Jacques Presser

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jacques Presser
V.l.n.r. burgemeester Kolfschoten van Den Haag, Louis Paul Boon, Hanny Michaelis en Jacques Presser (1967)
V.l.n.r. burgemeester Kolfschoten van Den Haag, Louis Paul Boon, Hanny Michaelis en Jacques Presser (1967)
Algemene informatie
Volledige naam Jacob Presser
Geboren 24 februari 1899, Amsterdam
Overleden 30 april 1970, Amsterdam
Land Nederland
Werk
Jaren actief 1941-1969
Genre geschiedkunde, literatuur, detectives
Bekende werken Ondergang (1965)
De Nacht der Girondijnen (1957)
Uitgeverij Staatsdrukkerij 's-Gravenhage
Portaal  Portaalicoon   Geschiedenis

Jacob (Jacques) Presser (Amsterdam, 24 februari 1899 - Amsterdam, 30 april 1970) was een Nederlandse historicus, schrijver en dichter die vooral bekend is geworden door zijn boek Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 over de geschiedenis van de Jodenvervolging in Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Hij is de bedenker van de term egodocument (rond 1955).

Levensloop[bewerken]

Presser werd geboren in de vroegere Amsterdamse Jodenbuurt in een vrij arm, socialistisch Joods gezin dat zijn joodse wortels had afgeschud. Zijn vader was diamantbewerker. Zelf was Presser tijdens zijn latere leven ook links van politieke opvatting.

Tijdelijk woonde het gezin in Antwerpen, omdat zijn vader daar emplooi had gevonden nadat hij zijn baan in Amsterdam was kwijtgeraakt. Presser hield er een enigszins Vlaamse tongval aan over, waaraan hij zijn bijnaam "de Belg" dankte.

Het gezin Presser keerde na een paar jaar terug naar Amsterdam. Hier trachtte de begaafde Presser de HBS te volgen, maar dat mislukte met als gevolg dat hij - met meer succes - naar de handelsschool ging. Vervolgens was hij tegen zijn zin een tweetal jaren kantoorbediende. Dankzij een particuliere studiebeurs deed hij in 1920 staatsexamen voor het gymnasium en kon hij daarna geschiedenis en Neerlandistiek gaan studeren aan de Amsterdamse Gemeente Universiteit. Hij promoveerde cum laude in 1926. Vervolgens werd hij geschiedenisleraar aan het net opgerichte Vossius Gymnasium in Amsterdam.

In 1930 kwam hij in contact met de bekende historicus Jan Romein, die hem een betrekking als leraar aanbood op het Instituut voor Historische Leergangen. Daardoor ging hij de wetenschappelijke kant op.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Presser voelde zich geraakt door het toentertijd toenemende antisemitisme in nazi-Duitsland en schreef er een artikel over. De Duitse aanval op Nederland in 1940 was voor hem een zeer grote schok. Hij poogde zich zelfs van het leven te beroven. Vanwege de tegen de Joden gerichte maatregelen van de Duitse bezetter mocht hij niet langer lesgeven op het Vossius gymnasium en werd hij leraar aan het Joods Lyceum. Zijn vrouw Debora Appel werd in maart 1943 betrapt met een vals persoonsbewijs. Ze werd via het doorgangskamp Westerbork als strafgeval naar het vernietigingskamp Sobibór getransporteerd, waar ze om het leven werd gebracht. Door het verlies van zijn eerste vrouw werd Presser voor het leven getekend. Zelf wist hij op wonderbaarlijke wijze de oorlog te overleven. Hij zat ondergedoken in de Gelderse buurtschap Overwoud bij Lunteren in de gemeente Ede. Hij heeft ook ondergedoken gezeten nabij Ede, bij dr. van Eck aan de Lunterseweg. De bevrijding maakte hij mee op een onderduikadres in Barneveld in april 1945.

Universiteit[bewerken]

Nadat de oorlog was afgelopen was hij een paar jaar opnieuw leraar aan het Vossius gymnasium, waar hij onder anderen de schrijver Gerard Reve heeft lesgegeven. Tegelijkertijd was hij lector in de politieke geschiedenis en de didactiek en de methodiek van de geschiedenis aan de letterenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam. In 1947 werd, mede op zijn instigatie, de politiek-sociale faculteit aldaar opgericht en begon hij ook daar les te geven. Vanaf 1948 was hij bovendien hoogleraar aan de letterenfaculteit en het was de bedoeling dat hij dat ook zou worden aan de politiek-sociale faculteit. Dit had echter heel wat voeten in de aarde, omdat het kabinet-Beel I hem te links vond. Presser was namelijk een marxist (zij het een onorthodoxe) en had in de jaren daarvoor in stevige bewoordingen gesproken over gevoelige kwesties als de politionele acties in Indonesië en het optreden van de Amerikaanse senator Joseph McCarthy tegen vermeende communisten. Ook werden hem zijn bijdragen aan de linkse bladen Vrij Nederland en De Waarheid voor de voeten geworpen. Het gevolg was dat hij pas in 1949 hoogleraar aan de politiek-sociale faculteit mocht worden en dan nog slechts als buitengewoon hoogleraar. Pas in 1952 volgde een aanstelling als gewoon hoogleraar.

In 1959 stapte hij over naar het hoogleraarschap in de algemene en vaderlandse geschiedenis vanaf de middeleeuwen aan de letterenfaculteit, als opvolger van Jan Romein. Op 31 mei 1969 ging hij met emeritaat.

Werk[bewerken]

Presser heeft zijn voornaamste (historische) werken gedeeltelijk in en vooral na de oorlog geschreven. Nog voor de oorlog schreef hij een toen zeer actuele studie over Napoleon Bonaparte als dictator en onderdrukker. In mei 1940 was het manuscript vrijwel gereed, maar door de Duitse bezetting kon het pas in 1946 voor het eerst worden uitgegeven. Het boek werd door de jury van de Dr. Wijnaendts Francken-prijs beschreven als "uit één stuk, brillant van geest, en boeiend geschreven in een stijl vol ironie en sarcasme".[1]

Eind 1940 en begin 1941 schreef hij in opdracht een boek over de Nederlandse Opstand tegen Spanje (1568-1648), getiteld De Tachtigjarige Oorlog, dat in 1941 noodgedwongen verscheen grotendeels op naam van zijn vriend en vakgenoot B.W. Schaper. De tweede druk in 1942 van dit kennelijk zeer populaire boek werd nog in hetzelfde jaar door de Duitse bezetter verboden. Intussen was Presser al begonnen met onderzoek en schrijven van een derde boek. Ook hierbij ging het om een opdracht van uitgeverij Elsevier. Het moest een nieuwe omvattende geschiedenis van de Verenigde Staten worden, waar volgens de uitgever na de oorlog ongetwijfeld veel belangstelling voor zou zijn. De eerste versie van het manuscript schreef Presser grotendeels tijdens zijn onderduik en droeg daar ook de sporen van: het bevatte veel ironie en scherpe satire. Een door Presser na de oorlog sterk bewerkte en aangevulde versie verscheen in 1949.[2]

In 1950 kreeg hij van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) de opdracht om de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland te beschrijven. Daaruit kwam zijn eerder genoemde tweedelige boek Ondergang voort. Het zeer gevoelig liggende werk verscheen in april 1965, twintig jaar na de oorlog, dus ongeveer in dezelfde periode waarin het Tweede Auschwitzproces en het proces tegen Adolf Eichmann plaatsvonden. Het eerste deel bevat een grondige documentatie van de Jodenvervolging, is voor het grootste deel chronologisch van opzet en loopt tot de laatste razzia's en opheffing van de Joodsche Raad in Amsterdam eind september 1943. Het tweede deel behandelt grotendeels het lot van de Nederlandse Joden in de Duitse doorgangs- en concentratiekampen. Dit deel is thematisch van opzet, gaat onder andere in op verzet van Joden, de Joodse onderduik en de roof van Joods bezit en is, bij alle zakelijke informatie die verstrekt wordt, in sterke mate verhalend van aard. Daarbij worden vele emotionele registers opengetrokken. Een afstandelijke en objectiverende toon, door sommigen wenselijk geacht voor een historisch-wetenschappelijk werk, zal men hier vergeefs zoeken. Juist hierdoor maakte het boekwerk bij verschijnen diepe indruk. Daarnaast deed Pressers kritische opstelling ten aanzien van de Joodsche Raad veel stof opwaaien, met name ook binnen de Joodse gemeenschap. Zijn overwegend negatieve oordeel kan beschouwd worden als een reactie op de veel minder kritische balans die de jurist en schrijver Abel Herzberg opmaakte over de Joodsche Raad in zijn boek Kroniek der Jodenvervolging 1940-1945, dat in 1950 voor het eerst was verschenen.

Presser was een pleitbezorger van het persoonlijke element in de geschiedenis. Hij verwierp de anekdote in de geschiedschrijving niet en bepleitte meer aandacht voor persoonlijke getuigenissen. In de jaren vijftig introduceerde hij het begrip egodocument, door hem gedefinieerd als "die historische bronnen waarin de gebruiker zich gesteld ziet tegenover een 'ik' als schrijvend en beschrijvend subject". Het gaat daarbij om dagboeken, brieven, (politieke) memoires, herinneringen en autobiografieën. Het woord egodocument werd al snel opgenomen in het Nederlandse taaleigen.[3]

Het belang van Presser voor de Nederlandse geschiedwetenschap is zeer groot te noemen. Met andere befaamde geschiedkundigen, zoals Groen van Prinsterer, Fruin, Huizinga, Geyl, L.J. Rogier, Jan Romein, Loe de Jong, Ernst Heinrich Kossmann en Arie van Deursen behoort hij tot de grootste historici die het Nederlandse taalgebied heeft gekend.

Naast historisch werk schreef Presser ook literatuur. Bekend is zijn boek De nacht der Girondijnen, waarvoor hij een literaire prijs ontving en waarvan de stof deels aan zijn eigen oorlogservaringen is ontleend. Verder waagde hij zich op het lichtere terrein van het detectiveverhaal. Zijn bekendste werk op dit gebied is Moord in Meppel. Daarnaast heeft hij ook poëzie geschreven.

Bibliografie (selectie)[bewerken]

Geschiedkundig
  • Das Buch 'De Tribus Impostoribus' (Von den drei Betrügern) (proefschrift - 1926)
  • De Tachtigjarige Oorlog (1941 - onder eigen naam 1948; 6de druk 1978)
  • Napoleon. Historie en legende (1946; 7de druk 1978). Duitstalige uitgaven (1977, 1990, 1997)
  • Amerika. Van kolonie tot wereldmacht (1949; 4de, herziene druk 1976, met een Naschrift over de periode na 1965 door dr. R. Kroes.)
  • Historia hodierna (Inaugurele rede. Universiteit van Amsterdam, 2 oktober 1950). Ook in: Uit het werk van dr. J. Presser (1969), p. 209–225.
  • Gewiekte wielen. Richard Arkwright (1951)
  • Europa in een boek (1963)
  • Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 (twee delen - 1965; 8ste druk 1985). Engelstalige uitgaven (1968, 1969, 1988, 2010)
  • Uit het werk van dr. J. Presser (1969; afscheidsbundel met 32 essays van zijn hand).
  • Gesprekken met Jacques Presser (1972; een egodocument in de vorm van de volledige tekst van de gesprekken die Philo Bregstein in 1969-1970 met Presser voerde ter voorbereiding van de documentaire film Dingen die niet voorbijgaan)
  • Louter verwachting. Autobiografische schets 1899-1919 (1985; met de tekst van zijn rede voor de herdenking van 25 jaar bevrijding, 5 mei 1970, en een bibliografie van al zijn werk)
Literair
  • De Nacht der Girondijnen (boekenweekgeschenk Novelle, 1957; herhaaldelijk herdrukt en in vele talen vertaald)
  • Orpheus en Ahasverus (gedichten. Herziene en aangevulde uitgave 1969. Eerste druk 1945)
  • Drievoudig afscheid: verzen en rijmen (onder het pseudoniem J. van Dam, 1952)
  • Tochtgenoten (gedichten, 1964)
  • Homo submersus (2010) (tijdens de onderduik geschreven roman in de vorm van een gefictionaliseerd dagboek, postuum verschenen, met een inleiding van Nico Markus)[4]
Detective
  • Moord in Meppel, (pseudoniem Haggi Mami Reis - 1953, onder eigen naam - 1966)
  • Crime passionel, (pseudoniem J. van Dam - 1955)
  • Moord in Moordrecht (1962)
  • Moord in de Poort (1965)

Prijzen en onderscheidingen[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1946-1947, Leiden: Brill 1948
  2. Onder de titel Amerika. Van kolonie tot wereldmacht. 4de, herziene uitgave 1976.
  3. R.M. Dekker op egodocument.net
  4. Recensie Volkskrant