Koninklijk Huis (Nederland)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Koninklijk Huis is in Nederland de benaming voor het deel van de koninklijke familie dat gerechtigd is tot de troon en onder de ministeriële verantwoordelijkheid valt.

Lidmaatschap van het Koninklijk Huis[bewerken]

In de Wet lidmaatschap koninklijk huis[1] is vastgelegd wie lid zijn van het Koninklijk Huis. De Koning(in) der Nederlanden (het staatshoofd) staat aan het hoofd van het Koninklijk Huis.

Leden van het Koninklijk Huis zijn zij die krachtens de grondwet de Koning kunnen opvolgen en aan hem verwant zijn in de eerste of tweede graad van bloedverwantschap, alsmede het staatshoofd dat afstand van het koningschap heeft gedaan. Ook alle echtgenoten van voornoemde personen zijn lid van het Koninklijk Huis.

Bepaalde kosten van het Koninklijk Huis worden door de staat vergoed. Zo krijgen het hoofd van het Koninklijk Huis (de Koning[in]), de eerste in de lijn van opvolging (de Prins[es] van Oranje) vanaf de 18-jarige leeftijd, en de voormalige Koning een uitkering als inkomen en vergoeding van niet-declarabele kosten. Ook alle echtgenoten van voornoemde personen krijgen zo'n uitkering. De overige leden van het Koninklijk Huis hebben alleen recht op vergoedingen voor gemaakte kosten wegens hun koninklijke verplichtingen.

Bij verlies van lidmaatschap van het Koninklijk Huis verliest men het recht op een koninklijke toelage alsmede de titels prins der Nederlanden en/of prins van Oranje-Nassau. Deze titels zijn bij wet aan het lidmaatschap van het Koninklijk Huis verbonden. In voorkomende gevallen kan bij Koninklijk Besluit beslist worden over het behoud van de titel prins van Oranje-Nassau als persoonlijke titel voor hen die het lidmaatschap hebben verloren.

Het lidmaatschap van het Koninklijk Huis eindigt door ontslag verleend bij Koninklijk Besluit en bij verlies van het Nederlanderschap (nationaliteit). Indien een lid van het Koninklijk Huis een huwelijk aangaat zonder bij wet verleende toestemming, verliest hij of zij daarmee het recht tot erfopvolging en daardoor tevens het lidmaatschap van het Koninklijk Huis.

Leden van het Koninklijk Huis[bewerken]

Het Koninklijk Huis heeft sinds de troonswisseling van 2013 de onderstaande tien leden:

De graaf en gravinnen Claus-Casimir, Eloise en Leonore van Oranje-Nassau van Amsberg (kinderen van prins Constantijn en prinses Laurentien) zijn wel erfopvolgers, maar geen lid van het Koninklijk Huis, aangezien ze een verwantschap in de derde graad hebben met de Koning.

Voormalige leden van het Koninklijk Huis[bewerken]

De volgende personen hebben hun lidmaatschap van het Koninklijk Huis verloren:

  • prinses Irene, op 29 april 1964 door haar huwelijk zonder wettelijk verleende toestemming met Carel Hugo van Bourbon-Parma;
  • prinses Christina, op 28 juni 1975 door haar huwelijk zonder wettelijk verleende toestemming met Jorge Guillermo;
  • prins Friso, op 24 april 2004 door zijn huwelijk zonder wettelijk verleende toestemming met Mabel Wisse Smit (overleden op 12 augustus 2013)
  • prins Pieter-Christiaan, op 25 augustus 2005 door zijn huwelijk zonder wettelijk verleende toestemming met Anita van Eijk;
  • prins Floris, op 20 oktober 2005 door zijn huwelijk zonder wettelijk verleende toestemming met Aimée Söhngen;
  • prins Maurits en zijn echtgenote Marilène van den Broek, op 30 april 2013 door de abdicatie van zijn tante koningin Beatrix;
  • prins Bernhard en zijn echtgenote Annette Sekrève, op 30 april 2013 door de abdicatie van koningin Beatrix;
  • gravin Eloise, op 30 april 2013 door de abdicatie van haar grootmoeder koningin Beatrix;
  • graaf Claus-Casimir, op 30 april 2013 door de abdicatie van zijn grootmoeder koningin Beatrix;
  • gravin Leonore, op 30 april 2013 door de abdicatie van haar grootmoeder koningin Beatrix.

Na de abdicatie van koningin Beatrix en aanvang van het koningschap door koning Willem-Alexander hebben prins Maurits en prins Bernhard hun recht op erfopvolging verloren omdat de grondwet hiervoor een bloedverwantschap met de Koning in maximaal de derde graad vereist; daarmee maken ze ook geen deel meer uit van het Koninklijk Huis. Gravin Eloise, graaf Claus-Casimir en gravin Leonore verloren op dat moment eveneens hun lidmaatschap van het Koninklijk Huis (de Wet lidmaatschap Koninklijk Huis vereist hiervoor een bloedverwantschap met de Koning in maximaal de tweede graad), maar behielden hun recht op erfopvolging.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties