Personen- en familierecht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het personen- en familierecht is het onderdeel van het burgerlijk recht dat zich bezighoudt met afstamming, geboorte, huwelijk en echtscheiding en andere zaken in verband met de hoedanigheid, familiebetrekkingen en bevoegdheden van personen. Het erfrecht wordt meestal als apart rechtsgebied beschouwd.

Personen- en familierecht is zowel in Nederland als in België opgenomen in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zie Burgerlijk Wetboek (Nederland) en Burgerlijk Wetboek (België). Tevens maakt het onderdeel uit van verdragen zoals het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind. De belangrijkste internationale regels voor het familierecht, die ook in Nederland en België van grote invloed zijn, staan in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, het EVRM. Vooral het recht op family life (gezinsleven), artikel 8 EVRM, heeft grote invloed op de rechtspraak en wetgeving.

Het personen- en familierecht beslaat ongeveer de helft van het rechtsbedrijf (in aantal procedures). Het onderscheidt zich van andere delen van het recht met name door een grote mate van beslotenheid. Openbaarheid van uitspraken is de facto niet van toepassing in het familierecht (EHRM-Arrest P&B versus United Kingdom)

Vooral het onderdeel familierecht is regelmatig onderhevig aan wijzigingen.

Onderdelen[bewerken]

Onderdelen van het familierecht zijn onder meer:

Nederland[bewerken]

Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (Personen- en familierecht) bevat onder meer:

Artikel 80b (in titel 5A) bepaalt dat op een geregistreerd partnerschap de titels 6, 7 en 8 van overeenkomstige toepassing zijn met uitzondering van het omtrent scheiding van tafel en bed bepaalde. Volgens het wetsvoorstel Wet scheiden zonder rechter wordt hieraan toegevoegd (een versoepelde) titel 9.

Wijzigingen[bewerken]

In 1998 werd het gezamenlijk gezag van ouders over hun minderjarige kind als uitgangspunt ingevoerd.

Het geregistreerd partnerschap werd ingevoerd op 1 januari 1998.

Sinds 1 april 2001 kan een huwelijk ook worden aangegaan door twee personen van gelijk geslacht, zie homohuwelijk in Nederland.

Per 1 maart 2009 is de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding in werking getreden. Daarbij werd het voor ouders die hun huwelijk of geregistreerd partnerschap willen beëindigen verplicht een ouderschapsplan op te stellen. Ook werd de gemakkelijke en snelle omzetting van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap afgeschaft, waardoor (ook voor mensen zonder kinderen) de flitsscheiding onmogelijk werd.

De Wet van 16 oktober 2013 tot wijziging van enige bepalingen van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek inzake curatele, onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen en mentorschap ten behoeve van meerderjarigen en enige andere bepalingen (Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap) treedt op 1 januari 2014 in werking. Verkwisting verdwijnt als curatelegrond en verschijnt als grond voor beschermingsbewind. Als grond voor beschermingsbewind wordt verder toegevoegd het hebben van problematische schulden. Naast de partner en de naaste familie en het openbaar ministerie wordt eveneens bevoegd om de rechter instelling van een maatregel te verzoeken de instelling waar de betrokkene wordt verzorgd of die aan de betrokkene begeleiding biedt. De bevoegdheid van de instelling die begeleiding biedt kan bijvoorbeeld van belang zijn in de situatie waarin de betrokken persoon niet in een instelling verblijft, en er geen familie is, dan wel dat deze geen verzoek indient. Het moet gaan om een instelling die bij of krachtens de AWBZ of – in de toekomst – de WMO aan de betrokkene begeleiding biedt gericht op het behouden van structuur in en regie over het dagelijks leven.

Er is het concept-wetsvoorstel Wet scheiden zonder rechter.

België[bewerken]

In 1995 werd het gezamenlijk gezag van ouders over hun kind als uitgangspunt ingevoerd. Minister Laurette Onkelinx heeft voorgesteld gezamenlijke zorg van vader en moeder als uitgangspunt te nemen en afspraken daarover beter afdwingbaar te maken. Dit wetsvoorstel is in maart 2006 aangenomen door de Kamer van Volksvertegenwoordigers en in september 2006 in werking getreden.

Externe link[bewerken]