Antoine Perrenot de Granvelle

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Antoine Perrenot de Granvelle
Anthonis Mor 006.png
Kardinaal van de rooms-katholieke Kerk
Wapen kardinaal
Rang kardinaal-bisschop
Titelkerk 1562-1568: San Bartolomeo all'Isola
1568-1570: Santa Prisca
1570: Sant'Anastasia
1570-1578: San Pietro in Vincoli
1578: Santa Cecilia in Trastevere
Suburbicair bisdom 1578-1586: Sabina
Creatie
Gecreëerd door paus Pius IV
Consistorie 26 februari 1561
Kerkelijke carrière
Eerdere functies 1538-1561: bisschop van Arras
1561-1583: aartsbisschop van Mechelen
1584-1586: aartsbisschop van Besançon
Portaal  Portaalicoon   Christendom

Antoine Perrenot de Granvelle (Besançon, 20 augustus 1517Madrid, 21 september 1586) was een staatsman in dienst van de Habsburgers. Hij was afkomstig uit de Franche-Comté, een deel van de Bourgondische erflanden, dat in zijn tijd in handen was van Karel V en later van diens zoon Filips II. Hij was een man van de harde lijn, die vond dat de roerige provincies een lesje geleerd moest worden.

Als zoon van de invloedrijke Nicolas Perrenot de Granvelle maakte hij snel carrière, hoewel hij niet van adellijke afkomst was. Hij promoveerde net als zijn vader tot doctor in de rechten te Dole en werd raadsheer bij het parlement ("gerechtshof") in die stad. Hij werkte een tijdje als bureaucraat voor de Habsburgmonarchie en werd reeds op 21-jarige leeftijd bisschop van Atrecht. Na de dood van zijn vader in 1550 volgde hij deze op als staatssecretaris en grootzegelbewaarder van Karel V. In Brussel liet hij een magnifiek renaissancepaleis bouwen. Hij werkte aan de totstandkoming van het huwelijk van Karels zoon Filips II met Maria Tudor en had een groot aandeel in de realisatie van de verdragen van Vaucelles (1556) en Cateau-Cambrésis (1559).

Granvelle was de belangrijkste adviseur van Filips II in de jaren die aan de Tachtigjarige oorlog vooraf gingen en droeg bij aan het verscherpen van de conflicten in de Nederlanden. Hoewel zelf geneigd tot terughoudendheid, voerde hij loyaal ook de meest extreme maatregelen van Filips II uit. Nadat deze de Nederlanden had verlaten, werd Granvelle een van de meest invloedrijke raadgevers van landvoogdes Margaretha van Parma aan het Brusselse hof. Het leverde hem een benoeming op tot de kardinaal-aartsbisschop van het nieuwe aartsbisdom Mechelen (1561). Hij betrok er het Hof van Savoye. Vanaf dit moment werd hij door de Nederlandse adel steeds meer beschouwd als een exponent van de gehate regering. Dit bracht hem ertoe om in maart 1564 zijn bisdom te verlaten en op advies van de koning naar de Franche-Comté terug te keren.

Naar Spaans gebruik had Granvelle een dwerg aan zijn hof, hier afgebeeld door Anthonis Mor van Dashorst (ca. 1560)

Een tijd later werd hij tot gezant te Rome benoemd, waar hij een groot aandeel had in de vorming van een anti-Turkse liga. Als onderkoning van Napels werkte hij in 1571 aan de voorbereiding van de Slag bij Lepanto. In 1575 keerde hij naar Rome terug en uit zijn correspondentie met koning Filips blijkt dat hij zich opnieuw ging bemoeien met de Nederlanden. Zo stemde hij in met het sturen van de hertog van Alva en met de instelling van diens Raad van Beroerten, maar uiteindelijk keurde hij het bloedige optreden van Alva af. Ook bewoog hij de koning ertoe Willem van Oranje vogelvrij te verklaren en diens zoon te ontvoeren en (in 1578) de militaire en burgerlijke macht op te splitsen, resp. in handen van Alexander Farnese en Margaretha van Parma.

In 1579 ontbood de koning hem tenslotte naar Madrid en belastte hem daar met de Nederlandse zaken en met de diplomatieke betrekkingen met Engeland en Frankrijk. In deze hoedanigheid was hij zijn koning nog zes jaar nauwgezet van dienst, zij het met afnemende invloed. Als dank voor zijn diensten werd Granvelle nog in 1584 tot aartsbisschop van Besançon benoemd. Hij overleed te Madrid in 1586. Zijn stoffelijk overschot werd bijgezet in Besançon.

De reputatie van Granvelle[bewerken]

Nederlandse geschiedschrijvers stelden Granvelle tegenover hun held Willem van Oranje. Guillaume Groen van Prinsterer noemde zijn reputatie als "listigen, wreeden, laaghartichen aanhanger der Spaanse tiranij" - na een onderzoek[1] in de archieven van Besançon[2] - onterecht, Granvelle was naar Groen van Prinsterers overtuiging "niet Spaansgezind maar voor het behoud van de voorregten des lands" en " onbewimpeld verklaard tegen de wreedheden van in het bijzonder des hertogen van Alva". Granvelle had "verre van zich door vleierij staande te houden den Koning raad gegeven met eene vrijmoedigheid die thans, nu men zoveel over onafhankelijkheid van karakter spreekt onder de zeldzaamheden behoort".[3]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Een door Koning Willem I betaalde inspectiereis naar archieven in Duitsland en Frankrijk
  2. Het archief in Besançon bezit een groot deel van de nalatenschap van Granvelle.
  3. Citaten van Guillaume Groen van Prinsterer in een lezing voor de IIe Afdeling van het Koninklijke Nederlandsche Instituut in december 1837. Gepubliceerd in "Meededelingen aangaande eene reis in Frankrijk en Duitsland in het belang van het Huisarchief des Konings (Eene voorlezing) in Bijdragen tot de geschied- en oudheidkunde des vaderlands. Arnhem 1837. Herdrukt in Groens "Verspreide Geschriften" Deel II, Amsterdam 1860.
Voorganger:
n.v.t.
Aartsbisschop van Mechelen
1561-1582
Opvolger:
Joannes Hauchin