Verenigde Nederlandse Staten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Verenigde Nederlandse Staten
États Belgiques Unis
 Oostenrijkse Nederlanden januari – december
1790
Oostenrijkse Nederlanden 
Flag of the Brabantine Revolution.svg
(Details)
Kaart
grondgebied van de Verenigde Nederlandse Staten (1790). In het grijs de gebieden van het toenmalige Limburg (rond het stadje Limbourg), dat slechts tijdelijk deel uitmaakte van de statenbond
grondgebied van de Verenigde Nederlandse Staten (1790). In het grijs de gebieden van het toenmalige Limburg (rond het stadje Limbourg), dat slechts tijdelijk deel uitmaakte van de statenbond
Algemene gegevens
Talen Nederlands, Frans
Religie(s) Rooms-katholiek
Regering
Regeringsvorm Confederale republiek
Geschiedenis van België

Tijdlijn - Bibliografie


..Naar voormalige koloniën

Portaal  Portaalicoon  België
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

De Verenigde Nederlandse Staten of Verenigde Belgische Staten (Frans: États-Belgiques-Unis, Duits:Vereinigte Staaten von Belgien, Engels:United States of Belgium) was een confederatie van de Zuidelijke Nederlanden die bestond van januari tot december 1790, tijdens een kortstondige opstand tegen de Habsburgse keizer Jozef II. De negen stichtende leden van deze statenbond waren Brabant, Henegouwen, Vlaanderen, West-Vlaanderen, Namen, Mechelen, "Belgisch" Gelre, Doornik en het Doornikse.

Staatkundige toestand in het jaar 1790

Aanleiding[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Geschiedenis van de Oostenrijkse Nederlanden voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Deze onafhankelijkheidsverklaringen kwamen voort uit de onvrede van de Oostenrijkse Nederlanden (Belgium Austriaum) over de vernieuwingspolitiek van keizer Jozef II (ook wel de Keizer-Koster genoemd), die zijn Habsburgse rijk efficiënter en moderner wilde organiseren. Het kwam daarbij tot een open conflict, en uiteindelijk breuk, met de vertegenwoordigers van vooral de Staten van Brabant en Henegouwen, die vasthielden aan hun oude vrijheden. De keizer was ervan overtuigd dat welvaart en welzijn de kracht van de staat vormden; de zuidelijke Nederlanden moesten daaraan bijdragen - zoals alle Habsburgse bezittingen.

Zijn regering had er een paar jaar naar gestreefd aan de hand van tellingen, statistieken en rapporten zicht te krijgen op de situatie.

Oorzaken[bewerken]

De maatschappij in de Oostenrijkse Nederlanden werd nog steeds beheerst door de traditionele en schijnbaar stevig gevestigde machten van adel, geestelijkheid en gilden. De economische en sociale kracht van de adel was vooral overheersend in Brabant en Henegouwen; de adel beschikte daar over meer kapitaal dan elke andere klasse. Door stijging van de landbouwopbrengsten nam het fortuin nog toe. In Vlaanderen was het kleingrondbezit van onafhankelijke boeren typerend voor het economische en sociale leven, maar ook daar domineerde de adel en streefde de opkomende klasse van de industriële burgerij naar toelating tot de oude aristocratische kring.

De geestelijkheid was eveneens invloedrijk in economisch, sociaal en cultureel opzicht. Van de geschatte 2,2 miljoen inwoners van de Oostenrijkse Nederlanden waren ruim 17.000 mannen en vrouwen, in één of andere vorm, lid van de geestelijkheid. Volgens tijdgenoten zou de geestelijkheid meer dan de helft van het totale grondbezit hebben. Door het heffen van lage pachten door de kloosterorden ontstond welstand op het platteland en trouw vanwege de economisch sterkste groepen binnen de plattelandsbevolking.

De Derde Stand was georganiseerd in een ingewikkeld gildesysteem dat in de loop der eeuwen vanuit de steden was uitgegroeid en opgeld ging doen in de industrie. Deze gilden werden nu beheerst door de patroons en vormden een belemmering voor de groei van de economie. Zij bestreden elkaar omwille van competenties in eindeloze processen, waar kapitaal en energie in ging zitten. Mede daardoor waren ze impopulair bij de overheid en de publieke opinie, die hun opheffing en sanering verlangden.

De Zuid-Nederlandse economie ontwikkelde zich zoals die in Frankrijk: binnen de traditionele kaders. Door nieuwe ontginningen, betere methoden en bemesting, bereikte de agrarische productie een opmerkelijk peil. De bevolkingsgroei was ook het sterkst op het platteland, en was, zoals elders in Europa, beduidend groter dan in de steden. Er was tevens een groei van het aantal armlastige burgers, die niet kon worden opgevangen door de agrarische maatschappij waar gebrek was aan werkgelegenheid, onvoldoende scholing en een gebrekkige armenzorg.

De op zich opvallende economische groei van industrie en handel bleef nog erg beperkt, omringd door protectionistische buurlanden en met een gebrek aan ervaring in scheepvaart en overzeese handel. De afhankelijkheid van het verzwakte handelsimperium, de Republiek der Verenigde Nederlanden, werd verminderd door vernieuwingen in de textielindustrie, die de eenzijdigheid enigszins brak, en de ontwikkeling van Oostende als haven, die geen belemmering ondervond van de sluiting van de Schelde.

Daar stond tegenover dat de ontwikkeling van industriële bedrijven werd gehinderd door gebrek aan kapitaal, onwil van de adel en de geestelijkheid om erin te investeren en gebrek aan een ontwikkeld bank- en kredietwezen. Toch ontstond in sommige steden een groep van gegoede ondernemers, die belangstelling had voor technische ontwikkelingen, niet in het gildesysteem was opgenomen en de mogelijkheid schiep om in het Zuiden een industriële revolutie door te voeren.

Opgelegde hervormingen[bewerken]

Vanaf 1784 achtte de ongeduldige Keizer-Koster het ogenblik gekomen voor radicale hervormingen in de Oostenrijkse Nederlanden. Er lagen reeds geruime tijd plannen voor kerkelijke hervormingen klaar: kloosterorden reorganiseren om ze los te maken van hun oversten in het buitenland (lees: in Rome), uitvaardigen van beperkende verordeningen op kerkelijke feesten en broederschappen, ultramontaanse invloeden weren uit het theologisch onderwijs, kermissen in het hele land op dezelfde dag organiseren, begraafplaatsen buiten de bebouwde kom aanleggen. Buiten de Oostenrijkse Nederlanden waren in zijn gehele rijk door Jozef II de contemplatieve kloosterordes opgeheven. Bovendien werd een groot deel van het gemeenschappelijk en kerkelijk bezit geconfisqueerd.

Reeds in 1781 had de keizer persoonlijk toegezien op de invoering van de burgerlijke tolerantie, die protestanten en even later ook joden de volledige burgerrechten en een - weliswaar nog beperkte - godsdienstvrijheid toestond. Dit zette de toon. Tijdens zijn incognito bezoek dat jaar aan de Oostenrijkse Nederlanden wekte de keizer onrust bij lokale gezagsdragers. Ook de aartsbisschop van Mechelen legde aan de keizer zijn bezwaren voor, maar de keizer zag niet in waarom hij voor zijn Nederlandse onderdanen uitzonderingen zou maken voor maatregelen die elders in zijn Rijk met succes doorgezet werden.

De bisschoppen kwamen unaniem in het geweer tegen het edict van 1784, dat een seculiere huwelijkswetgeving invoerde en de - tot dan toe bijna exclusieve - rol van de Kerk sterk beperkte. De katholieke Kerk kwam in 1786 in opstand na het afschaffen van de bestaande vormen van priesteropleiding en het oprichten van een door de staat geleid Seminarie-Generaal in Leuven en een filiaal in Luxemburg, door Jozef II bedoeld om een verlicht en regeringsgezind priesterbestand op te leiden. De seminaristen kwamen in opstand en er verscheen een vloed aan pamfletten die de omstreden keizerlijke politiek aanviel of verdedigde.

Vanaf 1787 werden er decretale hervormingen doorgevoerd op gerechtelijk en bestuurlijk vlak, waardoor er centralisatie en eenvormigheid kwam in plaats van de talrijke eeuwenoude privileges voor jurisdicties en rechtbanken. Dat bracht de keizerlijke overheid in het nauw, omdat het kerkelijk ongenoegen begrip ontmoette van andere maatschappelijke groepen die zich al evenzeer bedreigd voelden. Talloze functionarissen verloren door deze decreten immers hun functie, hun maatschappelijke status en hun machtsbasis.

Oppositie[bewerken]

De traditionele gezagsdragers in de Zuidelijke Nederlanden zagen deze vernieuwingspogingen als een vorm van centralisme van het bestuur, die ze niet wilden accepteren. Zij beschouwden ze als bemoeizucht en aantasting van de relatieve zelfstandigheid die de vorstendommen al eeuwen hadden genoten.

Het verzet kwam tot uiting in de provinciale staten, eerst in Henegouwen, daarna in Brabant en ook in Vlaanderen. Na massaal protest van talloze instellingen en besturen braken er op vele plaatsen rellen uit, wat aanleiding gaf tot de oprichting van stedelijke burgerwachten voor handhaving van de orde. In feite waren het vrijheidskorpsen, zoals eerder bij de Patriotten in de Noordelijke Nederlanden.

De landvoogden Maria Christina en Albert Casimir van Saksen-Teschen schrokken van het protest en probeerden in 1787 bepaalde maatregelen terug te draaien, maar Jozef II hield voet bij stuk, en zijn regering verloor daarop steeds meer greep op de gebeurtenissen. De keizer was bereid de gerechtelijke en bepaalde bestuurlijke hervormingen in te trekken, op voorwaarde dat de kerkelijke van kracht zouden blijven. In 1788 vielen echter in Antwerpen tientallen doden onder burgers tijdens het gewapenderhand ontruimen van het bisschoppelijke seminarie. Toen in 1789 de Henegouwse en Brabantse privileges werden ingetrokken ("abrogés, cassés et annulés") en de aartsbisschop protesteerde en ingreep tegen het regeringsonderwijs in het Seminarie-Generaal, kreeg de oppositie volop de wind in de zeilen.

Brabant in opstand[bewerken]

Vlag van onafhankelijk Brabant

De Brabantse Staten hadden in 1787 voor de verdediging van hun belangen Hendrik van der Noot aangezocht, een succesvol advocaat. Hij kwam uit het milieu van de Brusselse Gilden, het eeuwenoude patriciaat, waar de kern van het verzet lag. Van der Noot, lid van de vrijmetselaarsloges l'Union Bruxelles en Les Vrais Amis de l'Union Bruxelles, was sinds 1757 toegelaten tot het geslacht Sweerts, een van de Zeven geslachten van Brussel, de eeuwenoude formele oligarchie van de hoofdstad.

Deze patriciërs hielden vast aan de Blijde Inkomst en het Brabantse stelsel van keuren en privileges als basis van het politieke bestel, en beschouwden Jozef II, die bij zijn aantreden had gezworen deze te zullen respecteren, als meinedig en zelfs ketters. Van der Noot moest in augustus 1788 vluchten naar het buitenland, waar hij steun zocht voor het verdrijven van de Oostenrijkers. Hij stond vereniging met de Verenigde Provinciën voor, maar zijn plannen werden in het protestantse Noorden op beleefde argwaan onthaald.

Leden van vrije beroepen en van de stedelijke burgerij, vaak beïnvloed door ideeën uit de Verlichting, hadden aanvankelijk wel sympathie voor de liberale keizerlijke hervormingen, maar waren afkerig van het tirannieke optreden van de Oostenrijkse overheid, dat zelfs bloed deed vloeien. Er ontstonden politieke discussieclubs, er verschenen clandestiene pamfletten, en er werden plannen gesmeed. In deze context moet de oprichting gezien worden van het geheime genootschap Pro Aris et Focis ("Voor Outer en Heerd - Voor Altaar en Haard") in april 1789, geleid door de Brusselse advocaten Jan Frans Vonck en Jan-Baptist Verlooy, dat een gewapende opstand ging voorbereiden om de Oostenrijkers te verjagen. Gepensioneerd officier Jan Andries vander Mersch werd aangezocht om de leiding te nemen van een opstandelingenleger, waarvoor fondsen werden geworven door geestelijken.

Toen Vonck hierover - tot tweemaal toe - contact opnam met Van der Noot reageerde de laatste afwijzend. De statisten bleven hopen op een buitenlandse interventie, eventueel een oorlog van de andere toenmalige grootmachten Pruisen, Engeland en de Republiek tegen Oostenrijk. De leden van Pro Aris et Focis wilden steunen op eigen kracht. Door hen kwam er een uittocht van weerbare mannen op gang, naar het prinsbisdom Luik, maar vooral naar Staats-Brabant (huidig Noord-Brabant) waar - met bemiddeling van gevluchte katholieke geestelijken - een Comité van nationale bevrijding (Comité van Breda) werd gevormd dat de twee stromingen verenigde.

Op 24 oktober viel een leger van 2800 man de Kempen binnen. Vanaf het stadhuis van Hoogstraten, de eerste plaats die werd veroverd, werd het Manifest van het Brabantse Volk afgekondigd. Dit manifest was soms letterlijk gebaseerd op het Plakkaat van Verlatinge waarmee twee eeuwen eerder, in 1581, met koning Filips II van Spanje als landsheer van de Nederlanden werd gebroken, de geldende gewestelijke privileges onaantastbaar werden verklaard en in de praktijk de Nederlandse onafhankelijkheidsverklaring werd afgekondigd. Zo werd nu ook Jozef II als hertog van Brabant vervallen verklaard van zijn troon.

Op 27 oktober werd slag geleverd in Turnhout, waar de Oostenrijkers een beschamende nederlaag leden, mede door tussenkomst van de bevolking. Op 16 november viel Gent, waarna de werkelijke bevrijdingsstrijd werd ingezet. Op 12 december werd de hoofdstad veroverd, waarna de Oostenrijkse troepen en ambtenaren zich terugtrokken naar het oosten. Tegen 22 december waren alle provincies, op Luxemburg na, bevrijd.

Onafhankelijkheidsverklaringen[bewerken]

In het kielzog van Brabant verklaarden ook andere Zuidelijke Nederlanden zich onafhankelijk. De Staten van het belangrijke graafschap Vlaanderen vaardigden op 4 januari 1790 hun Manifest van de Provincie Vlaanderen uit. Alleen de Staten van het hertogdom Luxemburg hielden zich afzijdig. Op 11 januari 1790 kondigden de Staten, verenigd in een Staten-Generaal de Akte van vereniging van de onafhankelijke Verenigde Nederlandse Staten af. Zij hielden daarbij één oog op de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring en het andere op de onafhankelijkheid van de Verenigde Provinciën. Er ontstond een confederatie onder de naam van de stichtingsvergadering, de Verenigde Nederlandse Staten. In het prinsbisdom Luik vond de Luikse Revolutie plaats, maar de radicale opstandelingenleiders daar sloten zich niet aan bij de meer behoudende politieke unie van de Verenigde Nederlandse Staten.

De Verenigde Nederlandse Staten gaven in 1790 hun eigen propaganda-penningen uit, waarop de Nederlandse leeuw de vrijheidshoed op een stok omhoog houdt, hetzelfde symbool dat in 1570 op gedenkpenningen van de opstand tegen Spanje gestaan had. Ironisch genoeg begonnen vele zuiderlingen rond te lopen met oranje kokardes, die in het Noorden een symbool van de reactie waren, maar in het Zuiden een symbool van trouw aan de gewestelijke privileges die in de door Oranje geleide opstand tegen Filips II verdedigd waren.

Belangrijk in de leiding in de Zuidelijke Nederlanden was de rol en het werk van kanunnik Petrus Johannes Simon van Eupen (1744-1804). Hij was een invloedrijke ultramontaanse geestelijke uit het bisdom Antwerpen, die al jaren strijd voerde tegen de hervormingen van Jozef II. Van Eupen werd adviseur van Hendrik van der Noot, leidend lid van het Comité van Breda, met een actieve rol in de totstandkoming van de Verenigde Nederlandse Staten. Bovendien was Van Eupen staatssecretaris, met minister Van der Noot, leider van het bestuur van de republiek. Zij verzetten zich tegen elk voorstel om te sleutelen aan het staten- en standenregime, in de overtuiging dat dan alles kon gaan schuiven en er Frans-revolutionaire toestanden zouden kunnen ontstaan. Dat kon de positie van de Kerk in gevaar brengen.

Dit bracht hen ook in conflict met Vonck en andere democraten, die de stedelijke middengroepen en zelfs de plattelandsbevolking een stem in het landsbestuur wilden geven. De vonckisten kregen niet enkel de adel, de geestelijkheid en de boeren tegenover zich, maar ook de Brusselse gilden. Op massabijeenkomsten liepen gewapende gildeleden en boeren te hoop tegen de Verlichting, de tolerantie en de vonckisten. De pers wakkerde de afkeer van de als anti-religieus bestempelde filosofie van deze eeuw verder aan.

In maart 1790 leidde dit tot aanslagen en plunderingen, na een campagne tegen de vonckisten, waartoe ook de bisschoppen zich leenden. Het bracht sommigen in de gevangenis en joeg anderen op de vlucht naar het revolutionaire en liberale Frankrijk.

Herovering[bewerken]

De nieuwe staat kreeg weinig internationale steun. Pruisen, dat steeds meer in de politiek van de Lage Landen betrokken raakte, betuigde niet slechts steun aan de nieuwe republiek, maar zond ook troepen ter ondersteuning, na samenspraak met het orangistische bewind in het Noorden.

Omdat de Staten-Generaal geen toereikende medewerking en financiële bijdragen van de provinciale staten kreeg, waren er grote financiële moeilijkheden, en de interne spanningen tussen behoudende statisten en democratische vonckisten hadden bijna tot een burgeroorlog geleid.

Keizer Jozef II overleed op 20 februari 1790. Hij werd opgevolgd door zijn broer keizer Leopold II. Met de Conventie van Reichenbach van 27 juli 1790 verviel de Pruisische steun aan de jonge republiek. Op 10 september 1790 tekenden vertegenwoordigers van de keizer, Pruisen, Groot-Brittannië en de Verenigde Provinciën een conventie in Den Haag die de voorwaarden voor het herstel van het keizerlijk gezag vastlegde, op voorwaarde dat vrijwel alle hervormingen op kerkelijk, bestuurlijk en gerechtelijk gebied zouden worden ingetrokken.

Op 24 november werd Namen door Oostenrijkse troepen bezet, en de Staten van Namen zagen zich verplicht diens gezag weer te erkennen. Twee dagen later onderwierp de Statenvergadering van West-Vlaanderen zich. De rest van het land werd zonder veel geweld heroverd en leider Van der Noot en zijn raadsman Van Eupen vluchtten naar de Verenigde Provinciën. De nieuwe keizer paste de hervormingen milder toe dan zijn voorganger, maar echt rustig werd het nooit meer.

Betekenis[bewerken]

De Zuid-Nederlandse republiek ontstond op een beslissend moment in de geschiedenis van Europa en van de Lage Landen en had verstrekkende implicaties. Zij toonde aan dat de politieke, religieuze en culturele kloof tussen noord en zuid in de 18e en op de drempel van de 19e eeuw nauwelijks breder had kunnen zijn.

Het staatkundige conservatisme en de katholieke vroomheid in de nieuwe republiek verbaasden Europa. De opstandelingen hadden de onwrikbare overtuiging anders te zijn dan, en zelfs tegenpolen te zijn van zowel de revolutionaire beweging in Frankrijk als de patriotten in de noordelijke Nederlanden. Zij wezen de Verlichting en het verlichte absolutisme af, al moet er aan toegevoegd worden dat de vonckisten wat meer steun kregen in Vlaanderen en de Franstalige provincies dan in Brabant.

De Verenigde Nederlandse Staten worden in de Belgische geschiedschrijving vaak beschouwd als voorbode van de Belgische Revolutie in 1830. Enerzijds is dit correct: in beide gevallen was er sprake van een streven naar onafhankelijkheid, tegen een vreemde heerser in het gebied dat later België zal heten. De Brabantse opstandelingen van 1789 waren de eerste politieke ideologen die de gezamenlijke bevolking van het Nederlands- en Franstalige Zuiden 'de Belgen' - 'les belges'- noemden.

Anderzijds is deze kijk op de geschiedenis te eng, omdat het in 1790 ging om een - overwegend - behoudsgezinde opstand tegen het centraliserende beleid van een verlicht despoot als Jozef II, en ook omdat er toenaderingen waren tussen de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. De revolutie van 1830 had juist de Belgische afscheiding van het noorden op het oog: de Belgische Opstand was een liberale revolutie waar ook conservatieve katholieke krachten aan meewerkten (Unionisme), tegen de protestantse Willem I, die steeds meer regeerde als een absoluut monarch.

Tot slot was er in 1790 geen sprake van een Belgisch volk dat de soevereiniteit opeiste, maar wel van de traditionele elite binnen de Vlaamse, Brabantse, Naamse, Henegouwse, etc. Staten, die zich niet meer gebonden achtte aan de Habsburgse keizer. Het confederale karakter van de Zuidelijke Nederlanden onder Jozef II en erna in de Verenigde Nederlandse Staten mag niet onderschat worden. Het unitaire Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en later het unitaire België zijn duidelijk een ontwikkeling die door de Franse Revolutie waren veroorzaakt.

Toch zou de latere koning Willem I erkennen, dat het onder invloed van de vraag van Hendrik van der Noot tot hereniging was, dat bij hem het idee van een Verenigd Koninkrijk der Nederlanden ontstond.[bron?]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Wikisource NL Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Vereenigde Nederlandsche Staeten (tractaet van vereeninge) op de Nederlandstalige Wikisource.
Bronnen, noten en/of referenties
  • Geschiedenis van de Nederlanden - onder redactie van J.C.H. Blom en E. Lamberts - Uitgeversmaatschappij Agon, Amsterdam, 1994 - bewerking van een wetenschappelijke editie, 1993, bij Nijgh & Van Ditmar Universitair, Rijswijk; 1993, Infoboek, Meerhout.
  • Comité 1789, Chronologie van de Belgische Geschiedenis 1787 – 1794, opgesteld door Professor Dr. Jeroom Vercruysse - http://www.1789brabant.be/1787_1794_nl.html
  • P.J. Blok, P.C. Molhuysen - Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 6 (1924) - http://www.dbnl.org/tekst/molh003nieu06_01/molh003nieu06_01_0754.php
  • De Republiek, 1477-1806 - Jonathan I. Israel - 1996, Nederlandse vertaling, Uitgeverij van Wijnen, Franeker. ISBN 9051942214
  • Winkler Prins Geschiedenis der Nederlanden – deel 3: De Lage Landen van 1780 tot 1970 – Prof. E.H. Kossmann, bewerkt door W.E. Krul – Eindredactie: Drs. Pauline van Moorsel (Amsterdam) en Dr. Guido Peeters (Brussel) – Uitgeversmaatschappij Agon Elsevier, 1977 – ISBN 901001746 X