Prins

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Icoontje doorverwijspagina Zie Prins (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Prins.

Prins is de hoogste adellijke titel, maar kan ook een (lagere) vorstelijke titel zijn. Het vrouwelijke equivalent is prinses.

Historie[bewerken]

De term 'prins' komt van het Latijnse princeps (of Italiaanse prima ceps: eerste hoofd), dat voorste of eerste betekent (evenals het woord vorst). De titel gold voor de eerstgeborenen (mannen) van een graafschap, hertogdom, of koninkrijk. De andere zonen waren Baronnen. In de vroege Middeleeuwen was een prinses de gemalin van een prins. Tot die tijd bleef zij Jonkvrouwe.

De aanduiding "Principe" waarin men prins en eerste kan lezen werd in Italië gebruikt voor de machthebber in een stadstaat. Of dat een republiek was deed niet ter zake. Met de prins in Niccolò Machiavelli's boek "Il principe" is dan ook de machthebber of tiran in de ruimste zin van het woord bedoeld.

Toen in Nederland het mogelijk werd gemaakt dat ook de vrouwelijke lijn erfopvolging kon verkrijgen (Wilhelmina) werd de titel prins-gemaal ingevoerd.

In latere tijd kreeg een ieder die in aanmerking kwam voor erfopvolging de titel Prins (of Prinses). Soms echter had de titel niet direct een relatie met rechtstreekse opvolging. Er zijn ook prinsen van den Bloede die behoren tot de koningsfamilie maar afstammen van zijtakken die ontstaan waren toen het geslacht nog niet regeerde.

Er zijn ook prinsen die in een feodale relatie tot de Duitse Keizer stonden. Zij regeerden prinsdommen zoals Luik of Orange. Het Prinsdom Orange werd door Frankrijk geannexeerd. Desondanks zijn er tot de dag van vandaag drie prinsen. Prinses Catharina-Amalia is er één van. De andere Prinsen van Oranje zijn prins Georg Friedrich van Pruisen en de Markies de Nesle.

Deze driedeling is ontstaan na de dood van stadhouder-Koning Willem III van Oranje-Nassau. Deze had in zijn testament bepaald dat zijn bezittingen en titels moesten gaan naar zijn verre neef, de Friese stadhouder Johan Willem Friso van Nassau-Dietz. De grootvader van Willem III, Stadhouder Frederik Hendrik, had echter bepaald dat in geval de mannelijke lijn zou uitsterven, de bezittingen van de Oranjes zouden gaan naar de nakomelingen van zijn oudste dochter, prinses Louise Henriette. Prinses Louise Henriette was getrouwd met Frederik Willem van Brandenburg (de Grote Keurvorst). Haar nakomelingen bestegen als Koning de Pruisische troon.

Lodewijk XIV had er plezier om de door hem verafschuwde Oranjes te tarten door het Prinsdom niet alleen te annexeren maar de daarbij behorende titel aan een Franse edelman te schenken. Daarmee liet de koning zien dat hij, en hij alleen, de macht over Orange bezat. De Markiezen de Nesle voeren de titel tot op de dag van vandaag.

In de Spaanse, Pauselijke en Italiaanse adel komen tientallen prinselijke titels voor. Deze zijn minder in aanzien dan de hertogen. Soms dragen de zonen van een hertog de titel van "prins".

Soorten prinsen[bewerken]

Er zijn zes soorten prinsen;

De rederijkerskamers kennen vanouds een "Prince" als beschermheer of voorzitter. Het was in de middeleeuwen tijdens toernooien voor minstrelen en dichters gebruikelijk dat zij die prince in de laatste strofe van een sonnet quasi toespraken. Na de wending volgt in een klassiek sonnet een drieregelige strofe die de moraal of conclusie bevat en op zijn beurt ook "Prince" wordt genoemd.Deze laatste strofe begint vaak met: "Prince, (...)".

De regerende prinsen[bewerken]

Het staatshoofd van Monaco en Liechtenstein is nog altijd een prins. In de geschiedenis van de Nederlanden kennen wij ook het Prinsbisdom Luik met een prins-bisschop als heer. Deze historische titel werd gevoerd door leden van de Belgische koninklijke familie. De voormalige koning Albert II voerde tijdens de regering van zijn broer de titel Prins van Luik.

Klerikale prinsen[bewerken]

De kardinalen zijn Prinsen van de kerk maar gelden ook als prins omdat zij de Paus, een heerser die met koningen gelijk gesteld wordt, kunnen opvolgen. Zij worden in het protocol direct na de kroonprinsen en kroonprinsessen van de regerende koningshuizen geplaatst.

Adellijke en vorstelijke prinsen[bewerken]

Een voorbeeld van Prins als adellijke titel is Prins de Bourbon de Parme en als vorstelijke titel Prins der Nederlanden. De titel Prins van Oranje-Nassau is in het eerste geval een vererfbare adellijke titel, maar toch ook een vorstelijke titel omdat de Nederlandse regering zich ermee bemoeit aan de hand van koninklijke besluiten. Zo werd de dochter van Constantijn en Laurentien "Gravin van Oranje-Nassau" in plaats van prinses. Een ander voorbeeld is de persoonlijke titel "Prins van Oranje-Nassau" van de zonen van prinses Margriet en prof. mr. Pieter van Vollenhoven.

De prinsentitel is minder in aanzien dan de hertogstitel. In Frankrijk kwamen eeuwenlang hertogelijke families voor maar toen het land zich naar het Oosten en Noorden uitbreidde kreeg de Franse koning ook prinselijke onderdanen. Deze prinsen van het Heilige Roomse Rijk zoals de prinsen de Rohan eisten voorrang op de hertogen maar die hebben zich daar altijd met succes tegen verzet.

Het Duitse Keizerrijk kende een groot aantal prinsdommen. Er waren prinsen, prins-bisschoppen en prins-abten. Ook het Keizerrijk Oostenrijk kende tot prins verheven edellieden. De agnaten van de koninklijke, hertogelijke en vorstelijke huizen mogen zich volgens de gebruiken van hun huis in een aantal gevallen ook prins of prinses van... noemen. Anderen zijn "graaf" terwijl het hoofd van de familie een prins is. In 1918 werden deze prinselijke titels samen met alle adellijke titels en predicaten afgeschaft. In Duitsland werden zij deel van de achternaam maar in Oostenrijk was en is hun gebruik bij wet verboden. De hoge Duitse adelgeslachten hebben desondanks nog veel prestige en velen voeren de titel van Prinz of Prinzessin vóór hun voornamen waar de wet voorschrijft dat het woord, niet de titel want die bestaat niet meer, deel van de achternaam moet zijn.

In Italië, Frankrijk en Duitsland dragen honderden edellieden de titel van prins of prinses. In West-Europa heeft men de Oost-Europese prinselijke titels nooit als gelijke van de eigen prinselijke waardigheid gezien. Ook de Nederlandse Hoge Raad van Adel zag en ziet de Russische "knyaz" eerder als de evenknie van de graven dan van de hertogen.

Volgens de bul Urbem Roman van Paus Benedictus XIV zijn de broers en zusters van een Paus ipso jure Nobili Romani, Romeinse edelen, en prinsen en prinsessen. Deze waardigheid wordt door hun wettelijke mannelijke nakomelingen geërfd.Men herkent deze families aan de Ombrellino die zij in hun wapen mogen voeren.

De Chinese Chin dynastie kende prinsen in vijf graden.

Japan voerde tijdens de Meij-restauratie Europese adellijke titels voor de feodale daimo in en kende tot 1945 prinsen. Nu zijn alleen leden van de Keizerlijke familie Prins of Prinses van Japan.

De Perzische, Saoedi-Arabische, Vietnamese en Turkse dynastieën hebben op hun beurt eveneens honderden erfelijke prinsen voortgebracht.

Prinsen in België[bewerken]

Anno 2009: Prins Filip van België.

België kent, naast de vorstelijke prinsen van België, nog negen prinsen van adel (zie lijst van Belgische adellijke families). Dit betekent dus dat in België een prins of prinses geen zoon of dochter van de koning, of lid van het Belgische koninklijke huis hoeft te zijn (zie ook: Salon Bleu).

Prinsen in Nederland[bewerken]

Anno 2013: Catharina-Amalia, Prinses van Oranje

De Nederlandse adel kent na afscheiding van België in 1831 niet veel prinselijke families van adel meer; zo bestaat er de titel Prins van Waterloo, toegekend aan het Engelse geslacht Wellesley. Toegekend in 1815 voor het eerst aan Arthur Wellesley, Hertog van Wellington. De huidige drager is Arthur Valerian Wellesley, 8e hertog van Wellington. Heden ten dage zijn de titel en daaraan verbonden grond, gelegen in België, echter gescheiden geraakt. Verder kent men het geslacht De Riquet de Caraman dat weliswaar tot de Nederlandse adel behoort maar in het buitenland woont. En er is het prinselijke geslacht De Bourbon de Parme waarvan in 1996 Prins Carlos, hertog van Parma en zijn broer en twee zusters ingelijfd werden in de Nederlandse adel.

In Nederland wordt de titel van prins verder alleen nog gevoerd als vorstelijke titel door de huidige leden van het Koninklijk Huis of voormalige leden hiervan. De vermoedelijke troonopvolger voert de titel Prins van Oranje en de overige (ex-)leden de titels Prins der Nederlanden en/of Prins van Oranje-Nassau. De titels worden van geval tot geval vastgesteld en naast de Wet van de Adeldom apart geregeld door de Wet lidmaatschap koninklijk huis.

Predicaat en kwalificatie[bewerken]

De aanspreektitel van een vorstelijke prins is hoogheid indien hij tot de koninklijke familie behoort, of koninklijke hoogheid indien hij daarnaast tot het Koninklijk Huis behoort. In België hebben prinsen van den bloede recht op het predicaat Koninklijke Hoogheid, ze worden aangesproken met Monseigneur.

De aanspreektitel van een adellijke prins in Nederland is hoogheid. Adellijke prinsen behorende tot de Duitse adel, of soevereine prinsen in Europa (Monaco, Liechtenstein), worden aangesproken met doorluchtige hoogheid. Zo werd prins Bernhard, die Prins van Lippe-Biesterfeld was, eerst aangesproken met het predicaat "Zijne Doorluchtige Hoogheid", en nadat hij Prins der Nederlanden was geworden aangesproken met "Koninklijke Hoogheid".

In Nederland wordt de man van een vrouwelijke monarch prins-gemaal genoemd, maar de vrouw van een mannelijke monarch wordt koningin genoemd.

Rangkroon in België en Nederland[bewerken]

De rangkroon die de adellijke prinsen in Nederland en België mogen voeren werd bij besluit van koning Willem I der Nederlanden in 1817 vastgesteld. Prinsen van adel bedienen zich van eenzelfde kroon als die van hertogen, namelijk een muts van scharlaken fluweel, met een gouden bol op de top, waaruit een vlam van hetzelfde metaal oprijst. Deze muts rust hierbij op een gouden ring met edelstenen. Echter bij prinsen, in tegenstelling bij die van hertogen, rust op de ring vijf bladeren, oftewel fleurons (en geen met parels getopte pieken).

Sommige adellijke prinsen van de Nederlandse adel maar bovenal de Belgische adel voeren een rangkroon van het voormalige Heilige Roomse Rijk boven hun wapenschild, welke te herkennen valt als een met beugelkroon waaruit ook een rood-fluwelen muts uit oprijst. De ring van de kroon is afgezet met hermelijn en drie met parels bezette beugels rijzen op uit deze ring. Waar de beugels samen komen is op de top een kleine rijksappel te zien.

De vorstelijke prinsen van zowel het Nederlandse als het Belgische koninklijke huis hebben afwijkende kronen boven hun persoonlijke wapenschild; veelal voeren zij de koninklijke kroon.

Rangkronen-Fig. 10.svg Princely Hat.svg Rangkronen-Fig. 01-Niederlande.png
Adellijke prinsenkroon
(officiële stijl)
Adellijke prinsenkroon
(oude stijl)
Vorstelijke rangkroon
(Nederlandse koninklijke familie)