Neogotiek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Schloss Braunfels, Braunfels

Onder neogotiek (Engels: Gothic revival) wordt een 19e-eeuwse stroming in de bouwkunst verstaan die zich geheel heeft laten inspireren door de middeleeuwse gotiek. Het is een reactie op de strakke, koele vormen van het classicisme met zijn uitgesproken rationele karakter. De neogotiek ontstond uit de romantische belangstelling voor de middeleeuwen. Daarvan meende men dat de gotiek de ultieme uiting was.

Ontstaan in Engeland[bewerken]

De neogotiek ontstond in Engeland. Vanaf 1749 hield Horace Walpole zich al bezig met het verbouwen en inrichten van zijn huis Strawberry Hill in Twickenham bij Londen in neogotische stijl. Romantische interieurkunstenaars lieten zich op het einde van de 18e eeuw inspireren door de natuur en door rustieke vormen van meubels en gebruiksvoorwerpen van het platteland, die in Engeland tot in die tijd hier en daar nog gotische vormen kenden.

Vooral het werk van de interieurarchitect Thomas Chippendale liep vooruit op de neogotiek. Vanaf het begin van de 19e eeuw verrezen in Engeland kerk- en bankgebouwen, stadhuizen en andere openbare bouwwerken met spitsboogvensters, gekanteelde torens en waaiergewelven. Men ging zich steeds bewuster richten op een vormentaal van het verleden die geïnspireerd was op de rijkdom van de Britse gotiek. Het hoogtepunt hiervan is het Palace of Westminster (de Houses of Parliament) in Londen, gebouwd gedurende de jaren 1820 en 1830, de bloeitijd van het Britse wereldrijk.

Navolging in Europa[bewerken]

Na de val van Napoleon kreeg de neogotiek ook navolging op het Europese vasteland. Aanvankelijk in de vorm van grootscheepse restauraties van middeleeuwse monumenten (Dom van Keulen, Notre-Dame van Parijs), maar later ook steeds meer met zelfstandige bouwwerken, zoals stationsgebouwen, ziekenhuizen, scholen en stadhuizen. Langs de Rijn in Duitsland zijn veel neogotische burchten gebouwd.[bron?]

Neogotiek in Nederland[bewerken]

De Nederlandse neogotiek valt uiteen in twee stijlen, die enkel met elkaar gemeen hebben dat in beide stijlen elementen uit de gotiek tot inspiratie dienden.

Vroege neogotiek[bewerken]

In Nederland was er aanvankelijk weinig belangstelling voor de neogotiek, allereerst omdat de katholieken geen nieuwe kerken mochten bouwen en sowieso slechts in onopvallende panden ter kerke mochten gaan. Een belangrijke reden was verder dat Nederland sinds de 18e eeuw geen echte architecten meer had gekend en er daardoor belangrijke vaardigheden verloren waren gegaan: classicisme is er vrijwel naadloos overgegaan in neoclassicisme.

De bouwwereld werd gedomineerd door ingenieurs, veelal van het leger en het Ministerie van Waterstaat. Door de magere economie in Nederland werd er sowieso al weinig gebouwd in die jaren, maar er was vooral ook onder potentiële opdrachtgevers weinig draagvlak. Een van die weinige opdrachtgevers was de in Engeland opgegroeide kroonprins en latere koning Willem II. Hij liet een verblijf in Tilburg bouwen (het tegenwoordige stadhuis) en in Den Haag een 'gotische zaal' achter het Paleis aan de Kneuterdijk.

Pas vanaf de jaren 1840 zien we een aarzelend begin van neogotisch bouwen met voornamelijk fabrieken (in Delft), stoomgemalen (rond de Haarlemmermeer), stationsgebouwen (Valkenburg) en watertorens. Deze vroege neogotiek wordt ook wel Willem II-gotiek genoemd. Kenmerkend voor deze stijl is dat de constructie in essentie nog steeds neoclassicistisch was en dat het neogotische vooral naar voren kwam in het decoratief gebruik van uit de gotiek overgenomen vormen als spitsbogen en pinakels. De constructieve eigenschappen van de gotiek werden nog nauwelijks bestudeerd en nog minder begrepen, reden waarom deze kerken nooit gewelven hadden, hoogstens imitatiegewelven van stro en stucwerk, waaraan de stijl een andere bijnaam dankt, stukadoorsgotiek.

Een ander belangrijk verschil met de latere neogotiek is dat de Willem II-gotiek niet gebonden is aan een bepaalde religieuze of maatschappelijke stroming. Waar de echte neogotiek bijna exclusief een rooms-katholieke stijl zou worden, werd de Willem II-gotiek toegepast bij protestantse en katholieke kerken en zelfs bij synagoges. Architecten als Theo Molkenboer, H.J. van den Brink, W.J. van Vogelpoel, en A. van Veggel werkten zowel in neoclassicistische stijl als in Willem II-gotiek en vaak ontwierpen zij zowel protestantse als katholieke kerken. De Rotterdamse Zuiderkerk, die werd verwoest in 1940, was een hoogtepunt van deze stijl. Belangrijke nog bestaande voorbeelden zijn de hervormde kerk van architect Nicolaas Kamperdijk te Zeist en de katholieke kerk De Papegaai in Amsterdam.

Rationele of echte neogotiek[bewerken]

Pioniers[bewerken]

Rond 1850 kwam de echte neogotiek op, toen in de provincie Limburg twee jonge architecten hun kennis van gotische constructies in de praktijk gingen brengen: Carl Weber (ook bekend onder de naam Karel Weber) en Pierre Cuypers. Weber werkte vooral in de bisdommen Roermond en 's-Hertogenbosch en was waarschijnlijk de eerste architect die een echte neogotische kerk bouwde, weliswaar door een bestaande kerk uit te breiden. Een derde pionier was Hendrik Jacobus van Tulder, die eveneens vooral in het bisdom 's-Hertogenbosch actief was. Theo Molkenboer bouwde in 1852 de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Amsterdam die ten onrechte wel eens als het begin van de neogotiek in Nederland wordt beschouwd.

Pierre Cuypers[bewerken]

Belangrijker voor de opkomst van de neogotiek is echter Pierre Cuypers. Als eerste waagde hij het om weer gemetselde gewelven toe te passen. Hij streefde naar een 'eerlijk' gebruik van bouwmateriaal (het materiaal moest zo veel mogelijk herkenbaar blijven) en een ornamentiek die betekenis had. Hij wilde geen pinakels, kantelen en spitsbogen in het wilde weg gebruiken, maar vond dat ieder ornament iets wezenlijks moest uitbeelden. Een belangrijke invloed op Cuypers is diens Franse vriend en geestverwant E.E. Viollet-le-Duc geweest.

Toen in 1853 de bisschoppelijke hiërarchie werd hersteld, ontstond onder de katholieken een euforie die leidde tot het bouwen van vele nieuwe kerken. Mede door de geschriften van J.A. Alberdingk Thijm, Cuypers' vriend en latere zwager, werd de neogotiek de katholieke stijl bij uitstek. Men wilde van de neoclassicistische kerken af, al waren deze vaak nog maar enkele decennia oud. Voortaan werd het neoclassicisme door de katholieken als 'heidens' beschouwd.

Hoewel zowel Alberdingk Thijm als Cuypers vonden dat architectuur zich moest ontwikkelen waren zij ervan overtuigd dat er eerst een breuk in de traditie hersteld moest worden. Eerst moesten architecten zich het ambacht weer eigen maken, dat in de ogen van Alberdingk Thijm en Cuypers in de gotiek een hoogtepunt had gekend. De gotiek zagen zij als de bouwstijl uit een tijd toen de samenleving nog harmonieus was en niet werd verstoord door vreemde ideeën, pas daarna kon er van verdere evolutie sprake zijn. Hiermee werd de neogotiek de katholieke bouwstijl bij uitstek.

Protestantse neogotische kerken werden er daarna nog maar bijzonder weinig gebouwd. De hervormde kerk in Schagen is een belangrijke en grote uitzondering, maar deze kerk maakt dan ook een onmiskenbaar on-katholieke indruk en leunt sterk tegen de neorenaissance aan.

Pierre Cuypers is altijd de belangrijkste architect van de neogotiek in Nederland gebleven. Naast meer dan honderd Rooms-katholieke kerken, waarvan de Sint-Bonifatiuskerk in Leeuwarden (zie ook: Neogotische kerken in Friesland), de Sint-Catharinakerk in Eindhoven en de Sint-Vituskerk in Hilversum wellicht de meest monumentale nog bestaande voorbeelden zijn, is ook het herbouwde kasteel de Haar in Haarzuilens een belangrijk neogotisch werk. Bovendien restaureerde Cuypers vele middeleeuwse kerken en andere monumenten in een vaak neogotische stijl, zoals de Drogenaptoren in Zutphen en de Koppelpoort in Amersfoort.

Cuypers speelde tevens een essentiële rol bij de modernisering van de neogotiek en het aanpassen van de stijl aan de eisen van de tijd, met een aantal kerken met een centraliserende opzet als belangrijkste resultaat. Belangrijk was bovendien Cuypers' invloed op zijn leerling-architecten, zoals C. Franssen, J. Kayser, J.H.H. van Groenendael en W. te Riele, waardoor de neogotiek nog lang na Cuypers' dood werd voortgezet. Waar de meeste van Cuypers' leerlingen zich met kerkenbouw bezighielden, werd een andere leerling, C.H. Peters, vooral bekend door zijn vele postkantoren in neogotische stijl.

Alfred Tepe[bewerken]

Tegenover de kring rond Cuypers, soms ook wel Amsterdamse School genoemd (niet te verwarren met de gelijknamige Expressionistische stroming), staat het Utrechtse St. Bernulphusgilde, dat in 1869 werd opgericht en waarvan Alfred Tepe de belangrijkste architect was. Dit sterk door geestelijken gedomineerde gilde hanteerde strenge opvattingen over kerkelijke kunst, waarin vooral werd teruggegrepen op de Nederrijnse gotiek, baksteen het bouwmateriaal bij uitstek was en waarin voor vernieuwende ideeën weinig ruimte was.

Tepe werkte dan ook samen met kunstenaars uit Keulen waaronder met name ook Friedrich Wilhelm Mengelberg die door hem naar Nederland werd gehaald en zich in Utrecht vestigde met zijn atelier. Terwijl de kring rond Cuypers de inheemse gotiek uit de 15e en 16e eeuw aanvankelijk als inferieur beschouwde vergeleken met de Franse gotiek uit de 13e eeuw, en zich daar dan ook niet door liet beïnvloeden, beschouwde het St. Bernulphusgilde de Franse gotiek als te uitheems om als voorbeeld te kunnen dienen. De Nederrijnse gotiek was dan misschien wel van minder allure, zij was tenminste inheems en daarom moest de nieuwe architectonische traditie daarin haar wortels hebben om echt Nederlands te zijn.

Tepe had een bijna totale monopoliepositie in de provincie Utrecht maar was ook van groot belang in andere delen van het aartsbisdom. Cuypers zou nooit een kerk in de provincie Utrecht bouwen, na zijn afwijzing van het verzoek van de bisschop om zich in Utrecht te vestigen. In andere delen van het aartsbisdom zou hij zich vaak moeten conformeren aan de ideeën van het Gilde. Uiteindelijk zou ook Cuypers de Franse gotiek steeds meer achter zich laten en zich laten inspireren door Nederlandse varianten van de gotiek.

Petrus Johannes van Genk[bewerken]

In het bisdom Breda was Petrus Johannes van Genk de dominante architect van nieuwe kerken. Zijn stijl staat los van die van zowel Cuypers als die van Tepe en leunde sterk op de Belgische neogotiek, waarin het gebruik van natuursteen een belangrijke rol speelde.

Na 1914[bewerken]

Tot ongeveer 1914 bleef de neogotiek haar dominante positie behouden. Vanaf die tijd experimenteerden architecten als Joseph Cuypers (de zoon van Pierre Cuypers) en Jan Stuyt met aan het romaans ontleende vormen. Het resultaat was het neoromaans, een stijl waarin Romaanse vormen werden gecombineerd met een neogotische bouwwijze. Binnen een paar jaar werd de neogotiek verdrongen. Nog tot ca. 1940 wordt de neogotiek echter, hoewel steeds incidenteler, toegepast.

Neogotiek in België[bewerken]

In de 19e eeuw kende Vlaanderen een herleving van de gotiek. Men greep terug op de vormentaal van de oude gotische stijl. In Brugge, Gent, Leuven, Brussel en andere steden verfraaide en restaureerde men gebouwen en (bestaande) monumenten in deze stijl. Baron Jean-Baptiste Bethune introduceerde de neogotiek van de Engelse architect Pugin in België. In 1862 richtte hij mede de eerste Sint-Lucasschool in Gent op als reactie op de 'heidense' Academiën en hanteerde de middeleeuwse vormentaal in corporatistische ateliers. Hij ontwierp gebouwen én interieurs: gebrandschilderd glas, schrijnwerk, textiel, polychrome muurschilderingen en polychrome beeldhouwwerken (bijvoorbeeld de calvarie aan de buitenzijde van de begijnhofkerk van het Groot Begijnhof te Sint-Amandsberg). Vele katholieke scholen kregen, in de strijd tegen de 'staatsscholen zonder God', een neogotische vormentaal.

Kunstenaars[bewerken]

Voorbeelden van neogotiek in België[bewerken]

Het kasteel van Caloen in Loppem

Erfenis[bewerken]

Aan het einde van de 19e eeuw kregen kunstenaars genoeg van de imitaties van oudere kunststijlen. Men ging zich richten op oorspronkelijkheid in de kunst. Vanaf het eerste decennium van de 20e eeuw wordt er bijna niet meer in deze stijl gebouwd. Toch zijn de art nouveau en de art deco schatplichtig aan de neogotiek: de ambachtelijkheid en de creativiteit van de maker is immers in deze stijlen belangrijk gebleven.

Gedurende de jaren 1960 en 1970 werd de cultuurhistorische waarde van de neogotiek sterk onderschat. Vele onbruikbare gebouwen - vooral kerken - vielen onder de sloophamer. Later werd de waarde van dergelijke gebouwen hoger aangeslagen en is men bij vele neogotische bouwwerken nieuwe bestemmingen gaan zoeken, zodat de architectuur van het gebouw behouden kon blijven.

Het oudste nog bestaande stationsgebouw in Antwerpen, Antwerpen-Dam, in neogotische stijl werd tweemaal van de sloop gered. Een eerste keer in 1907, toen het in zijn geheel werd verplaatst (door het van de fundamenten te lichten en op sporen te verrollen), een tweede keer door een hoek van het gebouw in te bouwen in de tunnelschacht voor de HST-lijn naar Nederland.

Literatuur[bewerken]

  • BERGMANS Anna, COOMANS Thomas & DE MAEYER Jan, De neogotische stijl in de Belgische sierkunsten, in LEBLANC Claire, Art Nouveau & Design. Sierkunst van 1830 tot Expo 58, Tielt, 2005, p. 36-59.
  • BERGMANS Anna, DE MAEYER Jan, DENSLAGEN Wim & VAN LEEUWEN Wies, Neostijlen in de negentiende eeuw. Zorg geboden? (Kadoc Artes 7), Leuven, 2002.
  • van CALOEN Véronique, VAN CLEVEN Jean & BRAET Johan, Het Kasteel van Loppem, Oostkamp, 2001.
  • DE MAEYER Jan & VERPOEST Luc (ed.), Gothic Revival. Religion, Architecture and Style in Western Europe, 1815-1914 (Kadoc Artes, 5), Leuven, 2000.
  • DE MAEYER Jan, BERGMANS Anna, DENSLAGEN Wim, STYNEN Herman, VAN LEEUWEN Wies & VERPOEST Luc, Negentiende-eeuwse restauratiepraktijk en actuele monumentenzorg (Kadoc Artes, 3), Leuven 1999.
  • BERGMANS Anna, Middeleeuwse muurschilderingen in de 19de eeuw. Studie en inventaris van middeleeuwse muurschilderingen (Kadoc Artes, 2), Leuven, 1998.
  • DE KEYSER Bart, VERPOEST Luc & DE MAEYER Jan, De ingenieuze neogotiek: techniek en kunst, 1853-1925, Leuven, 1997.
  • DUJARDIN Carine (ed.), Neogotiek in de boekenkast, Leuven, 1997.
  • VAN LEEUWEN A.J.C., De maakbaarheid van het verleden. P.J.H. Cuypers als restauratiearchitect 1850-1918, Zwolle, 1995.
  • VAN CLEVEN Jean (ed.), Neogotiek in België, Tielt, 1994.
  • DE MAEYER Jan (ed.), De Sint-Lucasscholen en de Neogotiek, 1862-1914 (Kadoc Studies, 5), Leuven, 1988.

Beluister

(info)