. De Keizerzaal wordt soms voor concerten gebruikt, maar is door de vele smalle trappen moeilijk bereikbaar.

De ramen in het westwerk werden rond 1990 door Albert Troost vervangen. Het ronde raam toont de zon, aan weerszijden daarvan zijn de aartsengelen Michaël en Gabriël afgebeeld. In het westwerk bevindt zich tevens het meer dan levensgrote standbeeld van Karel de Grote. Het gipsen beeld van de Belgische beeldhouwer Willem Geefs werd in 1845 geschonken door kolonel Nijpels, ter vervanging van een ouder, houten beeld. Het stond aanvankelijk in een meer prominente plaats vóór het westwerkaltaar, maar werd bij de laatste restauratie naar de noordelijke nevenruimtes verbannen, vrijwel onzichtbaar vanuit de kerk.

Het hoofdorgel, afkomstig uit de voormalige Dominicanenkerk, is in de kern 17e-eeuws, maar werd vele malen gerestaureerd en uitgebreid. De 19e-eeuwse orgelkast ontneemt enigszins het zicht op het westwerkkoor en de galerijen.

Nuvola single chevron right.svg Zie Orgels van de Sint-Servaasbasiliek in Maastricht voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Romaanse sculptuur westwerk[bewerken]

De architectonische sculptuur in het westwerk behoort tot de hoogtepunten van de Maaslandse kunst. Op de 34 bewerkte kapitelen zijn onder andere scènes te zien ontleend aan Augustinus' De Civitate Dei en middeleeuwse bestiaria. Behalve bladornamenten, vogels en diverse dierenparen, zijn mensen en mensachtige wezens afgebeeld in gevecht met dieren en planten, en mensen met hun dagelijkse bezigheden. Vooral die laatste categorie geeft een fascinerend inzicht in de middeleeuwse wereld. Op een kapiteel is te zien hoe een man, gezeten op een krukje, groenten snijdt, terwijl een ander een kruik draagt en weer een ander aan het oogsten is, terwijl hij een brood eet. Andere kapitelen beelden het werk in een wijngaard uit of laten vechtende mannen zien. Zeer bijzonder is het kapiteel waarop de 'metsen' (steenhouwers) zichzelf aan het werk hebben afgebeeld. Dit kapiteel, met vijf figuren, is het enige met tekst: operarii lapis ('de steenhouwers'). Sommige kapitelen blijven raadselachtig, zoals het kapiteel met een zittende aap, die een hond vastgrijpt, naast een blinde man, of het kapiteel met Blemmyae (hoofdeloze wezens met een gezicht op de buik) die worden aangevallen door Cynocefalen. Ook over de samenhang tussen al deze thema's (soms 3 of 4 verschillende op één kapiteel) is nog geen duidelijk antwoord te geven.[24] Door verschillende auteurs is een verband vastgesteld tussen de westwerkkapitelen en de bouwsculptuur in onder andere Bonn (dubbelkapel Schwarzrheindorf) en Eisenach (Nikolaïkerk en Wartburg).[25]

Ook een aantal bewaard gebleven reliëfs geven blijk van het hoogstaande niveau van de romaanse sculptuur in Maastricht. Het zogenaamde dubbelreliëf op het westwerkaltaar (ca. 1150-60) geeft door zijn vorm aan dat het van den beginne bedoeld was voor het westwerk: de vorm van het altaar correspondeert met de begane grond van het westwerk; de twee delen van het reliëf weerspiegelen de architectonische opbouw van de keizersloge in het westwerk. Het geheel is een weerspiegeling van de Civitate Dei ('stad Gods') van Augustinus.[26] Op het bovenste, halfronde paneel overhandigt Christus de hemelsleutel aan Petrus en de Servaassleutel aan Servatius. Op het onderste, rechthoekige paneel is de Maagd Maria met het Kind Jezus afgebeeld in een mandorla, die wordt vastgehouden door twee engelen. De mandorla en andere delen van het reliëf waren ooit versierd met edelstenen.

Klokken[bewerken]

De oude Grameer in de pandhof
De nieuwe Grameer in het westwerk

Beiaard[bewerken]

In 1544 waren er reeds plannen bij het kapittel van Sint-Servaas om een carillon in de toren te plaatsen als aankondiging van de uurslag. In 1555 leverde de Akense klokkengieter Henric van Trier negentien speelklokken, waarmee de kerk een van de oudste speciaal gegoten carillons uit de geschiedenis kreeg. Deze klokken kregen een plaats in de nieuw gebouwde middentoren van de westbouw van de kerk.

Nadat het stadsbestuur van Maastricht op de stadhuistoren een carillon van de gebroeders Hemony had laten installeren, drong bij het kapittel waarschijnlijk het besef door dat de beiaard van Van Trier niet echt welluidend klonk. De kapittelheren onderhandelden met de Antwerpse klokkengieter Melchior de Haze, een leerling van Hemony, over een nieuwe beiaard, maar deze onderhandelingen liepen op niets uit.

Pas in 1767 kreeg de klokkengieter Andreas Jozef van den Gheijn uit Leuven opdracht om een nieuwe beiaard te gieten van veertig klokken. De beiaard werd in 1770 geleverd. Ze kreeg na 1890 een plaats in de neogotische middentoren van Pierre Cuypers. In de 19e eeuw ontkwam de beiaard niet aan verval, het stokkenklavier moest plaats maken voor een pianoklavier ontworpen door de Maastrichtse pianobouwer Frederik Smulders. In 1935 keerde het stokkenklavier weer terug en werd de beiaard gerestaureerd. Bij de brand in de middentoren op 9 september 1955 ging het historische Servaascarillon grotendeels verloren. De meeste klokken doorstonden de brand weliswaar, maar konden toch niet terugkeren in de nieuwe beiaard. Elf van deze klokken zijn later ingepast in het carillon van het Stadhuis van Maastricht; enkele andere in het carillon van Schoonhoven.

In 1975 werd bij de klokkengieterij Eijsbouts een nieuw carillon gegoten dat in een van de koortorens aan de Vrijthofzijde werd opgehangen. In 1983, tijdens de omvangrijke restauratie van de kerk, werd dit carillon naar de noordelijke toren van de westbouw verplaatst en aangevuld tot het omvangrijke instrument van 59 klokken dat er nu hangt.

Een bekend beiaardier van de Sint-Servaasbasiliek was Benoit Franssen. Momenteel is Frank Steijns de vaste bespeler van het Servaascarillon en tevens stadsbeiaardier van Maastricht. In de zomermaanden zijn er speciale concerten die worden georganiseerd door de Stichting Carillons Maastricht en die kunnen worden bijgewoond in de pandhoftuin. Ook bij bepaalde kerkelijke gelegenheden worden er soms concerten gegeven.

Grameer[bewerken]

De grootste klok wordt Grameer genoemd (dialect voor 'grootmoeder', van Frans 'grand-mère') en werd gegoten op 21 juni 1515 door Willem en Jaspar Moer. In 1850 bleek dat de grote klok gebarsten was, waardoor de sonore klank verdwenen was. Een poging om deze barst te repareren leidde niet tot een bevredigend resultaat. De klok werd tijdens de Tweede Wereldoorlog verwijderd, maar in 1946 weer herplaatst. Tijdens de laatste restauratie van de kerk, rond 1980, werd besloten om een kopie van Grameer te maken, zodat de oude klok vervangen kon worden. De nieuwe Grameer werd ingewijd door bisschop Gijsen van Roermond en daarna in de zuidelijke toren van het westwerk getakeld. De uitzwaai van deze klok kan niet helemaal gemaakt worden, maar wanneer de atmosferische omstandigheden gunstig zijn, is de klok zeker drie tot zes kilometer verderop te horen. De nieuwe Grameer weegt 6.270 kg en is gegoten door Eijsbouts. Het gewicht van de oude Grameer bedraagt 6.350 kilo. De oude gebarsten Grameer is nu te bezichtigen in de pandhof die zich bevindt tussen de kruisgang.

Klokkenluidersgilde[bewerken]

De Sint-Servaasbasiliek heeft een eigen klokkenluidersgilde, dat op bepaalde dagen van het jaar de Grameer met de hand luidt. Het gilde heet Sint Monulfus en Gondulfus. De Grameer wordt onder meer geluid vlak voor de feestdag van Sint-Servaas op 13 mei. Soms wordt bij bijzondere gelegenheden de Grameer geluid, zoals in 2005 vlak na het overlijden van paus Johannes Paulus II. De Grameer wordt geluid op elke 16de juli van het kalenderjaar. Dit houdt verband met de feestdag van de bisschoppen Monulfus en Gondulfus. Het luiden van de oude Grameer werd vroeger gedaan door een aantal werklui die elke keer moesten worden ingehuurd. Omdat deken mgr. P.J.M. Jenneskens dit te duur vond, werd besloten om in 1959 een eigen klokkenluidersgilde op te richten. Het gilde bestaat nu uit ongeveer twintig mannen die op kerkelijke hoogfeestdagen de grote Grameer bedienen.

Schatkamer[bewerken]

De schatkamer van de kerk bevindt zich in de dubbelkapel, ook wel Stiftskapel genoemd, en is te bereiken via de oostelijke kloostergang. Ondanks zware verliezen in de Franse tijd, geldt de schatkamer van de Sint-Servaaskerk nog steeds als een der rijkste in Europa. Tot de belangrijkste kunstschatten die in de schatkamer bewaard worden, horen de Noodkist, de Sleutel van Sint-Servaas, het Borstkruis van Sint-Servaas en het Patriarchaal kruis.

Nuvola single chevron right.svg Zie Schatkamer Sint-Servaasbasiliek voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Trivia[bewerken]

  • Op kerstnacht 1575 vond tijdens de nachtmis een moord plaats, waarbij een Duitse soldaat door een Spanjaard werd overhoop gestoken. De mis werd voortgezet in de naastgelegen Sint-Janskerk en de Sint-Servaas moest opnieuw worden ingewijd.[27]
  • In 1596 werden een soldaat van het garnizoen betrapt in de crypte terwijl hij daar seks had met een Maastrichtse vrouw. De soldaat werd zonder pardon geëxecuteerd. Doordat hij had toegegeven dat hij de vrouw had verkracht, werd deze laatste gespaard, maar moest desalniettemin aan de schandpaal, waarna zij voor eeuwig uit de stad werd verbannen.[27]
  • In 1874 voerde deken Rutten van de Sint-Servaaskerk de 7-jaarlijkse traditie van de heiligdomsvaart opnieuw in, nadat deze, vanaf de inname van de stad door Frederik Hendrik in 1632, bijna tweeëneenhalve eeuw verboden was geweest. Na de processie werd deken Rutten door het gerecht veroordeeld, omdat de heiligdomsvaart niet voorkwam op een door de overheid goedgekeurde lijst van processies. Zeven jaar later werd de processie zonder problemen gedoogd.[28]
  • In 1954 viel de neogotische torenspits van Cuypers bij een brand door het dak van de kerk, waarbij ook de koperen kroonluchter, een geschenk van Petrus Regout, naar beneden viel. Na restauratie werd de zwaarbeschadigde luchter weer omhooggetakeld, waarbij het touw brak. Wonder boven wonder bleef de kroonluchter ditmaal onbeschadigd, doordat hij precies met de punt in een bij de eerste val ontstane barst in een plavuis bleef steken.[29]
  • Op 9 januari 1976 ondertekende koningin Juliana in de Sint-Servaaskerk de oprichtingsoorkonde van de Rijksuniversiteit Limburg, thans Universiteit Maastricht.
  • In 1981 werd voor het eerst op het Vrijthof een Preuvenemint gehouden, waarvan de opbrengst ten goede kwam aan de restauratie van de Sint-Servaaskerk. Het eetfestijn was een groot succes en wordt sindsdien jaarlijks herhaald, vanaf 1991 ook ten bate van andere goede doelen.
  • In december 1985 leidde de vondst van een graf met een skelet van opvallende lengte tot uitgebreide speculaties over de identiteit van de lange mins. Een theorie poneerde dat het hier om Reinier I Langhals zou gaan; een andere stelde Giselbert II voor. Zelfs Karel de Grote en Einhard werden genoemd. Onderzoek leverde slechts op dat het om een skelet van een 40- tot 50-jarige man uit de 10e eeuw ging.[30]
  • Het meer dan levensgrote standbeeld van Karel de Grote stond oorspronkelijk op een meer prominente plaats in het westwerk. Op de sokkel was de inscriptie S. Carolus Magnus te lezen, waarbij de S voor sanctus (heilig) stond. De aanduiding "heilig" is controversieel, omdat Karel de Grote in 1165 heilig werd verklaard door een tegenpaus, Paschalis III. Begin 20e eeuw werd de S door onbekenden weggeradeerd, maar bij de recente restauratie werd de letter opnieuw aangebracht.[31]
  • De Sint-Servaaskerk beschikt over twee labyrinten, één op het priesterkoor en één in het Bergportaal. Beide werden eind 19e eeuw tijdens de Cuypers-restauratie aangelegd. Het koorlabyrint, meestal bedekt door een tapijt, bevindt zich op de kruising van schip en transept en meet 888 x 888 cm.[32]
  • De Sint-Servaaskerk staat afgebeeld op klaveren aas van het standaard Nederlandse kaartspel.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen

  • Hackeng, R., Het Middeleeuws grondbezit van het Sint-Servaaskapittel te Maastricht in de regio Maas-Rijn. Maastricht, 2006 (online versie)
  • Hartog, E. den, Romanesque sculpture in Maastricht. Maastricht, 2002
  • Mekking, A.J.J., De Sint-Servaaskerk te Maastricht. Utrecht/Zutphen, 1986
  • Nispen tot Sevenaer, E.O.M. van, De monumenten in de gemeente Maastricht, Deel 1. Arnhem 1974 (on-line tekst)
  • Panhuysen, T., 'De Sint-Servaaskerk te Maastricht in de vroege middeleeuwen. Voorlopig eindverslag van de opgravingen door de dienst Stadsontwikkeling Maastricht in de periode 1981-1989'. In: Bulletin KNOB, #90, 1991, pp. 15-24 (on-line tekst)
  • Panhuysen, T., 'Sleutelfiguren uit de vroegste geschiedenis van de Sint-Servaasabdij van Maastricht'. In: Publications (PSHAL #147), 2011, pp. 9-62
  • Term, J. van, en J. Nelissen, Kerken van Maastricht. Maastricht, 1979
  • Ubachs, P., en I. Evers, Historische Encyclopedie Maastricht. Zutphen, 2005
  • Zimmern, M., Hagiography and the cult of saints in the Diocese of Liège, c. 700 - 980. University of St. Andrews, 2007 (on-line tekst)

Referenties

  1. Eén munt dateerde uit de regeringsperiode van Theodosius I (379-395).
  2. Panhuysen (1991), pp. 18-19.
  3. Panhuysen (1991), pp. 19-21; Panhuysen (2011), pp. 26-27.
  4. Gesta episcoporum Tungrensium, MGH SS VII (ed. R. Köpke, 176): "... en [Monulfus] besloot dat de bisschopszetel voortaan In Maastricht zou zijn, waar hij ook zelf in het midden van de kerk begraven wilde worden. Waar ook de heilige Gondulfus ... zijn grafplaats heeft" (Panhuysen, 1991, p. 24, noot 30).
  5. Zimmern, p. 60.
  6. Elizabeth den Hartog ziet Arnold van Wied als de voltooier van zowel het westwerk als het oostkoor, inclusief de bouwsculptuur (Den Hartog, p. 219). Mekking plaatst de voltooiing van de kerk iets later, tijdens het proostschap van Gerard van Are en Christiaan van Mainz (Mekking, p. 204).
  7. J. Luijten, 'De begrafenis van de rijksadelaar'. In: De Sint Servaas (tweemaandelijkse restauratie-informatie bulletin), juni 1983, pp. 72-73.
  8. Thans in de kerk van Elsloo.
  9. Den Hartog, pp. 141-142.
  10. Den Hartog, pp. 357-364.
  11. Den Hartog, p. 348.
  12. Zie 'Calcareous sinter' op Engelse Wikipedia
  13. Waarschijnlijk wilde het kapittel, dat juist in deze tijd een grote som geld had aangenomen van koning Lodewijk XI van Frankrijk, daarmee zijn neutraliteit uitdrukken in het Frans-Bourgondische conflict. Zie ook Antonius Hanneron.
  14. Elizabeth den Hartog vermoedt dat ze afkomstig waren van de Vrijthofzijde, waar ze een functie hadden in de rechtspraak (Den Hartog, pp. 151-156).
  15. De tekst op de boogrand (in twee regels van leonijnse hexameters) luidt: + HEC DOMUS ORANDI DOMUS EST PECCATA LAVANDI + + HOC SUBEAS LIMEN PURGARE VOLENS HOMO CRIMEN. Vertaling: Dit huis van gebed is een huis van reiniging der zonden. Treedt over de drempel, mens, als je jezelf wil reinigen van zonden. De tekst op de benedenrand luidt: + INTUS PECCATIS LAVACRUM DAT FONS PIETATIS. Vertaling: Binnen zal de bron van genade je vergeving van zonden verschaffen.
  16. De kapitelen die in 1881 bij de herbouw van de vieringscrypte werden gebruikt, werden rond 1900 alweer vervangen, nadat Victor de Stuers een kapiteel in het LGOG-museum (het huidige Bonnefantenmuseum) had gevonden, waarvan hij meende dat het uit de oorspronkelijke crypte afkomstig was. Cuypers gebruikte dit kapiteel - en andere herontdekte kapitelen - als voorbeeld voor de nieuwe serie crypte-kapitelen. Met uitzondering van het ene, door De Stuers gevonden kapiteel, dat zich thans in het lapidarium van de oostcrypte bevindt, bleek achteraf dat de andere voorbeelden niet uit de crypte afkomstig waren (Den Hartog, pp. 27-28).
  17. Relieken van Sint-Servaas bevinden zich in een groot aantal kerken verspreid over heel Europa. Een aantal relieken bevinden zich in de Noodkist; een deel van de schedel in het borstbeeld van Sint-Servaas (beide in de Schatkamer Sint-Servaasbasiliek).
  18. Het opschrift, in gotische minuskels, luidt: excitus · hac · archa · mondolphus · aquisq' dicato en op de andere zijde: gondolphus · templo · se reddit · uterq' · jerarcha. De schrijver laat het ‘templo aquis dicato’ slaan op de kerkwijding (met water), in tegenstelling tot de middeleeuwse vertaling die spreekt van de wijding der kerk te Aken (Latijnse naam: Aquisgrani).
  19. Volgens de kunsthistoricus Fred Ahsmann bevonden zich in het 12e-eeuwse handschrift Hortus deliciarum kopieën van de oorspronkelijke schilderingen tegen het koorgewelf. Het Lam Gods, de Engel des Heren en Christus als wereldrechter zijn nog aanwezig. De gewelfvakken van het koorgewelf waren beschilderd met voorstellingen uit het Bijbelboek Zacharia. Deze schilderingen vertonen qua thematiek een grote mate van overeenkomst met het iconografische programma van de wandschilderingen in de Sint-Clemenskerk (Schwarzrheindorf), wellicht zelfs door dezelfde schilders gemaakt en in opdracht van dezelfde proost, Arnold van Wied. Restanten van de wandschilderingen, onder een dikke pleisterlaag, werden in 1963-64 waarschijnlijk per ongeluk verwijderd (B. van Hellenberg Hubar, 'De gewelfschilderingen' en S. Tagage 'Uitmonstering'. In: De Sint Servaas, tweemaandelijkse restauratie-informatie bulletin, #82-3, pp. 24-25; #86-25, pp. 202-203).
  20. Wellicht klopt de sterfdatum op de gedenksteen niet. Van Eynatten was proost tot 1506.
  21. Wellicht is dit een verzamelgraf. De kolossale grafsteen van Van Heemstede is wellicht een epitaaf dat van elders afkomstig is. Het grafmonument is zwaar beschadigd en ontdaan van alle bronzen letters en versieringen.
  22. Titus Panhuysen, 'In medio ecclesia'. In: De Sint Servaas (restauratie-informatie bulletin) #57/58, juni/augustus 1991, pp. 453-458
  23. Den Hartog, p. 183.
  24. Den Hartog, pp. 183-231; 369-400.
  25. Mekking, pp. 195-202; Den Hartog, pp. 14-16.
  26. Mekking, pp. 222-278.
  27. a b I. Evers, 'Wandaden in de Sint Servaas'. In: De Sint Servaas (tweemaandelijkse restauratie-informatie bulletin), februari 1983, pp. 54-55.
  28. B. van Hellenberg Hubar, 'Het omstreden herstel van de Heiligdomsvaart in 1874', en E. Ramakers, 'Processies en processen'. In: De Sint Servaas (tweemaandelijkse restauratie-informatie bulletin), december 1984, p. 148.
  29. S. Minis, 'De kroonluchters van Petrus Regout'. In: De Sint Servaas (tweemaandelijkse restauratie-informatie bulletin), december 1984, p. 148.
  30. Th.J. van Rensch, 'De grote onbekende', J. van Term, '"De lange mins" op onderzoekstafel te Utrecht', M. van Heyst, 'Enkele aantekeningen over Giselbert II', en Tj. Bruintjes en R. Panhuysen, 'De "lange man" nader bekeken'. In: De Sint Servaas (tweemaandelijkse restauratie-informatie bulletin), juni 1986; februari 1987; oktober 1987, pp. 213-214; 250-252; 273-275.
  31. R. de La Haye, 'Karel de Grote aan de kant gezet'. In: De Sint Servaas (tweemaandelijkse restauratie-informatie bulletin), februari 1988, pp. 296-297.
  32. S. Tagage, 'Het doolhof onder het tapijt'. In: De Sint Servaas (tweemaandelijkse restauratie-informatie bulletin), augustus 1986, p. 224.