Erfrecht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het erfrecht of erfenisrecht (België) is het deel van het burgerlijk recht dat de erfopvolging of successie regelt, dat wil zeggen regelt wat er gebeurt met bezittingen en schulden van iemand als die overlijdt. Het woord erfrecht kan ook gebruikt worden in de betekenis van het concrete recht van iemand om iets concreets te erven, bijvoorbeeld het erfrecht op de nalatenschap van een overleden familielid.

Nederland[bewerken]

Het Nederlandse erfrecht is geregeld in boek 4 van het Burgerlijk wetboek. De term die de wet daarbij hanteert is de erfopvolging. Dit is één van gevallen waarbij men goederen (bezittingen en schulden) verkrijgt onder algemene titel (art 80 BW 3). De erfgenamen (ook erven genoemd) volgen de overledene, aangeduid als de erflater, op in diens positie. Zowel zijn bezittingen als zijn schulden worden door het aanvaarden van de nalatenschap deel van het vermogen van de erfgenamen. Ook legaten van de erflater creëren voor de erfgenamen schulden; een legaat komt, tenzij het aan een of meer bepaalde erfgenamen of legatarissen is opgelegd, ten laste van de gezamenlijke erfgenamen.

Een bankrekening kan op naam gesteld worden van "de erven van ...".

De wet onderscheidt twee manieren om erfgenaam te worden:

  1. bij versterf (door een familierelatie, als er geen testament is)
  2. krachtens testament

Art. 1 bepaalt namelijk: van de erfopvolging bij versterf kan worden afgeweken bij een uiterste wilsbeschikking die een erfstelling of een onterving inhoudt.

Als er geen erfgenamen zijn of als deze allemaal verworpen hebben komt een positieve nalatenschap toe aan de Staat.

Over een positieve erfenis moet een erfgenaam erfbelasting betalen.

Erfopvolging bij versterf[bewerken]

Erfgenaam bij versterf wordt men door verwantschap met de overledene. De wet "roept tot een nalatenschap" als erfgenamen uit eigen hoofde achtereenvolgens:

  1. partner (in huwelijk of geregistreerd partnerschap) en kinderen
  2. ouders, broers, zusters
  3. grootouders
  4. overgrootouders

Er zijn dus vier groepen. Uitsluitend de eerst van toepassing zijnde groep erft, elk persoon met een gelijk deel. Als iemand uit een groep zelf al is overleden, is onterfd, of verwerpt, maar hij heeft nageslacht dan komen zijn kinderen gezamenlijk in zijn plaats; dit heet plaatsvervulling en geldt recursief: als een kind is overleden, is onterfd, of verwerpt, wordt zijn deel verdeeld over zijn kinderen, enz. Dit gaat door tot en met familie in de zesde graad.

Voorbeelden:

  • Moeder was al eerder overleden, dan overlijdt vader die niet hertrouwd was. Hij had vier kinderen, A, B, C en D van wie B is overleden. Deze had zelf drie kinderen, E, F en G. De erfgenamen van vader zijn dan A, C en D, alle drie voor 1/4 deel, én E, F en G, gezamenlijk voor 1/4 deel, dus ieder voor 1/12 deel. Stel nu dat A verwerpt en zijn kinderen en eventuele kleinkinderen enz. ook, De erfgenamen van vader zijn dan C en D, allebei voor een 1/3 deel, én E, F en G, gezamenlijk voor 1/3 deel, dus ieder voor 1/9 deel. Stel nu dat alle nog levende nakomelingen van de erflater verwerpen. Dan komt de groep "ouders, broers, zusters" aan bod, zoals hieronder.
  • De overledene heeft nooit een partner of kinderen gehad. Zijn ouders zijn overleden, zijn broers en zusters zijn A en B. Deze erven ieder voor de helft. Stel nu dat A verwerpt en zijn kinderen en eventuele kleinkinderen enz. ook. De enig erfgenaam is dan B. Stel nu dat B ook verwerpt en zijn kinderen en eventuele kleinkinderen enz. ook. Dan komt de groep "grootouders" aan bod, zoals hieronder.
  • De overledene heeft nooit een partner of kinderen gehad. Zijn ouders en grootouders zijn overleden, zijn broers en zusters zijn overleden en hebben nooit kinderen gehad. Hij had nog wel ooms en tantes, zowel van vaderskant als van moederskant. Dan erven zijn niet-aangetrouwde ooms en tantes, die van vaderskant samen de helft en die van moederskant samen de andere helft; volle neven en nichten vervullen de plaatsen van overleden ooms en tantes. Stel nu dat al deze ooms en tantes, en al deze volle neven en nichten en hun nakomelingen verwerpen. Dan komt de groep "overgrootouders" aan bod, zoals hieronder.
  • De overledene heeft nooit een partner of kinderen gehad. Zijn ouders, grootouders en overgrootouders zijn overleden, zijn broers, zusters, ooms, tantes, volle neven en nichten zijn overleden en hebben nooit kinderen gehad. Elk van de acht overgrootouders erft voor 1/8 deel. Door plaatsvervulling erven hun nakomelingen. Aangenomen dat de kinderen van elk stel overgrootouders de beide overgrootouders als ouder heeft, zijn er vier familietakken, die elk erven voor 1/4 deel. De plaatsvervulling kan gaan tot en met de achterkleinkinderen van de overgrootouders. Hun nakomelingen kunnen niet erven bij versterf; bij een grote positieve nalatenschap kan dit jammer zijn, maar bij een kleine of negatieve nalatenschap bespaart het kosten, moeite en risico van een keuze ten aanzien van het aanvaarden.

Artikel 13 bepaalt dat een kind van een gehuwde overledene zijn erfdeel niet direct krijgt, maar tegoed houdt van de echtgenoot (vaak zijn andere ouder) tot die ook is overleden.

Erfopvolging krachtens uiterste wilsbeschikking[bewerken]

Het wettelijk stelsel kan doorbroken worden door het maken van een uiterste wil, beter bekend als testament. In de praktijk wordt een testament opgemaakt door een notaris. Op grond van het Haags Testamentvormenverdrag kan een Nederlander echter ook geldig in het buitenland een onderhands (eigenhandig) geschreven testament maken, wanneer dit voldoet aan de vormvereisten van het land waar(in) dit testament wordt gemaakt. Een dergelijk testament kan thuis worden bewaard en hoeft niet bij een notaris in bewaring te worden gegeven.

Er is geen plaatsvervulling (zoals die er wel is bij erfopvolging bij versterf, zie boven), tenzij dit in het testament staat. Als het een familielid betreft kan dit met de formulering "met inachtneming van plaatsvervulling, zoals geregeld in het Burgerlijk Wetboek voor erfopvolging bij versterf". Als het geen familielid betreft is een andere formulering nodig, gezien de bepaling bij erfopvolging bij versterf dat alleen familieleden van de erflater tot en met de zesde graad erven.

Legitieme portie[bewerken]

Door het maken van een testament wordt de wettelijke regeling terzijde geschoven. Ten aanzien van de eigen kinderen geldt daarbij echter een aanzienlijke beperking. Kinderen kunnen in een testament wel worden onterfd, maar zij hoeven zich daar niet bij neer te leggen. Zij kunnen namelijk aanspraak maken op hun zogenaamde legitieme portie. Dat is een deel van de nalatenschap waar kinderen, ook al zijn ze onterfd, volgens de wet altijd aanspraak op kunnen maken. De wet geeft echter ook de mogelijkheid om de opeisbaarheid van de legitieme portie door de kinderen uit te stellen. Zo kan de testateur bepalen dat de kinderen hun legitieme portie pas kunnen opeisen als de partner van de testateur is overleden.

Wilsrechten[bewerken]

Na overlijden kan de langstlevende echtgenoot hertrouwen. Langstlevende partner had na overlijden een schuld aan de kinderen. Bij hertrouwen, kan door eventuele gemeenschap van goederen die na hertrouwen ontstaat, de vordering van de kinderen naar de tweede partner gaan of via de stiefouder bij de stief-familie terechtkomen.

De kinderen hebben bij hertrouwen van de langstlevende partner de mogelijkheid hun eigen positie te versterken. Zij kunnen een beroep doen op een zogenaamd wilsrecht.

Als de kinderen een wilsrecht inroepen, krijgen zij goederen in eigendom, met een waarde van de vordering die zij hebben op de langstlevende echtgenoot. De langstlevende echtgenote krijgt dan wel het vruchtgebruik van deze goederen. Deze kan, of de stief-ouder, niet meer aan deze goederen komen of verkopen (alleen de rente of andere vruchten die uit deze goederen komen zijn voor de vruchtgebruiker).

Met andere woorden, de kinderen kunnen hun erfdeel veilig stellen en hoeven niet bang te zijn dat hun aandeel erfdeel vooroverleden vader naar de erfgenamen gaat van de nieuwe partner van moeder. Wanneer moeder komt te overlijden vervalt het vruchtgebruik en verkrijgen de kinderen de volle eigendom van de goederen waarover een wilsrecht was ingeroepen.

Wilsrechten kunnen worden ingeroepen vanaf het moment dat langstlevende partner aankondigt in het huwelijk te willen treden (aantekenen bij de gemeente).

Omdat dit verder een moeilijk onderwerp is kan dit het beste worden uitgelegd met voorbeelden.

A is overleden en erfgenamen zijn partner B en kinderen C en D. De nalatenschap van A was totaal € 60.000. B heeft dus een schuld aan de kinderen van ieder € 20.000. Echtgenote B is nu voornemens te gaan hertrouwen met X, X heeft een kind Z. Het gevaar bestaat nu dat de vordering van de kinderen C en D op hun moeder B naar de erfgenamen van X of X zelf gaat. Dit kunnen de kinderen C en D nu voorkomen, door een beroep te doen op hun wilsrechten. Kinderen C en D kunnen een beroep op hun wilsrechten doen vanaf het moment aankondiging ondertrouw of huwelijk moeder B.

De kinderen hebben een vordering op B van ieder € 20.000. Deze vordering kan nu bij beroep op de wilsrechten wel zeker gesteld worden. De kinderen kunnen middels hun wilsrechten een vruchtgebruik stellen van bepaalde goederen uit de nalatenschap van vader. (goederen zijn alle zaken) De langstlevende partner krijgt dan het vruchtgebruik van die goederen en de kinderen de blote eigendom van die aangewezen bepaalde goederen (er is dan geen rentevergoeding meer). Bij overlijden langstlevende partner vervalt dit vruchtgebruik en gaat het vermogen over aan de blote eigenaren. (kinderen C en D, dus niet naar X of erven van X)

Bij beroep op wilsrecht door C en D kan bijvoorbeeld C een beroep doen op wilsrecht van een kast ter waarde van € 20.000 en kind D een beroep doen op wilsrecht van een bankrekening ter waarde van € 20.000. De langstlevende partner B hoeft deze zaken nog niet af geven, zij is immers nog niet overleden.

Enkele jaren later overlijdt B. Zij heeft geen testament gemaakt. De erfgenamen van B zijn dus de kinderen C en D en haar echtgenoot X, ieder voor 1/3 deel. Z erft niet mee, dit is immers geen bloedverwant van B.

B en X waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Bij overlijden huwelijk B was het gezamenlijke vermogen totaal € 160.000, waaronder het vruchtgebruik van € 40.000.

Omdat de kinderen bij hertrouwen van B een beroep hebben gedaan op hum wilsrechten, vervalt het vruchtgebruik aan de blote eigenaren. Het gemeenschappelijk vermogen is na aftrek blote eigendom/vruchtgebruik vermogen totaal € 120.000, de nalatenschap is de helft of € 60.000. Hierin zijn de erfgenamen de kinderen C en D en partner X ieder voor 1/3 deel in gerechtigd, of ieder € 20.000

Op dit erfdeel is ook de wettelijke verdeling van toepassing. Alle vermogensbestanddelen worden toegedeeld aan X en X heeft een schuld aan de kinderen C en D van € 20.000, opeisbaar bij zijn overlijden.

Executeur[bewerken]

Een executeur is iemand die de nalatenschap van een erflater behandelt en afwikkelt. Hij kan alleen benoemd worden bij testament. (Vóór 2003 werd de term executeur-testamentair gebruikt en was het ook mogelijk deze bij codicil te benoemen.[1])

Codicil[bewerken]

De regels voor een codicil zijn opgenomen in artikel 97 Burgerlijk Wetboek Boek 4. Een codicil is een met de hand geschreven, gedagtekend en ondertekend papier, waarin bepaalde wensen kunnen worden opgenomen. Een getypte of gedrukte tekst is niet rechtsgeldig en kan niet als codicil worden aangemerkt.

In een codicil kan iemand bepaalde legaten opnemen, echter alleen legaten van kleding, lijfstoebehoren en bepaalde sieraden. Met 'bepaalde sieraden' worden bedoeld persoonlijke en/of sieraden die jaren tot de familie behoorden. Ook kunnen inboedelgoederen en boeken worden gelegateerd. Met andere woorden, alleen bepaalde kleine (persoonlijke) roerende zaken kunnen bij codicil vermaakt worden. Wil iemand grotere legaten of contanten legateren dan moet er een testament worden opgemaakt. Een testament kan alleen door tussenkomst van een notaris worden opgemaakt (zie onderdeel testamenten).

Tevens kan in een codicil worden opgenomen dat de verkrijging door een of meerdere erfgenamen niet zal vallen in een gemeenschap van goederen. Dat wil zeggen:

  • Indien een kind erfgenaam is, en in gemeenschap van goederen gehuwd is, valt de verkrijging uit de nalatenschap van zijn ouder in deze gemeenschap van goederen van dit kind. Bij een eventuele echtscheiding van het kind, deelt zijn echtgenoot kind mee in de nalatenschap.Immers het vermogen van man en vrouw, zijn kind en echtgenoot moet dan door twee worden gedeeld. Indien in een codicil is opgenomen dat de verkrijging door het kind uit de nalatenschap niet zal vallen in een gemeenschap van goederen, blijft deze verkrijging privé van het kind. Bij eventuele echtscheiding van kind, blijft deze erfenis buiten de verdeling bij de echtscheiding.

België[bewerken]

Het erfrecht in België wordt geregeld in boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

Het recht op het nalatenschap is sinds 2003 veranderd, waarbij vooral de nalatenschap van de langstlevende echtgenoot werd herzien. Ingeval er geen testament is, heeft de langstlevende echtgenoot recht op het vruchtgebruik op de volledige nalatenschap. De erfgenamen krijgen de naakte eigendom. Indien er alleen een langstlevende echtgenoot aanwezig is én ook de ouders van de overleden echtgenoot niet meer in leven zijn, dan krijgt deze de volle eigendom op de volledige nalatenschap.

Ordes en graden[bewerken]

Het Belgisch erfrecht onderscheidt volgende ordes

  1. de descedenten (kinderen, kleinkinderen, ...);
  2. de broers en zussen (bevoorrechte zijverwanten), deze komen dan samen met de ouders op indien die nog leven;
  3. de ascedenten (ouders, grootouders en volgende indien geen broers of zussen aanwezig zijn);
  4. de overige zijverwanten (ooms, tantes, neven en nichten);
  5. de staat, indien geen van voorgaande aanwezig is of alle erfgenamen de erfenis hebben verworpen.

Het bestaan van een eerdere orde, sluit het bestaan van de volgende orde uit. Met andere woorden zal, bij afwezigheid van een testament, wie in orde twee staat, niets erven als er reeds een orde 1 is.

Een begunstigde, is iemand die binnen zijn orde de dichtstbijzijnde graad heeft. Een graad is typisch een generatiesprong. De kinderen van een overledene zijn graad 1 en zijn kleinkinderen zijn graad 2. Indien binnen de orde één begunstigde aanwezig is, krijgt deze begunstigde alles.Zelfs indien ook in de volgende orde iemand met dezelfde graad bestaat. Concreet betekent dit dat hoewel de broer en de enige zoon van een overledenen dezelfde graad hebben, het toch enkel de enige zoon is die zal erven. de zoon staat immers in een hogere orde dan de broer.

Binnen één orde kan er evenwel sprake van plaatsvervanging zijn. Stel dat een persoon kinderloos sterft en zijn nalatenschap naar zijn broer en zijn zus gaan; Dan is het zo dat als ook de broer reeds overleden is, zijn helft van de nalatenschap over zijn kinderen verdeeld kan worden. De zus krijgt dan pas de volle erfenis, als ook haar andere broer geen kinderen had.

Vanaf orde 3 gebeurt er een 'kloving'. De erfenis wordt dan in twee gesplitst: een deel gaat naar de vaderlijke tak en een deel gaat naar de moederlijke tak.

Reservataire erfgenamen[bewerken]

In de wet zijn zogenaamde reservataire erfgenamen opgenomen. Deze erfgenamen hebben een bij wet voorbehouden deel van de nalatenschap naar hen toekomend. Dit heet het principe van de gelijkheid der eerste orde erfgenamen (l'égalité) en komt voor uit de Code Napoléon van 1804. Voor descedenten kan dit oplopen tot 3/4 (te verdelen onder het aantal kinderen) en voor bevoorrechte ascedenten tot 2/4 (1/4 per ouderlijke lijn) dat voor hen is voorbehouden. De reserve van de bevoorrechte ascendenten bestaat slechts, indien er geen descendenten zijn. Hierbij is het belangrijk te weten dat met een testament of zelfs met een schenking bij leven, niet aan deze reserves geraakt kan worden.

De reserve van de echtgenoot bestaat langs de beschermde reserves hierboven genoemd én langs eventuele andere bij testament begunstigden. Deze reserve houdt in abstracte in dat de langstlevende echtgenoot recht heeft op de helft van de nalatenschap (dit is het bezit van de overleden echtgenoot en de overledene zijn deel van de gemeenschap) én in concrete het vruchtgebruik op de gezinswoning in. Dit vruchtgebruik wordt vervult ten koste van de erfgenamen.

Voorbeeld[bewerken]

X. laat per testament zijn hele bezit ter waarde van 10 miljoen aan zijn minnares na. Hij heeft echter ook nog een echtgenoot en drie kinderen. Door haar wettelijk beschermd erfdeel zal zijn vrouw toch nog het vruchtgebruik op de helft van 10 miljoen krijgen. Dit vruchtgebruik zal voor de helft worden geput uit de reservataire erfenis van zijn kinderen én de testamentaire erfenis van zijn minnares: Elk kind krijgt 1/8 in volle eigendom en 1/8 in naakte eigendom (en ontvangen hierop het vruchtgebruik bij het overlijden van hun moeder). De minnares zal, ondanks dat het testament haar 10 miljoen toekent, slechts 1/8 in volle eigendom krijgen en 1/8 in naakte eigendom.

Oorsprong[bewerken]

Merk op dat het principe van reservataire erfgenamen een eigenschap is van het oude Romeinse erfrecht, die gedeeltelijk werd overgenomen in het latere Napoleontische recht. Dit in tegenstelling tot Angelsaksisch erfrecht, dat de erflater volledig vrije vermogensbeschikking (liberté) van zijn nalatenschap laat.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. De in artikel 97, lid c Burgerlijk wetboek opgenomen bepaling is hier niet van belang. Deze bepaling is opgenomen, omdat er een verwijzing naar het erfrecht staat in de Auteurswet en Wet op naburige rechten. Dit is alleen van belang indien een van deze wetten in een nalatenschap van toepassing is en dan kan het beste de hulp van een notaris en of specialist worden ingeroepen.