Staten van Zeeland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het hof van Zeeland in 1644.

De Staten van Zeeland vormden van de zestiende tot en met de achttiende eeuw het hoogste bestuursorgaan van het gewest Zeeland.

Tijdens de regeerperiode van Karel V bestonden de Staten van Zeeland uit drie standen:

1. de geestelijkheid: de prelaat (de abt van de Onze Lieve Vrouwe Abdij in Middelburg),

2. de adel, in de vorm van de belangrijkste edelen van Zeeland (de Ridderschap), en

3. de burgerij, waarin de vertegenwoordigers van de zes grootste steden (pensionarissen genoemd) zitting namen.

Tijdens de Opstand wijzigde de samenstelling van de Staten van Zeeland. De eerste stand verdween geheel vanwege de katholieke achtergrond, de tweede stand werd uitgedund, waarbij alleen edelen zitting hadden in de Ridderschap die sympathie hadden voor de Opstand. De derde stand bestond aanvankelijk uit de steden Middelburg, Zierikzee, Goes, Reimerswaal en Tholen. Het verdwijnen van Reimerswaal en het niet meer verschijnen in de vergaderingen van de Staten na 1578 wordt vaak verweten aan het langzaam onderlopen van deze stad. Het "langzaam onderlopen" van de katholiek gebleven stad was echter te danken aan de koningsgezinde opstelling tijdens de Tachtigjarige Oorlog. De Watergeuzen veroverden de stad in 1573 en brandden Reimerswaal volledig plat. De derde stand werd uitgebreid met de steden Vlissingen en Veere.

Beslissingen werden bij meerderheid van stemmen genomen. In de vergaderingen van de Staten-Generaal van de Nederlanden werd zij vertegenwoordigd door de uit hun midden verkozen raadpensionaris van Zeeland.

Het dagelijks bestuur werd uit hun midden gevormd en heette Gecommitteerde Raden. Deze vormden vanaf 1578, samen met drie vertegenwoordigers van andere gewesten, tevens het Zeeuwse Admiraliteitscollege, dat het bestuur had over de Admiraliteit van Zeeland.

Samen met de staten van de andere gewesten benoemden de Staten van Zeeland de leden van de Staten-Generaal van de Nederlanden.

Oranje en de Staten van Zeeland[bewerken]

In 1581 kwam het markizaat van Veere en Vlissingen in handen van Willem van Oranje, die er 24.500 carolusguldens voor betaalde. Hij kocht het uit politieke overwegingen: het markizaat gaf hem twee van de stemmen in de Staten van Zeeland. Het markizaat werd in het bijzonder toebedeeld aan zijn jongere zoon Maurits, ter verhoging van zijn status. In eerste instantie zou de titel van Prins van Oranje toekomen aan de oudste zoon van Willem van Oranje, Filips Willem. Maurits was in 1581 slechts graaf van Nassau. Het markizaat werd in 1732, tijdens het Tweede Stadhouderloze Tijdperk, door de Staten van Zeeland opgeheven om de politieke invloed van de Oranje-Nassaus in Zeeland in te dammen. In 1748 werd het markizaat echter weer hersteld, ten gunste van Willem IV van Oranje-Nassau, de zoon van Johan Willem Friso.

Aan het einde van de 16e eeuw bleef er in de statenvergadering na 1572 slechts één edele over: prins Filips Willem, die heer van Sint-Maartensdijk was, na erfenis van zijn moeder. De Staten hadden hem bovendien de titel eerste edele gegeven en passeerden hiermee Filips II, die op dat moment markies van Veere en Vlissingen was. Filips Willem werd waargenomen door Willem van Oranje, die optrad namens zijn in Spanje gevangen zoon, door een speciaal hiertoe aangewezen gemachtigde. Doordat de voornaamste andere Zeeuwse edelen naar het zuiden waren uitgeweken, waren er geen andere kandidaten voor deze functie. In 1581 werd Willem van Oranje zelf eerste edele door zijn koop van Veere en Vlissingen. De stem van Oranje in de Staten van Zeeland was buitengewoon groot.