Klok (bel)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De 13e eeuwse luidklok van de kluiskerk te Warfhuizen, een van de oudste van Nederland. De klok is opgehangen aan een krukas.
de klepel
Monumentale klok te Gennep

Een klok is een metalen, meestal bronzen bel, doorgaans in een toren hangend. De klok diende (en dient soms nog) om de omwonende bevolking ergens op te attenderen of tegen te waarschuwen, bijvoorbeeld een evenement of onraad. Vanouds werden kerkklokken gebruikt om de mensen op te roepen voor het gebed of de kerkdienst - in sterk kerkelijke landen en streken kan men soms nog zien dat de mensen hun huis uit komen zodra de kerkklok begint te luiden; elders geschiedt het luiden alleen uit traditie. Ook wordt de klok gebruikt om de tijd aan te geven.

Klokken zijn kostbare symbolen, en veel klokken zijn eeuwenoud. Vroeger werden ze gegoten door mensen die ook kanonnen goten en vijzels maakten.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vond in Nederland en België een grote klokkenroof plaats; honderden klokken werden door de bezetter opgeëist en omgesmolten. Historische klokken van voor de 18e eeuw konden echter meestal behouden blijven.

De oudste klokken van Nederland dateren uit de 12e eeuw. De oudste gesigneerde luidklok van Nederland die nu nog bestaat, is gemaakt in 1285 en werd geluid in de eerste kerk van Hekelingen. Deze luidklok bevindt zich sinds 1916 in het Rijksmuseum te Amsterdam.[1] De oudste ongesigneerde luidklok van Nederland stamt uit 1284 en bevindt zich in het Fries Museum. Sommige klokken zijn echte stadssymbolen, zoals de Klokke Roeland in Gent of de Triomfklok in Brugge; zij worden alleen geluid bij koninklijke of kerkelijke hoogfeesten.

Een van de oudste afbeeldingen van luidklokken uit de Nederlanden bevindt zich op een miniatuur uit het evangeliarium van Egmond waarop de kloosterkerk van Egmond gestileerd staat afgebeeld. Het miniatuur stamt uit circa 975.

Legeringen[bewerken]

Klokkenbrons[bewerken]

Klokken worden meestal gegoten uit brons: een legering van 76-80% koper en 20-24% tin. Deze legering wordt klokspijs genoemd en wordt gezien als de ideale legering voor klokken. Het materiaal is vrijwel niet onderhevig aan corrosie, heeft voldoende sterkte en draagt bij tot een maximale klankrijkdom. Hoe hoger het tingehalte is hoe beter de klokken klinken. Dit komt tot uiting door een zilverachtige warme klankkleur en een lange uitklinktijd (nagalm).

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog was het klokkenbrons van mindere kwaliteit en slechter verkrijgbaar. Klokkengieters in Nederland maakten daarom gebruik van een laag tinpercentage waardoor deze klokken slechter klinken dan normaal is bij bronzen klokken. Ook werd vaak lood toegevoegd wat funest is voor een goede klankkwaliteit. Pas vanaf de jaren zeventig was weer klokkenbrons van hoge kwaliteit beschikbaar.

Het gieten van klokken is een ambacht: voor elke klok moet een vorm worden gemaakt, en het gieten vereist veel geduld en vakmanschap. Schiller heeft een gedicht geschreven (Das Lied von der Glocke) waarin de vorming van een mens wordt vergeleken met het gieten van een klok. Klokkengieters voorzien hun werk vaak van een randschrift waarin met enige trots wordt vermeld wie de maker is.

Doordat het materiaal van klokken bruikbaar is voor de oorlogsindustrie, hebben kerken vele eeuwen tijdens verschillende bezettingen hun klokken zien verdwijnen. De Nederlandse Klokken- en Orgelraad stelde in 1937 een lijst op van kerkklokken die in tijd van oorlog 'geofferd' zouden worden. Rond 1940 waren ongeveer 9000 torenklokken ingedeeld, met een totaal gewicht van ongeveer 3.500.000 kg. De Inspectie Kunstbescherming voorzag de klokken van een stempel: A, B, C, M of P. M stond voor een monumentale klok. Slechts 25 procent kon blijven hangen; de rest zou in geval van oorlog worden afgevoerd. De Duitse bezetter maakte dankbaar gebruik van de lijst. In 1945 waren er 4660 klokken afgevoerd en omgesmolten. Dit betrof een totaal gewicht van 1.918.000 kg, 55,6% van de geregistreerde klokken.

Gietstaalklokken[bewerken]

Van 1851 tot 1970 werden in Bochum (Duitsland) door Bochumer Verein klokken gegoten uit gietstaal. Tot midden in de jaren vijftig werden meer dan 20.000 staalklokken gegoten en over de gehele wereld verspreid. De populariteit van staalklokken nam vooral toe in Duitsland na de oorlogsjaren doordat veel bronzen klokken toen omgesmolten waren en vlak na de oorlog brons moeilijk verkrijgbaar was. Hierdoor was een staalklok een goedkoper alternatief dan een bronzen klok. Na de 60er jaren nam de vraag naar staalklokken zover af dat Bochumer Verein uiteindelijk gestopt is met de productie. Staalklokken worden vanwege slechte klankkwaliteit en roest steeds meer vervangen door bronzen klokken.

Staalklokken bezitten een zogenoemde flenskroon. De klankkwaliteit van een staalklok is beduidend minder dan bij bronzen klokken. Vooral de uitklinktijd is opvallend kort. Om tot een beter klankresultaat te komen wordt de klepel vaak voorzien van een bronzen stift. Verder zijn staalklokken in hoge mate gevoelig voor corrosie waardoor ze maar een korte levensduur hebben. Doordat staalklokken voor dezelfde toonhoogte een grotere diameter hebben dan bronzen klokken hebben ze een langzamer luidtempo dan bronzen klokken. Een goed voorbeeld van een staalgelui hangt in de dom van Osnabrück.

Gietijzer-klokken[bewerken]

De bekendste klokkengieterij die klokken vervaardigde van gietijzer was Weule uit Bockenem in Duitsland. Vandaar dat deze klokken ook Eisenhartguß-klokken genoemd worden. Omdat gietijzer poreus is en de voor deze klokken gebruikte ijzerlegering zeer gevoelig is voor roestvorming vanuit de kristalstructuur is de levensduur van de klok beperkt. De klankkwaliteit van deze klokken is vaak niet bijzonder. Wanneer men een gietijzeren klok van dezelfde toonhoogte vergelijkt met bronzen klok is te constateren dat de diameter en het gewicht hoger uitvallen. Een goed klinkende eisenhartguß klok bevindt zich in de gereformeerde kerk te Harkema.

Messing klokken[bewerken]

De Briloner klokkengieterij Junker begon vanaf 1930 met het gieten van messing klokken, die bestaan uit een tinvrije legering met ca. 92% koper. De klankeigenschappen van deze klokken zijn meer te vergelijken met bronzen klokken dan met stalen of gietijzeren klokken; ze hebben echter een kortere uitklinktijd dan bronzen klokken.

Zinkklokken[bewerken]

Klokken gegoten uit zink werden in de late oorlogsjaren gemaakt uit een koper-zinklegering. Normaliter bezitten deze klokken geen kroon en ze zijn in klankkwaliteit uit te drukken als uiterst mat, dof en kort van toon.

Witbronzen klokken[bewerken]

Witbronzen klokken zijn gegoten uit een aluminium-koperlegering. De eigenschappen van deze legering zijn dat het materiaal extreem week is waardoor de klok tijdens het luiden een zeer hoge slijtage heeft. Klanktechnisch gezien hebben deze klokken praktisch geen nagalm (uitklinktijd) en een doffe klankkleur.

Gietproces[bewerken]

Alvorens een klok gegoten kan worden moet er een mal gemaakt worden waarin het vloeibare brons gegoten kan worden. Het gehele proces valt onder de zogenoemde verloren was-methode.

Mal[bewerken]

Om de precieze vorm van de klok vast te leggen moet er eerst gebruik worden gemaakt van twee mallen. Deze kunnen gemaakt zijn van houten of metalen platen. Hierop wordt op de ene mal de binnenvorm getekend en op de andere mal de buitenvorm. Vervolgens worden deze uitgezaagd zodat deze bruikbaar is voor het vervolgproces.

Kern[bewerken]

De kern is de basis van de uiteindelijke klokkenmal waarin de binnenmaat wordt vastgelegd. De kern wordt opgebouwd uit bakstenen totdat hij vlak onder de binnenmal uitkomt. De mal is vervolgens bevestigd aan een spil die kan ronddraaien zodat de klok symmetrisch wordt. Vervolgens wordt door middel van leem de kern verder opgevuld tot aan de mal. Doordat de mal ronddraait wordt het overtollige leem van de kern afgeschraapt, waardoor de kern de juiste afmetingen krijgt. Wanneer dit proces voltooid is, wordt het leem gedroogd alvorens begonnen kan worden met de volgende stap.

Valse klok[bewerken]

De eerste mal voor de binnenvorm wordt verwijderd en de tweede mal wordt bevestigd aan de spil. Deze mal kan uitsparingen bevatten die dienen om op de valse klok sierringen aan te brengen. Het overige gedeelte wordt nu opgevuld door was. Via dezelfde methode als de kern wordt het overtollige was door middel van de mal weggeschraapt. Wanneer dit proces voltooid is en het was gedroogd is, kan de klokkengieter overige versieringen en teksten op het wasmodel plakken. Ook dit geschiedt met was. Het was heeft nu de exacte vorm van de toekomstige klok.

Komt er tekst op een klok, dan kan dat een spreuk of gedicht zijn. Ook staat er vaak iets over de wijze waarop de klok gemaakt is, bijvoorbeeld "Eijsbouts heeft mij gegoten in 1977". Ten slotte heeft een klok vaak een naam, en ook die wordt op de klok vermeld. Wordt de klok naar een persoon genoemd, dan gebruikt men steeds de voornaam. De klok kan dus niet "Sint Maarten" of "Frits Philips" heten maar wel "Maarten" of "Frits".

Mantel[bewerken]

Over de zogenoemde valse klok wordt opnieuw een leemlaag aangebracht die als een mantel om de klok heen zit. Deze leemlaag wordt door andere materialen verstevigd, bijvoorbeeld door vlas, zodat de mantel afneembaar is van de kern en de valse klok, zonder dat hij beschadigd wordt of scheurt. Aan de binnenkant van de mantel staat nu precies de afdruk van de valse klok. Wanneer dit voltooid is, moet de mantel drogen. Vervolgens wordt de mantel van de kern afgenomen en wordt het was voorzichtig uitgenomen, zodat er geen beschadigingen ontstaan aan de kern en de mantel. Hierna wordt de kern en de mantel ingesmeerd met grafiet om ervoor te zorgen dat de toekomstige klok makkelijk loslaat van deze elementen. Hierna wordt de mantel weer op de kern gezet waardoor er nu een holle ruimte is gecreëerd waar het brons in kan lopen. Vervolgens worden de kern en mantel ingegraven in zand. Dit wordt gedaan om te voorkomen dat tijdens het gieten door de opwaartse druk van het brons de mantel losraakt van de kern. Verder wordt er een loopkanaal aangelegd waardoor het brons in de mal kan stromen. Tevens wordt een ontluchtingskanaal aangebracht.

Gieten[bewerken]

In een vuurvaste oven wordt een hoeveelheid brons verwarmd tot het smeltpunt. Wanneer het brons vloeibaar is geworden, laat men het in de mal lopen. Dit proces gaat door totdat de mal geheel gevuld is met brons. De gieting is voltooid.

Uitpakken van de klok[bewerken]

Wanneer het brons voldoende is afgekoeld wordt de klok uit de vorm gehaald. Vervolgens wordt de klok verder afgewerkt door middel van polijsten.

Stemmen[bewerken]

Ten slotte kan de klok gestemd worden. Voor beiaarden is dit noodzakelijk, luidklokken worden historisch gezien altijd op toon gegoten en dus niet gestemd. Bij een klok worden alle boventonen apart gestemd, een kunst die tegenwoordig meestal met behulp van computers wordt uitgevoerd. Het stemmen geschiedt door langs de binnenkant materiaal weg te slijpen.

Nu is de klok klaar om opgehangen te worden in een toren.

Klokkengieters in Nederland[bewerken]

Historische klokkengieters[bewerken]

Nederland heeft een rijke geschiedenis betreffende de klokkengieters. Twee klokkengieters uit het verleden hebben een belangrijke bijdrage geleverd voor de campanologie:

Andere klokkengieters:

Huidige klokkengieters[bewerken]

Tegenwoordig kent Nederland nog een drietal klokkengieters, namelijk:

De klepel[bewerken]

Een juist geproportioneerde klepel speelt een belangrijk rol voor de klankkwaliteit van de klok. De klepel bestaat uit de volgende onderdelen:

  • blad, hieraan is de klepel bevestigd, door middel van een leren band, aan het klepeloog in de klok;
  • schacht, het gedeelte tussen blad en klepelbol;
  • klepelbol, ronde bol die tegen de klok aan slaat tijdens het luiden;
  • vlucht of staart, het gedeelte dat zich onder de klepelbol bevindt.

De klepel weegt ca. 3,5% van het totale klokgewicht. Een te zwaar geproportioneerde klepel veroorzaakt vooral bij het vallende-klepelsysteem een hoge slijtage van de klok, waardoor een verhoogd risico ontstaat op scheuren van de klok. De grootte van de klepelbol heeft invloed op de klankverhouding van grond- en boventonen. In de regel geldt dat de klepelbol 5/3 is van de slagringsterkte van de luidklok. Het zwaartepunt van de klepel moet zich bevinden in de bol en moet de klok raken op de slagrand.

De klepel is normaliter gemaakt van gesmeed ijzer. Een klepel die gemaakt is van te hard materiaal, beïnvloedt de klank van de klok op negatieve wijze, bovendien wordt de klok zwaarder belast.

Ophanging[bewerken]

De luidklok klinkt doordat de hele klok om een as draait. Dit wordt tegenwoordig vaak met een motor gedaan maar kan ook met een touw of met de hand worden gedaan.

Rechte luidas, vliegende klepel[bewerken]

De klok hangt aan een rechte as die boven de klok zit. Het gehele gewicht van de klok hangt onder het draaipunt van de as. Dit is voor Nederlandse klokken de historisch juiste ophanging. Vóór de Tweede Wereldoorlog hingen (op een enkele uitzondering na) alle klokken aan rechte assen. In de oorlog moesten alle klokken uit de torens gehaald worden. Toen ze na de oorlog opnieuw opgehangen werden, zijn de klokken, met als argument "lichter luiden", omgehangen tot krukas. In de Dom te Utrecht bevinden zich klokken van wel ruim 8 ton met een vliegende klepel. Ook de 24 ton wegende Sint-Pietersklok in de Dom van Keulen hangt aan een rechte as. De klok draait tot de hoogte van de as en de klepel vliegt tegen de slagrand aan de bovenkant wat resulteert in maximale klankrijkdom en een lage belasting voor de luidklok zelf. Deze manier van ophanging is standaard in België, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk en Frankrijk.

Gekrukte luidas, vallende klepel[bewerken]

De klok is ingewerkt in de as, de zogenaamde krukas; het gewicht is verdeeld in ca. 2/3 klokgewicht onder het draaipunt en 1/3 klokgewicht boven het draaipunt. Hierdoor dient het gedeelte wat zich boven het draaipunt bevindt als een soort contragewicht. De luidtempo is minder snel dan bijvoorbeeld bij de rechteastechniek; de klok kantelt en de klepel valt (beter gezegd botst) tegen de slagrand aan de onderkant. Dit resulteert in hoge reactiekrachten op de klok, wat uiteindelijk kan resulteren in het scheuren van de klok. Ook wordt de klok belast door inwendige krachten doordat de klok zelf een gedeelte van haar eigen gewicht moet dragen tijdens het luiden. De klankrijkdom van een luidende klok aan een krukas is beduidend slechter dan een klok aan een rechte as. Het voordeel van dit systeem is dat de klokkenluider minder kracht hoeft te zetten om de klok in beweging te brengen. Deze techniek is in Nederland het meest toegepast, echter door de nadelige effecten van dit systeem op de klok, vanwege een hoge slijtage, worden vooral de historische, maar ook niet historische luidklokken weer omgehangen naar een rechte luidas.

Lassen[bewerken]

Door een verkeerde ophanging (krukas), een verkeerd geproportioneerde klepel of te hoog opluiden van de klok is er een verhoogd risico aanwezig dat de klok barst. Dit houdt in dat er in de klok op een bepaalde plaats een scheur zit. Het komt ook voor dat de klok doorboord is en doorstoken met ijzeren draadstangen. Door uitzetting van de draadstangen (door roesten) komen er extra krachten op de klok te staan, die uiteindelijk ook resulteren in scheuren. Wanneer de klok gebarsten is, heeft de klok zijn klank grotendeels verloren. Verder is er een groot risico dat bij doorluiden een stuk brons uit de klok valt. Daarom worden klokken die gebarsten zijn meteen stilgelegd. Sinds de 20e eeuw is het mogelijk om de klok te laten lassen. Het lassen bestaat uit de volgende processen:

  • wegslijpen van brons rondom de scheur;
  • verwarmen van de klok tot ca. 400 graden Celsius;
  • oplassen van de scheur met brons;
  • klok langzaam laten afkoelen;
  • nabewerking.

Op deze wijze kunnen vooral historische klokken weer in hun oude glorie hersteld worden. Vóór de 20e eeuw werden gescheurde klokken omgesmolten waarbij het brons weer gebruikt werd voor een nieuwe klok.

Klokkenfirma’s die zich bezighouden met lassen zijn:

Gebruik[bewerken]

Er zijn vele manieren en gebruiken om een klok tot klinken te brengen. Veelal zijn deze gebruiken per regio, of reden tot het luiden, verschillend.

Luiden[bewerken]

Bij luiden zwaait men de klok heen en weer zodat de klepel afwisselend tegen de beide zijden van de klok slaat. Deze manier van luiden wordt gebruikt bij het luiden voor de protestantse kerkdiensten en katholieke missen, trouwerijen, begrafenissen en (nationale) feestdagen zoals Pasen, Kerstmis, Koningsdag en dergelijke.

Ook bestaat er het luiden om dagdelen aan te geven, zoals het angelusluiden (katholiek) om 6.00, 12.00 en 18.00 uur. De traditie van het angelusluiden bestaat nog in veel steden en dorpen in Nederland en de rest van de wereld. Naast het angelusluiden bestaat er het aangeven van de werktijden (protestants). Deze wijze komt onder meer nog voor op het Zeeuwse eiland Tholen. Bij de marine werd om de dertig minuten een scheepsbel geluid om de tijd aan te geven. Na acht keer waren er vier uren verstreken en werd de wacht afgelost.

Kleppen[bewerken]

Bij kleppen zwaait men de klok heen en weer waarbij de klepel van de klok slechts aan één zijde slaat. Deze manier wordt gebruikt om een sober geluid voort te brengen of om een precies aantal klokslagen te verkrijgen. Hierbij kan men denken aan brand of begrafenissen. Hierbij wordt de klok minutenlang geluid aan slechts een kant waarbij de grootte van de luidklok niet uitmaakt. Dit gebruik bestaat nog in sommige landelijke dorpen.

Het kleppen voor een precies aantal klokslagen gebeurt bijvoorbeeld bij het handmatig luiden van het Angelus. Voordat een angelusklok luidt, gaan eerst drie maal drie klokslagen voor. Met een elektrische mechaniek zorgt een uitwendige hamer voor deze slagen (hetzelfde als bij het aangeven van de uren). Bij het handmatig luiden van het Angelus wordt de klok licht geluid of gekanteld om deze drie maal drie klokslagen te verkrijgen.

Ook kan men een klok kleppen bij de consecratie. Bij de opheffing van de hostie en het heilig bloed in de miskelk wordt er binnen het kerkgebouw geluid met een altaarschel, maar soms ook in de toren geklept met een luidklok. Hierbij is het noodzakelijk dat de klok slechts drie maal slaat. Bij deze manier van kleppen worden vaak de kleinere luidklokken gebruikt, simpelweg omdat kleine klokken beter controleerbaar zijn zodat men het precieze aantal slagen krijgt.

Omdat kleppen alleen handmatig mogelijk is, wordt het nog weinig gedaan. Zo laten veel kerken de klok gewoon 'normaal' luiden bij consecraties en begrafenissen.

Beieren[bewerken]

Bij het beieren hangt de klok stil en beweegt men de klepel naar de klokwand toe totdat de klepel de klok raakt. Deze manier wordt gebruikt bij het bespelen van een beiaard (vandaar ook wellicht de herkomst van de naam beiaard), maar ook bij uitzonderlijke klokken. De Sint Nicolaaskerk te Denekamp in Overijssel staat bekend om het beieren van haar klokken.

Slaan[bewerken]

Bij slaan hangt de klok stil en wordt de klok aangeslagen door middel van een externe hamer. Dit wordt vooral gedaan bij het aangeven van de uren.

Het is niet ongewoon dat een klok tegelijk dienst doet als luidklok (zwaaiende klok met klepel in het midden) en als beiaard- of slagklok (stilhangende klok met hamer opzij). De beiaardhamer zit dan aan de buitenkant, zodat hij niet in de weg zit als de klok in beweging komt.

Vierkantluiden[bewerken]

Is een luidmethode zoals beschreven bij 'luiden' wat uitgevoerd wordt bij twee of drie luidklokken bevestigd aan rechte luidassen. Het vierkantluiden wordt veroorzaakt door de grote klok op normale hoogte te luiden en de kleine klok hoger op te luiden. Hierdoor ontstaat bij de kleine luidklok een lager luidtempo waardoor hij in hetzelfde tempo kan luiden als de grote klok. Door er voor te zorgen dat de slagen van de kleine klok precies tussen de grote klok vallen, is er sprake van vierkantluiden. Dit luiden wordt nog altijd toegepast in zuidoost Friesland, echter zijn er aanwijzingen die er op kunnen duiden dat ook in de provincie Groningen en Oost-Friesland (Duitsland) de klokken vroeger zo geluid zijn.

De Spaanse wijze[bewerken]

In Spanje, Portugal, hun voormalige koloniën en in het zuiden van Frankrijk worden de klokken aan de buitenzijden van een speciale toren gehangen. De klokken zijn allemaal van het vliegende type, maar zijn doordraaiend. De klok draait dus altijd door in één richting (ze gaat over de kop), tot het touw op is, waarna de klok in tegengestelde richting gedraaid wordt. De klank is hier veel krachtiger, doordat de g-kracht maximaal wordt benut en door de plaatsing van de klokken.

Change ringing (wisselluiden)[bewerken]

In Engelstalige landen wordt soms een hele reeks diatonisch gestemde klokken gebruikt. Het aantal klokken in de reeks varieert van 4 tot 16. Deze manier van luiden is kenmerkend voor Groot-Brittannië. Het wisselluiden stamt uit de Middeleeuwen, maar de bloeitijd lag in de 17e en begin 18e eeuw. Daarna raakte het in verval, maar thans is het weer actueel en wordt het in ruim 5500 klokkentorens in Engeland weer toegepast.

De klokken draaien iets meer dan 360 graden rond. In de ruststand bevindt de klok zich iets voorbij het bovenste punt, dus met de mond van de klok omhoog. Doordat men zachtjes aan het touw trekt, komt de klok in beweging. De klok zwaait naar beneden, de klepel slaat tegen de klok, en de klok komt aan de andere kant weer omhoog, waar ze iets voorbij het bovenste punt weer tot rust komt. Daarna trekt de klokkenluider opnieuw, zodat de klok weer terugzwaait.

Door elke klok handmatig op een ander moment te laten luiden (gecontroleerde vliegende klepels) kan men bepaalde patronen doen ontstaan. Deze techniek is zeer populair, maar is slechts mogelijk met betrekkelijk kleine klokken. Deze manier van luiden wordt altijd met touwen gedaan.

De personen die deze techniek toepassen, moeten elkaar goed in de gaten houden. Meestal begint de hoogste klok (nummer 1 of treble), terwijl de luider zijn collega's waarschuwt: "Treble going - she's gone!" Even nadat 1 aan zijn touw trekt, trekt 2, en daarna 3. Tegen de tijd dat klok 1 klinkt, is luider 4 al aan de beurt om te trekken. Nu klinkt er een dalende toonladder, bijvoorbeeld BAGFEDC. Dit patroon wordt echter niet precies zo herhaald. 1 zal, als zijn klok omhoog komt, de klok iets tegenhouden, zodat de klok in de volgende reeks wat later komt. Bovendien zal 2 de klok wat eerder terugtrekken. Het resultaat is ABGFEDC, AGBFEDC enzovoort. Volgens de regels van change ringing moet iedere combinatie van tonen een keer voorkomen. Met zeven klokken zijn er ruim 5000 combinaties, zodat het hele spel meer dan een uur kan duren.

In Nederland is er een soortgelijke situatie van wisselluiden gebruikt bij de stadskerk van Geldrop, de St. Brigidakerk. Alleen worden de klokken niet op de Engelse manier geluid, maar worden de hamers van de beiaard van de kerk verbonden aan een touw, waardoor men slechts een kort rukje hoeft te geven om de klok te laten klinken. De klokken klinken dan direct op het moment dat men aan het touw trekt, wat veel overzichtelijker is. Deze werkwijze is met een echte beiaard ook mogelijk.

Oost-Europa[bewerken]

Orthodoxe luidklokken

In Oost-Europa, dat wil zeggen in de Oosters-orthodoxe kerken, hangt de klok vast, maar is aan de klepel een touw bevestigd zodat de klepel tegen de wand van de klok kan worden getrokken (zoals bij een carillon). Het is gebruikelijk met ritmische patronen zo te kleppen.

Azië[bewerken]

Boeddhistische klok

Landen in Azië die vroeger een kolonie zijn geweest, hebben vaak de luidmethode van hun voormalige bezetter overgenomen. Zo zijn er in India nog kerken te vinden met wisselluidklokken (Brits). Op de Filipijnen luidt men de klokken op de Spaanse wijze. In Vietnam luidt men de kerkklokken weer met de rechte luidas (die overwegend in Frankrijk wordt gebruikt). In Azië worden de klokken vooral met de hand geluid, meestal door kosters en misdienaars.

Verder zijn er nog boeddhistische tempels die de klokken luiden door er met een houten ronde balk tegen te slaan. Deze balk is gewoonlijk aan twee punten door middel van touwen horizontaal opgehangen. Aan de onderzijde hangt een langer touw, waarmee men door het te zwaaien de balk in beweging kan brengen. De balk slaat hierdoor de klok aan de buitenzijde. Deze techniek wordt bij boeddhistische tempels gebruikt, zelden bij kerken.

Beroemde klokken[bewerken]

de Tsarenklok in Moskou
  • De St. Pietersklok in de Dom van Keulen, de grootste luidende klok van Europa (24.000 kg).
  • De Big Ben (Londen, Verenigd Koninkrijk), 13.828 kg. In 1858 gegoten door Mears & Stainbank.
  • De Maria Gloriosa in de Dom van Erfurt, in 1497 door Geert van Wou uit Kampen gegoten. Deze "moeder aller klokken" weegt 11.370 kg en heeft een diameter van 2,58 m.
  • Het gelui van de Domtoren in Utrecht bestaat uit maar liefst veertien klokken, waarvan de grootste zeven van de beroemde klokkengieter Geert van Wou stammen.
  • De Tsarenklok in het Kremlin, de grootste klok ooit gegoten, 6,14 m hoog en 210 ton zwaar. De klok werd gegoten in 4 verschillende ovens maar de eerste poging mislukte: 3 van de 4 ovens ontploften. Na het afkoelen bleef de klok in de gietkuil om afgewerkt te worden. Erboven bevond zich een houten afdak. Tijdens een grote brand op 20 mei 1737 vielen brandende balken in de kuil. Om te voorkomen dat de klok door het vuur zou smelten goot men er water over. Door de temperatuurverschillen barstte de klok en brak een stuk van 12 ton af.
  • De Maria Dolens in Rovereto (Italië) (23.000 kg, diameter 3,22 m).
  • De Liberty Bell, in Philadelphia, Pennsylvania (Verenigde Staten).
  • De World Peace Bell in Newport, Kentucky (33.385 kg).
  • De Pummerin in de Stephansdom in Wenen. Gegoten in 1711, vernietigd in 1945, opnieuw gegoten in 1951. 21.380 kg zwaar, inclusief de klepel van 813 kg. Diameter 3,14 m.
  • De Klokke Roeland in Gent, in 1660 gegoten door Pieter Hemony ter vervanging van een oudere klok. De klok barstte in 1914 en werd op een sokkel geplaatst, maar zij is in 2003 gerestaureerd en zal in de toekomst wellicht weer dienst doen in het carillon van het belfort.

Symboliek van de klok[bewerken]

Boeddhisme[bewerken]

De boeddhistische bel (ghanta) is een symbool van de leegte, vergankelijkheid, het vrouwelijk beginsel en wijsheid. De bel gaat steeds vergezeld van een dorje of donderkeil, het symbool van het mannelijk beginsel, het onverwoestbare en heilzame. Bel en dorje worden tijdens de mudra's of rituele handgebaren gebruikt. De bel is een hulpmiddel bij de meditatie en heeft een sacrale functie tijdens gebedsdiensten, rituelen of rituele handelingen. Ze geeft aan dat de kracht van goden of demonen indaalde in de gemeenschap. Het aandraaien van de bel met een hardhouten stok veroorzaakt een doorzingende toon.

Christendom[bewerken]

Angelusklok

De christelijke bel is het attribuut van Antonius van Egypte. Deze bel is soms bevestigd aan zijn staf; ook de varkens van zijn orde dragen een bel.

In de katholieke kerken hangt in de regel een sacristieklok naast de ingang van de sacristie. Deze wordt in het begin en aan het einde van de heilige mis één keer geluid. Verder zijn er in katholieke kerken een of meerdere altaarbellen, een altaargong of een sanctusbel om tijdens de consecratie belangrijke momenten aan te duiden. Sommige zijn na het Tweede Vaticaanse Concilie in onbruik geraakt. Basilieken hebben altijd een tintinnabulum, samen met het conopeum in de kerk. Het tintinnabulum wordt geluid bij aanvang van belangrijke processies. In de meeste katholieke kerken wordt om 12 uur het angelus geluid. Het wordt soms ook om 6 uur of 7 uur 's morgens en 's avonds geluid. Er wordt dan drie keer drie slagen geluid op de klok die de drie weesgegroetjes representeren, waarna de klok een minuut of twee wordt geluid.

Tevens zijn er kerken die op zaterdagavond de zondag inluiden. Het gebruik van álle klokken wordt gestaakt tijdens het Paastriduum om het lijden van Christus te gedenken. In de Paasnachtmis worden daarentegen alle klokken: de luidklokken, altaarklokken en sacristieklokken geluid tijdens het Gloria om de opstanding van Christus te herdenken.

Seculier[bewerken]

De klok is het attribuut van de gepersonifieerde muziek. Zij bespeelt een klokkenspel met een hamer.

Trivia[bewerken]

In sommige culturen worden klokken en bellen om de hals van dieren gedaan. Dit gebeurt bijvoorbeeld in Zwitserland. Ook narren droegen een gordel met belletjes. In België dragen bellenmannen een klok bij zich om mededelingen bekend te maken.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Gemeente Spijkenisse: Gemeentelijke voorlichtingskrant Spijkenisse. 30e jaargang, nummer 8, 20 augustus 2007
  2. J.J. de Kok e.a.: De oude kerk van Charlois, maart 1993