Spaanse Furie (Antwerpen)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Voor de Spaanse Furie in Mechelen in 1572, zie Spaanse Furie (Mechelen)
Spaanse Furie
Onderdeel van de Tachtigjarige Oorlog
De Grote Markt met het Stadhuis tijdens de Spaanse furie. Prent van Frans Hogenberg.
De Grote Markt met het Stadhuis tijdens de Spaanse furie. Prent van Frans Hogenberg.
Datum 4 - 7 november 1576
Locatie Antwerpen, Brabant, Nederlanden
Resultaat Antwerpen geplunderd door Spaanse muiters
Strijdende partijen
Flag of Antwerp (City).svg Antwerpse burgers, Duitse en Waalse troepen muitende Spaanse soldaten
Commandanten
Champagney
graaf Eberstein †
markies van Havré
Sancho d'Avila
Julian Romero
Alonso de Vargas
Troepensterkte
9.000 voetvolk en 1.200 man cavalerie

onbekend aantal weerbare burgers[1]

4.800[1] tot 10.000 man[2]
Verliezen
6000[3] tot 7000 200[3]

De Spaanse Furie of in Spanje bekend als de plundering van Antwerpen duidt op het plunderen en in brand steken van de stad Antwerpen door muitende Spaanse troepen op 4 november 1576, tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Het woord 'furie' heeft waarschijnlijk betrekking op de mythologische furiën.

Achtergrond[bewerken]

In Spanje werd 1 september 1575 het staatsbankroet uitgeroepen; door de vele oorlogen die het Spaanse Rijk over de hele wereld voerde had de regering van koning Filips II enorme schulden opgelopen, en konden de troepen niet meer voldoende betaald worden. Sommige soldaten in de Nederlanden hadden al 2,5 jaar geen soldij ontvangen. Hierdoor sloegen zij aan het muiten, als eerste in maart 1576 die onder Cristóbal de Mondragón te Zierikzee, later ook die onder Francisco de Valdez te Aalst. De Raad van State reageerde daarop door de muiters vogelvrij te verklaren.[4] Begin oktober beraamden enkele Spaanse officieren onder leiding van Sancho d'Avila (commandant van de citadel van Antwerpen) in het diepste geheim een plan om de rijke stad Antwerpen te plunderen.

Aanloop[bewerken]

Binnen Antwerpen lag Sancho d'Avila gelegerd met enkele vendels Spanjaarden. Jerónimo de Roda had op de citadel een schuilplaats gevonden om niet in handen te vallen van de andere Staatsraden. In Antwerpen gingen geruchten rond door de komst van de Roda; de jezuïeten zouden buskruit en wapens in hun studentenhuis bewaren, dan weer ging het verhaal dat alle burgers door toedoen van de katholieken op een nacht vermoord zouden worden, hetgeen tot opstootjes leidde. Een bezorgde Raad van State stuurden Filips van Egmont en Jan van Croÿ naar Antwerpen met een regiment Walen, twintig vendels voetvolk en veertien kornetten ruiterij om daar het regiment te versterken dat er al lag. Het regiment dat er al lag bestond uit Duitsers onder bevel van Otto van Everstein.[2] D'Avila moest eerst afrekenen met graaf Eberstein, de bevelhebber van het Duitse garnizoen dat in Antwerpen gelegerd was. Op 29 oktober overtuigde hij hem na hem dronken te hebben gevoerd om de stad aan de Spaanse soldaten over te leveren. Eberstein besefte echter de volgende ochtend wat hij gedaan had en stelde de Antwerpse gouverneur Champagney gauw op de hoogte van het dreigende gevaar. [5] Intussen deed hij een verzoek aan de muitende regimenten uit Lier, Breda, Aalst en Maastricht om naar de citadel komen.[3]

Staat van beleg[bewerken]

Stadhouder Fréderic Perrenot (Champagney) had geen hoge dunk van de nieuwe versterkingen. Dat bleek ook duidelijk op 3 november, toen de versterkingen binnen de stad kwamen zochten veel soldaten meteen de beste kroegen en herbergen op, daar zongen en dronken zij alsof er geen dreiging was. Anderen misdroegen zich, waardoor Champagney persoonlijk moest komen opdraven om ze uit de herbergen te jagen.[2] leiding van de markies van Havré uit Brussel de stad binnen (dezelfde dag kwam Don Juan van Oostenrijk naar de Nederlanden als nieuwe landvoogd). Zowel van de Waalse als Duitse soldaten vreesde men dat zij zich op het beslissende moment van de aanval bij de muiters zouden aansluiten. Ondanks deze slechte voortekenen - met name de Walen verrichtten niets opbouwends [6] - togen meer dan tienduizend burgers aan het werk om provisorische grachten en noodschansen op te werpen. Antwerpen moest het voor zijn verdediging vooral hebben van zijn burgerleger dat uit twaalfduizend mannen en vrouwen bestond. Zij hadden in een etmaal een wal opgeworpen van ongeveer vijf meter hoog. Champagney had met hulp van burgers een batterij laten opwerpen in het Schermershof. Tijdens de aanleg van de citadel was de stad uitgebreid langs de zuidkant, de nieuwe vestingwerken waren nog niet aangesloten op de oude, delen van het oude waren reeds gesloopt, waardoor Antwerpen de facto een open stad was.

Uitval vanuit de citadel[bewerken]

Uitval op de stad, door Frans Hogenberg (collectie: Rijksmuseum Amsterdam)

D'Avila maakte zich eveneens klaar voor de strijd; terwijl de Antwerpenaren hun verdediging opbouwden namen zijn soldaten ze onder vuur om hen te hinderen. Onder kapitein Ortiz werd met een vendel vanuit de citadel een uitval gedaan op de stad waarbij enkele huizen en een molen afbrandden. Verder zouden er geen pogingen ondernomen worden de bouw van vestingwerken te voorkomen of te hinderen. Wel kreeg het vier- tot vijfduizend koppen tellende garnizoen op de citadel versterking. De regimenten uit Lier, Breda, Aalst en Maastricht waren aangekomen. Waardoor de totale sterkte op ongeveer tienduizend man werd gebracht.[2][1], de volgende dag vielen de Spaanse troepen Antwerpen aan.

Stadsgevecht[bewerken]

Plunderingen (collectie: Rijksmuseum Amsterdam)

Vroeg in de morgen arriveerden ook de muiters uit Aalst. Deze sloegen de aangeboden maaltijd af, zij zouden 's middags in de hemel eten, of 's avonds in de stad.[7] Zesduizend bleven achter op de citadel, zij zouden de citadel verdedigen, daarnaast de stad beschieten tijdens de uitval. Op de zondag in de namiddag werd aanvalssein gegeven en zag men Julian Romero, Francisco Baldez, Alonso de Vargas, Camillo del Monte uit de citadel komen met ongeveer vijfduizend man voetvolk, achthonderd ruiters, waarvan vele trossen stro en fakkels meedroegen. Ze knielden en baden een Ave Maria voordat zij overgingen tot de bestorming.[7] De aangelegde wal verdedigd door zesduizend mannen en vrouwen werd hevig beschoten, voorafgaande. Verder is niet veel bekend over de stellingen en slagordes die moeten hebben plaatsgevonden. De eerste weerstand was in elk geval niet hardnekkig ook niet langdurig. Het waren de muiters uit Aalst die de pas aangelegde wal tussen de citadel en het kasteel vanuit drie richtingen aanvielen.[3] De Walen wisten een eerste bestorming nog af te slaan, maar bleken niet bestand tegen de tweede aanvalsgolf. Ze waren gedwongen geweest zich terug te trekken naar de Sint-Michielsabdij, waar hun kolonel gevangen werd genomen. De verschansing op twee andere punten (tegenover de Blijdenhoek en Begijnenstraat) werd snel ingenomen. De ruiters van Vargas trokken langs het Sint Jorisplein, dreef vluchtenden voor hun uit, sabelden en beschoten iedereen die weerstand bood. De burgers op de Grote Markt en in het Raadhuis, probeerden het Raadhuis te beschermen. Zij boden een fel verzet, vanuit de ramen van het raadhuis schoten ze op de ruiters.[2] De ruiters leden opmerkelijke verliezen tijdens de schermutselingen totdat het enkelen lukte binnen te dringen en brand te stichten met de meegenomen bundels stro.[3] Door de brand was het niet langer mogelijk het raadhuis te verdedigen, iedereen die het raadhuis ontvluchtte werd op het plein doodgeslagen. De brand sloeg over op andere huizen, er ontstond een algemene stadsbrand, ongeveer zeshonderd huizen (de meeste achter en naast het stadhuis gelegen) brandden af. De overgebleven Duitse militairen en burgers streden wanhopig dag en nacht door maar konden de Spanjaarden niet tegenhouden.[8]

Driedaagse plundering[bewerken]

Vluchtende burgers (collectie: Rijksmuseum Amsterdam)

De muiters drongen allerlei woningen binnen, doodden de bewoners en stalen geld en sieraden. Vrouwen werden verkracht, mannen het hoofd ingeslagen. De honden dronken het bloed van de doden. Onder andere het stadhuis werd in brand gestoken. Veel mensen kwamen in het vuur om het leven, stikten in de rook, of werden verpletterd door instortende huizen. Intussen was het plunderen begonnen, zelfs de Walen en Duitsers, die aanvankelijk de stad nog hadden verdedigd, namen er deel aan.[8] volgens een andere bron sloten de Walen zich niet bij de muiters aan, maar sloegen zij al snel op de vlucht. [5] De Duitsers wedijverden zelfs met de muitende soldaten in roofzucht en wreedheid.[2][3] Veel burgers kwamen om het leven door de om buit twistende soldaten. Drie dagen lang werd de stad geplunderd, arm noch rijk werd gespaard, kleine huizen, stadskastelen werden leeggehaald. Graaf Eberstein kwam om toen hij trachtte te vluchten. Hij wilde aan boord van een boot springen, maar viel in de Schelde en verdronk.[5] Petrus Taxis op de vlucht sprong met zijn paard van de stadswal in de gracht, zwom met zijn paard naar de overkant en wist te ontkomen. Er werd voor een bedrag van twintig miljoen gouden kronen geroofd. Er waren soldaten die hun geroofde goud lieten verwerken in hun harnassen, rapier en stormhoeden, deze daarna zwart schilderden om te verhullen dat het van goud gemaakt was.[3]

Nasleep[bewerken]

Het aantal slachtoffers is niet exact bekend, maar men spreekt van vele duizenden doden (ooggetuigen schatten zevenduizend doden). Onder hen waren er ook enkele schepenen. De furie hield een tijd aan, waarbij de muiters veel rijke burgers gijzelden om hen geld af te persen. Grote aantallen burgers uit de Zuidelijke Nederlanden namen de wijk naar aanleiding van het geweld naar de Noordelijke Nederlanden, waarvan sinds 1572 delen zich aan het Spaans gezag onttrokken hadden; zie Tachtigjarige Oorlog. Volgens Strada moeten er onder de muiters tweehonderd doden gevallen zijn, hoewel zij zelf beweerden dat het er veertien waren. Onder burgers en haar verdedigers worden getallen van zesduizend genoemd. Drieduizend tijdens gevechten, vijftienhonderd in de stadsbrand en instortende huizen, vijftienhonderd tijdens hun vlucht, verdronken of vermoord. Voor de Spaanse kroon was deze gebeurtenis een verlies van tien jaar aan inspanningen om de zeggenschap over de opstandige provincies te behouden. De gebeurtenissen verontwaardigden zelfs koningsgezinden. Strada schreef: "...en dat zij (de Spanjaarden), voorwaar tot grote schande de Spanjaarden (tenzij dat de haat gelijk in andere dingen, zoals ook in deze, de roep vermeerderd heeft) de stad die zij rijk en machtig aantroffen, arm en slecht achterliet." Volgens Strada hadden naast Spanjaarden ook Italianen, Nederlanders en Duitsers deelgenomen aan de plunderingen, waarvan de laatsten volgens hem, zelfs de Spanjaarden verre te boven gingen. Rijke burgers werden (onder andere) door soldaten onder Cornelius van den Eynde uit pure haat onmenselijk vermoord.[3] Cornelius van den Eynde had zich met duizend Duitse soldaten bij de muiters aangesloten.[7]

Pacificatie van Gent[bewerken]

De gebeurtenissen brachten een enorme schok teweeg door de Nederlanden en stimuleerden in grote mate het tot stand komen van de Pacificatie van Gent op 8 november 1576. Alle muiters kregen amnestie, velen traden daarna weer in dienst van het leger van Vlaanderen. Alle Spaanse troepen moesten de Nederlanden verlaten. Daarvoor al joegen de Antwerpenaren in samenwerking met de watergeuzen onder Filips de Zoete tijdens de inname van de citadel de Duitse vendels van onder anderen Karl Fugger de stad uit. Er werden daarna acht kolonels in het stadsbestuur aangesteld, het militaire gezag vervangen door burgermilities, alle weerbare mannen tussen 20 en 60 moesten deelnemen, burgers moesten werken aan de vestingwerken, op straffe van een boete van vier stuivers bij verzuim.[9] Op 18 september was de intocht van de prins van Oranje in Antwerpen. Willem van Oranje trok met een open wagen door de Rodepoort de stad binnen. Antwerpen zou vanaf dat moment een bolwerk van de Staatsen zijn tot 1584. Alexander Farnese zou Antwerpen belegeren tot 17 augustus 1585. Veel Duitse, Spaanse en Italiaanse kooplieden verlieten de stad. Tijdens het beleg door Parma acht jaar later, waren er niet meer dan honderdvijftig buitenlandse kooplieden in Antwerpen, tegenover zestienhonderd inheemse kooplieden. De laatsten waren vooral Vlaamse en Brabantse vluchtelingen die zich in de stad waren vestigen.[10] Los van enige religieuze bekommering zochten mensen hun geluk in veiliger oorden. Het noorden profiteerde van de Migratiestroom in de Nederlanden, van tienduizenden vaak rijke of hoog opgeleide vluchtelingen, die uiteindelijk de Gouden Eeuw brachten in de Republiek.[11]

Nuvola single chevron right.svg zie Inname van de Citadel van Antwerpen


Bronnen, noten en/of referenties
  • Jaap Frederiks e.a., Het aanzien van een millennium: Spaanse furie en Pacificatie van Gent (1999) blz. 58-60. Utrecht: Uitgeverij Het Spectrum.
  1. a b c Wijnand Meijer, Spaanse Furie (4-8 november 1576), op website:dutchrevolt: "Aan de zijde van de (muitende) Spanjaarden waren (in Antwerpen) de 2.000 muiters van Aalst, vijf vendels onder leiding van Julián Romero, vijf vendels onder leiding van Juan de Valdés en acht compagnies lichte ruiterij onder leiding van Alonso de Vargas, Pedro de Tassis, Bernardino de Mendoza, Antonio de Oliveira, Martin de Orzaez en Martin de Ayala. Tot slot waren er ook nog de vier overgelopen Duitse vendels van de kolonels Fugger, Fronsberg en Pollweiler, evenals de drie Duitse vendels die met Vargas uit Maastricht mee waren gekomen. Samen dus ongeveer 4.000 infanteristen en 800 man cavalerie."
  2. a b c d e f Lodewyk Torfs, Nieuwe Geschiedenis van Antwerpen Of Schets van de Beginsels en Gebeurtenissen dezer Stad, alsmede van de Opkomste harer Instellingen en Gestichten P.180-200 Uitgave:J.E. Buschmann, 1862
  3. a b c d e f g h Famiano Strada, Der Nederlandtsche oorloge, Volume 1, P-581-587
  4. J.F.J. van den Broek, Voor god en mijn koning (1999) blz. 10. Uitgave: Uitgeverij Van Gorcum, 2009.
  5. a b c (en) The Baldwin Project - The Spanish Fury. Geraadpleegd op 16 september 2011.
  6. Frederiks, Het aanzien, blz. 59.
  7. a b c Willem Jan Frans Nuyens, Geschiedenis der Nederlandsche beroerten in de XVIe eeuw: Geschiedenis van den opstand in de Nederlanden, van de komst van Alva tot aan de bevrijding van Gent, (1567-1576). 1866-1867, P.301-318 Uitgave:Van Langenhuysen, 1866
  8. a b Frederiks, Het aanzien, blz. 59-60.
  9. Piet Lombaerde, Antwerpen versterkt. De Spaanse omwalling vanaf haar bouw in 1542 tot haar afbraak in 1870, P.81 Uitgave:Asp / Vubpress / Upa, 2009
  10. Bert Timmermans, Patronen van patronage in het zeventiende-eeuwse Antwerpen: een elite als actor binnen een kunstwereld, P.36 Uitgave:Amsterdam University Press, 2008 - Antwerp (Belgium)
  11. Gustaaf Asaert, 1585: de val van Antwerpen en de uittocht van Vlamingen en Brabanders, P.49 Uitgave:Lannoo Uitgeverij, 2004