Vereenigde Oostindische Compagnie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vereenigde Oostindische Compagnie

VOC.svg

Het Oost-Indisch Huis door Reinier Vinkeles.
Het Oost-Indisch Huis door Reinier Vinkeles.
Doel Zeehandel met het gebied ten oosten van de Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magellaan.
Oprichting Octrooi verleend op 20 maart 1602.
Opheffing 17 maart 1798 (nationalisatie); 31 december 1799 (laatste dag geldigheid octrooi)
Oorzaak einde Verovering Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden door Frankrijk, Vierde Engels-Nederlandse Oorlog, corruptie, mismanagement, verlies winstgevende opiumhandel aan Engeland.
Oprichter(s) De Staten-Generaal op initiatief van Johan van Oldenbarnevelt
Sleutelfiguren Onder andere Pieter Both, Jan Pieterszoon Coen, Antonie van Diemen, Joan Maetsuycker, Rijklof van Goens
Bestuur 'Heren XVII'
Hoofdkantoor VOC-Kamer te Amsterdam en Middelburg. Andere kantoren in: Enkhuizen, Delft, Hoorn en Rotterdam
Werknemers tot 28.000
Producten Aanvankelijk vooral specerijen als peper, foelie, kruidnagel, nootmuskaat en kaneel, maar ook porselein en zijde. Later koffie, thee, suiker, katoen en opium.
Sector Zeehandel
Portaal  Portaalicoon   Economie
VOC
VOC-duit. (1735)
Links de oudst bewaarde kwitantie van een termijnbetaling van een participatie in een VOC-aandeel, gedateerd 9 september 1606. Rechts de tot 1650 op de kwitantie bijgehouden uitbetaling van dividend.
Het feitelijke handelsgebied. Officieel lag het aan de VOC verleende octrooi tussen Kaap de Goede Hoop en Straat Magellaan (dat niemant, (-)uit deze vereenigde Landen zal mogen vaaren, (-) Beoosten de kaap de Bonne Esperance, ofte door de straat van Magellanes, op de verbeurte van de schepen en goederen.[1]).
Het Aziatisch handelsgebied. (Nicolaas Visscher, 1681)
Reproductie van een plattegrond van Batavia uit circa 1627, collectie Tropenmuseum.
Het scheepswerfterrein van de VOC op Oostenburg in Amsterdam. Foto: bma.amsterdam.nl
Het Oostindisch-magazijn, omstreeks 1770, door Hermanus Petrus Schouten. (Gemeentearchief Amsterdam)
Kraakporselein in het voormalige Nederlandse stadhuis in Malakka.
De tafel met de zeventien stoelen van "de Heren XVII" in het Oost-Indisch huis in Amsterdam.
Batavia omstreeks 1681.
In 1663 verovert de VOC de stad Cochin op de Portugezen. (Coenraet Decker, 1682)
Replica van het VOC-spiegelschip Amsterdam.
Olieverfschilderij door Andries Beeckman van het Kasteel Batavia gezien van Kali Besar west met op de voorgrond de vismarkt. (circa 1662) Collectie Tropenmuseum.
Anoniem schilderij met de Tafelberg op de achtergrond. (1762)
De Nederlandse factorij op het Japanse eiland Hirado. (17e-eeuwse gravure)

De Vereenigde Oostindische Compagnie of in hedendaagse spelling Verenigde Oost-Indische Compagnie, afgekort tot VOC, was een particuliere Nederlandse handelsonderneming met een monopolie op de overzeese handel tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magellaan.

De VOC werd in 1602 opgericht als de Generale Vereenichde Geoctroyeerde Compagnie.[2][3] Het was destijds het grootste handelsbedrijf ter wereld en was de eerste naamloze vennootschap met vrij verhandelbare aandelen.[4] De VOC wordt vaak genoemd als het eerste bedrijf dat in meerdere landen vestigingen had.

De VOC richtte een handelsnetwerk op tussen de diverse handelsposten in de Aziatische regio. Deze intra-Aziatische handel zorgde vele jaren voor grote winsten. De VOC sloot daartoe naar believen tractaten met oosterse potentaten en vorsten.[5] De compagnie sloeg eigen munten, want in Azië was nauwelijks vraag naar Europese producten, afgezien van wapens, wetenschappelijke instrumenten en medische handboeken.

De VOC had een eigen leger en oorlogsschepen ter handhaving of uitbreiding van haar positie en om zo nodig handel met de lokale bevolking af te dwingen. De compagnie stortte zich in de eerste jaren in dure militaire campagnes om de Portugezen uit Aziatische handelsposten te verdrijven en andere concurrenten op een afstand te houden. Rond 1700 was de helft van het aantal medewerkers soldaat.[6]

Binnen de Aziatische factorijen en het door haar gecontroleerde gebied regelde de compagnie bestuur en rechtspraak. Er werd handel gedreven (soms kort) met onder meer Mokka, Perzië, Gujarat, Malabar, Ceylon, de Coromandelkust, Bengalen, Ayutthaya, Cambodja, Birma, Vietnam, Formosa, China, Japan, Java en de Molukken waar lange tijd de meeste winst werd gemaakt.

De VOC stimuleerde ontdekkingsreizen in de hoop op snellere verbindingen, nieuwe handelscontacten en producten, taalonderzoek met de bedoeling het christelijk geloof onder de aandacht van de plaatselijke bevolking te brengen en etnobotanisch onderzoek om het aantal slachtoffers onder haar werknemers te doen afnemen.

Op het toppunt van haar macht had de VOC 25.000 werknemers in Azië in dienst. In Nederland had de VOC zo'n 3.000 personeelsleden en indirect waren in de toelevering velen er economisch afhankelijk van. Van hoog tot laag hielden de werknemers zich bezig met smokkel om hun karige salarissen aan te vullen.

De VOC had veel te lijden van de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (1780-1784), toen door de Engelsen meerdere handelsposten ingenomen werden en volle handelsschepen gekaapt werden. De verliezen worden geraamd op mogelijk zestig miljoen gulden. Tijdens de Bataafse Republiek werd het bedrijf, machtssymbool van het "ancien regime", in maart 1795 genationaliseerd. De schuld bedroeg een jaar later 120 miljoen gulden die de staat overnam.[7] Het octrooi werd nog tweemaal verlengd om de lopende zaken af te handelen. De VOC hield officieel op te bestaan op 31 december 1799.

Voorgeschiedenis

Tussen 1498 en 1595 was de specerijenhandel op Oost-Indië volledig in handen van de Portugezen, gedekt door het pauselijke Verdrag van Tordesillas. Nadat Portugal met Spanje - waarmee de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in oorlog was - één land was geworden, werd het de Nederlanders verboden om Spaanse en Portugese havens aan te doen. Daarop werd in de republiek besloten om zelf de specerijen te gaan halen in Oost-Indië.

Er ontstonden vanaf 1595 meerdere compagnieën met handel op Oost-Indië. Raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt was niet de enige die vond dat de concurrentie de winst drukte. Daarnaast konden de kleine compagnieën geen rol spelen in de strijd tegen de koning van Spanje. Een grote verenigde compagnie zou daarentegen in zijn ogen een krachtig militair én economisch wapen zijn, en hij dwong de compagnieën te fuseren. De inkomsten die de VOC in de vorm van allerlei belastingen en accijnzen voor de staat zou genereren, werden voor het land van groot belang geacht voor de financiering van de Tachtigjarige Oorlog. Dat bleek in de praktijk ook zo te zijn.[8] Aan het eind van zijn leven liet Van Oldenbarnevelt weten dat bij de oprichting voor hem het staatsbelang zwaarder woog dan dat van de aandeelhouders.

Stichting en bestuur

Octrooi

In 1602 gingen zes compagnieën over in de VOC.[9] Op 20 maart 1602 verleenden de Staten-Generaal een octrooi met daarin vastgelegd dat vanuit de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden alleen de VOC het recht had zeehandel te drijven in het gebied ten oosten van Kaap de Goede Hoop en ten westen van de Straat Magellaan.[10] De dag van de octrooiverlening wordt algemeen beschouwd als de officiële oprichtingsdatum. Het octrooi had een geldigheid van eenentwintig jaar. Afgesproken was dat de participanten het recht hadden om na tien jaar hun gehele inleg terug te krijgen.

Bewindhebbers

De 73 bewindhebbers van de zes voormalige compagnieën kregen de dagelijkse leiding. Dit aantal moest door natuurlijk verloop worden teruggebracht tot 60 bewindhebbers. Het werden er weer meer toen in de periode 1613-1665 diverse provincies en steden een zetel opeisten nadat de Staten-Generaal fikse subsidies hadden verleend.[11] Vanaf 1696 mocht de Ridderschap van Holland twee bewindhebbers installeren.[12] Daarmee kwam het aantal weer op 73 bewindhebbers.

In 1749 werd stadhouder Willem IV aangesteld tot opperbewindhebber.[13] Ook zijn opvolger Willem V kreeg die functie.[14][15] Na de Franse inval en de oprichting van de Bataafse Republiek werden alle bewindhebbers op 24 december 1795 van hun taken ontheven. Het dagelijkse bestuur werd overgenomen door het 21 leden tellende Comité tot de zaken van de Oost-Indische handel en bezittingen.[16]

Kamers en Heren XVII

De VOC was onderverdeeld in vier regionale afdelingen (Amsterdam, Zeeland, West-Friesland en Maaze) met in zes steden een kantoor dat 'kamer' genoemd werd. Het centrale bestuur kwam in handen van de Heren XVII, naar de naam van het aantal door de kamers afgevaardigde bewindhebbers.[17] Het aantal bewindhebbers van elke kamer dat werd afgevaardigd naar de Heren XVII was zo vastgesteld dat Amsterdam geen absolute meerderheid kon krijgen.

In Den Haag zetelde het Haags Besogne. Dit was een administratieve commissie binnen de VOC die de correspondentie met Indië controleerde.[18]

Kapitaal

Om aan kapitaal te komen, konden alle ingezetenen van de republiek tot en met 31 augustus 1602 bij elke kamer schriftelijk vastleggen hoeveel geld ze wilden inleggen, dat vervolgens in termijnen betaald kon worden. Een aandeel in de investering dat bijvoorbeeld in de kamer van Amsterdam in de boeken stond, kon vrijelijk verhandeld worden, maar kon niet bij een andere kamer worden ingeschreven.[19] Op die manier kreeg elke kamer een vast eigen aandeel in de VOC. Alleen al in Amsterdam legden 1143 investeerders geld in.[20] In Enkhuizen waren er dat 538. In totaal werd ruim 6,4 miljoen gulden ingelegd.[21] Vastgelegd werd dat dit bedrag verhoogd, noch verlaagd mocht worden.[22]

Hieronder is een tabel met de schriftelijke toezeggingen voor de inleg ten behoeve van de oprichting van de VOC per 31 augustus 1602 in gulden en het aantal afgevaardigden in de Heren XVII. De zeventiende afgevaardigde kwam afwisselend uit Middelburg of uit een van de kleinere kamers Enkhuizen, Delft, Hoorn en Rotterdam:

Kamer kapitaal[23] Afgevaardigden
Amsterdam 3 679 915 8
Middelburg 1 300 405 4
Enkhuizen 540 000 1
Delft 469 400 1
Hoorn 266 868 1
Rotterdam 173 000 1
Totaal: 6 429 588 16 (+1)

Raad van Indië

Vanaf 1609 was het plaatselijke bestuur in Indië in handen van de Raad van Indië. Deze was verantwoording schuldig aan de Heren XVII, maar omdat instructies gemiddeld driekwart jaar onderweg waren, was die in verregaande mate bevoegd zelf beslissingen te nemen. Deze Hoge Regering werd geleid door de gouverneur-generaal en werd bijgestaan door raadsleden. De Raad van Indië zetelde eerst op het eiland Ternate en later in de stad Batavia op Java.

Beginjaren

De uitreding van schepen was een zo kostbare aangelegenheid dat er aanvankelijk weinig winst werd gemaakt. Typerend is dat de VOC-bewindhebbers in het begin uit eigen zak de boekhouders, de kassier en het overige kantoorpersoneel bezoldigden.[24] De koersen van de actiën stegen snel toen Steven van der Hagen in 1605 als eerste met een rijke lading terugkwam en er in 1607 geruchten waren over een verovering van de Maleise stad Malakka.

De eerste jaren werd zwaar geïnvesteerd in een oorlogsvloot, om in Azië vaste voet aan de grond te krijgen. Aan de Staten-Generaal werd geld gegeven om in Portugal handels- en oorlogsschepen aan te vallen en havens te blokkeren. Zelf veroverde de VOC in de Indische Archipel diverse Portugese forten en maakte 150 tot 200 schepen buit. De VOC groeide daarmee reeds in de beginjaren uit tot een kaapvaartcompagnie. Ook tijdens het Twaalfjarig Bestand ging de gewapende strijd tegen de Spanjaarden en Portugezen onverminderd door. Zo werd de in Spaanse handen zijnde haven van Manilla verscheidene malen geblokkeerd. Pas begin jaren twintig zou de VOC van vrijbuiter worden omgevormd tot handelscompagnie.

De eerste vier expedities naar Azië kostten de VOC meer geld dan was ingelegd. Tevens waren er meer specerijen geïmporteerd dan verkocht konden worden. In 1605 was Isaac le Maire wegens fraude als bewindhebber afgezet. Hij begon een bedrijf dat zich richtte op de termijnhandel van de VOC-aandelen, waarbij het hem lukte om de koers te laten zakken om op die manier zelf hogere winsten te creëren en de VOC een loer te draaien. De VOC-bewindhebbers zagen zich in 1610 genoodzaakt om voor het eerst dividend uit te keren om de aandelenkoers te laten stijgen.[25] Bij gebrek aan contanten werd die in specerijen uitbetaald. De koers steeg daarop, maar desondanks had de VOC in 1612 meer geld uitgegeven dan was binnengekomen en was het onmogelijk om de investeerders die dat wilden hun inbreng terug te betalen. De Staten-Generaal bepaalde daarop dat de kapitaalverstrekkers nog tien jaar op hun geld moesten wachten.[26]

Al in 1608 werd een factorij in Masulipatnam gesticht, aan de Coromandelkust in het zuiden van India. Vanaf 1615 werd er handel gedreven op Bengalen in het noorden.

Aan de kaapvaart had de VOC in de eerste 21 jaar van haar bestaan volgens historicus Victor Enthoven zo'n tien miljoen gulden verdiend. Had zij die inkomsten niet gehad, dan was de compagnie volgens hem in de beginjaren al failliet gegaan. Het gemiddelde rendement op de aandelen bedroeg tot begin jaren twintig van de zeventiende eeuw zo'n zes procent op jaarbasis. Dat was minder dan wat de banken voor spaargeld gaven.

In 1622 voerde een groep participanten oppositie tegen de bewindhebbers. Een aantal van hen had een complete voorraad handelsgoederen opgekocht, nog voordat die de republiek bereikt had.[27] De aandeelhouders beschuldigden de bewindhebbers van mismanagement, zelfverrijking, belangenconflicten en een gebrek aan financiële openheid.[28] Daarop werd bij de vernieuwing van het octrooi in 1623 de macht van de bewindhebbers enigszins beperkt.[29] Er werd een regel ingesteld dat ze niet meer hun leven lang, maar slechts voor een periode van drie jaar als bewindhebber konden aanblijven en vervolgens drie jaar aan de zijlijn moesten staan. Hiermee werd al spoedig de hand gelicht.[29] Daarnaast mochten de bewindhebbers alleen nog op publieke veilingen en tegen dezelfde voorwaarden als anderen handelswaren kopen.[30] Vanaf 1647 werden de bewindhebbers vast bezoldigd, evenals het kantoorpersoneel.[31] In dat jaar probeerde de in 1621 opgerichte en inmiddels nagenoeg failliete West-Indische Compagnie vergeefs te fuseren met de VOC.

Handelsgebied

Het feitelijke handelsgebied van de VOC strekte zich uit van Kaap de Goede Hoop tot Japan.

Ruilhandel

Omdat er in Azië weinig interesse bestond voor Europese producten, voeren de schepen aanvankelijk met een ballast van bakstenen en werd de handel veelal betaald met goud en zilver, aangevoerd vanuit Europa, Arabië, Zuid-Amerika of Japan, of met textiel en zijde die in India waren gekocht. Zo bouwde de VOC voort op een bestaand handelsnetwerk dat werd uitgebreid met factorijen die zilver, tin, hout, huiden, koper, salpeter, ivoor, betelnoten en opium leverden.

Het opzetten van een netwerk van ruilhandel, dat de "Indische buitenhandel" werd genoemd, is gepropageerd door gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen (1587-1629) om het tekort aan edele metalen en contanten te ondervangen. Hij was ervan overtuigd dat met deze intra-Aziatische handel de VOC zich volledig zou kunnen bedruipen en geen geld uit de republiek meer nodig zou hebben om handelsgoederen in te kopen. Om dat mede te realiseren wilde hij vele Nederlanders naar de Indische archipel laten emigreren. Voor dat laatste ontbrak het aan belangstelling. Tussen circa 1635 en 1690 maakte de VOC inderdaad winst met de door Coen ingestelde interne handel.[32]

Het ruilen van Chinese zijde tegen Japans zilver bleek uitermate winstgevend. Pattani op het Maleise schiereiland werd al snel een centrum voor de inter-Aziatische handel; in het bijzonder voor de handel op China.

Monopolie

Samen met de eerste gouverneur-generaal Pieter Both stond Jan Pieterszoon Coen een beleid voor om op agressieve wijze een monopolie te verwerven in de specerijenhandel in de Indische archipel. Om dat te bereiken voerde Coen oorlog tegen Europese rivalen en Indische vorsten. De pogingen van de Britse Oost-Indische Compagnie een aandeel te krijgen, werden door Coen zo veel mogelijk gedwarsboomd.

Net als de Portugezen in Goa, zag Coen als doel alle handel te centraliseren en via Batavia te laten verlopen. Vervolgens beoogde hij de handel op het Keizerrijk China te monopoliseren door havens te bezetten die door Chinese schippers werden aangedaan en oorlog te voeren tegen Spanjaarden en Portugezen om hun aandeel in de lucratieve handel met het onbekende maar rijk geachte China af te buigen naar Batavia.[33] Zo werd de haven van Manilla geblokkeerd, om Chinese kooplieden te dwingen Batavia aan te doen.[34]

In 1622 werden de Banda-eilanden onder controle gebracht en besloot de VOC mee te werken aan de uitrusting van de Nassause vloot onder Jacques l'Hermite die belast was met een geheime instructie: een aanval op Callao en het in handen krijgen van een zilvervloot.[35]

Coen gaf in 1622 opdracht om de Portugezen met geweld uit Macau te verjagen. De Portugese verdediging bleek sterker dan gedacht en de aanval werd een mislukking. Vervolgens werd een fort gebouwd op de wat verderop gelegen eilandengroep Pescadores in de Straat Formosa om van daaruit op China handel te drijven, maar de Chinezen toonden weinig interesse, waarop besloten werd om langs de Chinese kust te gaan roven. Dat leidde tot een tegenreactie van de Chinezen die de VOC op de Pescadores aanvielen. Na een beleg van enkele maanden gaven de Hollanders zich over en verkasten naar een zandbank vlakbij het nog verder van de Chinese kust afgelegen Formosa. In 1633 vond er een nieuwe strijd plaats over wie de baas was in de Straat Formosa. Deze Zeeslag bij de baai van Liaoluo werd opnieuw glansrijk door de Chinezen gewonnen.

Vanaf 1634 won de factorij aan de Hooghly steeds meer aan belang. Pas vanaf dit jaar werd jaarlijks dividend uitgekeerd.[36]

De VOC vestigde in 1637 een factorij in het Vietnamese Tonkin, belangrijk voor de export van Vietnamese zijde naar Japan.[37] In Japan kon de VOC relatief gunstig aan zilver komen, waar een kwart van de wereldproductie plaatsvond. De waardeverhouding van goud en zilver tussen Europa en Azië verschilde; de waardering van zilver in het verre oosten en Perzië was groter dan voor goud. Vanaf 1640 kreeg de VOC in Japan te maken met tegenwerking van de shogun die de Hollandse factorij op Hirado liet verplaatsen naar het kunstmatige eiland Dejima.[38]

Gouverneur-generaal Antonie van Diemen stuurde Abel Tasman in 1642 erop uit om Zuidland, het latere Australië, verder in kaart te brengen. De expedities van Maarten Vries naar het noorden en van Tasman naar het zuiden hadden tot doel meer goud en zilver aan te leveren, maar beide keerden onverrichter zake terug.

De stad Goa werd acht jaar lang geblokkeerd, zodat de uitvoer naar Lissabon tussen 1636 en 1644 werd belemmerd. In 1641 verdreven de Nederlanders met hulp van de sultan van Johor de Portugezen uit hun fort in Malakka en de VOC nam daarmee een belangrijk handelscentrum over, evenals de heerschappij over de Straat van Malakka. Omdat de VOC vanuit Batavia al de Javazee beheerste, had de compagnie vanaf Kaap de Goede Hoop de handelsroute naar de Zuid-Chinese Zee in handen.

In 1652 vestigde Jan van Riebeeck een verversingspost bij Kaap de Goede Hoop, daarmee de aanzet gevend voor wat later de Kaapkolonie zou worden.

In 1654 waren de factorijen Suratte in noordwest India, Jambi op Sumatra, Fort Zeelandia op Formosa en Dejima in Japan de enige die winst maakten; de andere leden verlies, inclusief die van Batavia.[39]

De Portugezen werden in 1658 van Ceylon verdreven waardoor de handel in olifanten en kaneel volledig in handen van de VOC kwam.[40] Galle werd een belangrijke haven van waar rechtstreeks op Holland en Zeeland werd gevaren. Ook de hele Coromandelkust viel in Nederlandse handen. In 1662 ging Formosa verloren aan de piraten van de Chinese Koxinga. Meer dan tweeduizend soldaten en personeelsleden van de VOC kwamen daarbij om het leven. Een jaar later was er wel militair succes doordat de Zuid-Indiase stad Cochin aan de Malabarkust veroverd werd op de Portugezen.

In 1668 sloot de VOC na een lange strijd het Verdrag van Bongaja met de sultan van Makassar, waar jarenlang de belangrijkste concurrerende haven was. Hierin werd onder meer bepaald dat alle 2.000 Portugezen moesten vertrekken. Vanaf dat moment kon in de hele wereld geen kruidnagel vervoerd worden zonder dat de VOC daarbij betrokken was.

Rond 1670 introduceerde de VOC op de Coromandelkust de massaproductie van opium voor verkoop op Java, India en China.[41]

In 1682-1684 intervenieerde de VOC op dringend verzoek in Bamtam. De VOC steunde de zwakste partij die vervolgens de verplichting kreeg de VOC het pepermonopolie te geven, waarop de Engelse, Deense en Franse Oost-Indische compagnieën het nakijken hadden.[42]

De jaren onder de gouverneurs-generaal Joan Maetsuycker, Rijcklof van Goens en Cornelis Speelman waren gunstig voor de VOC; het handelsimperium werd belangrijk uitgebreid. Coenraad van Beuningen propageerde vervolgens verregaande bezuinigingen bij de VOC. Hij produceerde reeksen voorstellen om een efficiënter beleid te introduceren en eiste meer toezicht en scherpere naleving.[43] Van Reede werd erop uitgestuurd de corruptie en morshandel onder het VOC-personeel in India en Japan te bestrijden.

Tot 1690 stegen de winsten en ook de kosten; na 1692 daalden de winsten en namen de lasten verder toe.[44] Toch bleef de handel tussen Europa en Azië verder stijgen. De financieel meest gunstige periode was die van 1687 tot 1736. Op koffie, thee, suiker en textiel werd echter minder winst gemaakt dan op de specerijen uit de beginjaren.

Volgens Pieter van Dam (1621-1706), die ruim vijftig jaar secretaris is geweest van de VOC-kamer in Amsterdam en rond 1700 de geschiedenis van de VOC beschreef, werd er in zijn tijd bijna net zoveel particuliere handel gedreven als voor rekening van de compagnie.

In 1727 werd voor de eerste maal besloten tot een directe vaart op China; aanleiding was de kwaliteit van de thee op te voeren. Het experiment duurde niet lang. Uiteindelijk liet de VOC ook de handel in Chine de commande steeds meer over aan particulieren.

De compagnie heeft nooit de vorsten van Travancore in het zuiden of die van Colastri in het noorden en nog minder de samorijn kunnen bewegen een verdrag te sluiten. De Slag bij Colachel tussen troepen van het voormalige Indiase Koninkrijk Travancore en de VOC, tijdens de Travancore Oorlog, was de eerste grote nederlaag van een Europees leger tegen een Zuid-Aziatisch leger. De Nederlandse republiek vormde vanaf dat moment geen grootschalige koloniale bedreiging meer. Het hielp indirect de Britse Oostindische Compagnie om haar greep op het gebied te versterken.

Teruggang handel

De intra-Aziatische handel, in het begin zeer winstgevend voor de VOC, bracht vanaf het einde van de zeventiende eeuw geen winst meer op. De handel met Japan via Dejima droogde grotendeels op en de export van zilver en goud uit Japan werd verboden. In de tweede helft van de achttiende eeuw verschoof bovendien de handel van dure luxegoederen naar goedkopere massagoederen. Dat ging ten koste van de winstmarge.

Een andere belangrijke reden was de toenemende Britse en Franse invloed via de Engelse Oostindische Compagnie en de Franse Oost-Indische Compagnie.

In een vroege poging de smokkel van opium tegen te gaan, werd in 1745 de Amfioensociëteit opgericht. Deze kreeg het monopolie op de opiumhandel op Java en nam tegen een vastgestelde prijs van de VOC een bepaalde hoeveelheid opium af. De sociëteit werd gerund door VOC-bestuurders. De winsten waren voor hen persoonlijk. De opiumsmokkel kon echter niet uitgeroeid worden.[45] Toen de Engelsen in 1757 Calcutta op de plaatselijke vorst veroverden, kregen die het monopolie op de opiumhandel. De VOC moest voortaan de opium tegen een forse prijs van de Engelsen inkopen, waardoor de winst terugliep. Vanaf dat moment was de VOC niet meer heer en meester in 'haar' handelsgebied.[41] In 1758 moest de VOC haar positie in Suratte afstaan aan de Engelsen. Vanaf 1767 werd ook de handel met Ayutthaya minder winstgevend.

Van de handel met Kanton bestond 80% uit thee. Die werd betaald met handelsgoederen die ter plekke eerst verkocht moesten worden om de thee te kunnen inkopen. Als dat gebeurd was, hadden de concurrenten de beste kwaliteit thee al opgekocht.

Een belangrijke schadepost was de particuliere handel of "morshandel" die bedreven werd door de personeelsleden van de compagnie die pover werden betaald en zich op deze manier wisten te verrijken. Repatriërende VOC-dienaren brachten vaak grote fortuinen die ze zonder toestemming van hun werkgever voor eigen rekening hadden vergaard, mee naar het vaderland.

Het einde van de VOC had vele oorzaken en was een langzaam verlopend proces dat bijna de gehele achttiende eeuw in beslag nam. De vaste kosten bleven hoog vanwege de vele garnizoenen die bemand moesten worden en de sterke oorlogsvloot die nodig was om het handelsgebied van de VOC te verdedigen.

Aan het eind van haar bestaan werd de VOC bestuurd door mensen die te weinig commerciële ervaring hadden, geen reder waren en die meestal ook nog nooit in Indië waren geweest. Bovendien ontbrak het aan een doorzichtig boekhoudsysteem, zodat men in Amsterdam geen goed zicht had op het verloop van de geldstromen. Een winst- en verliesrekening werd nooit opgemaakt en de vorming van een reservefonds werd nagelaten.[46] Volgens raadpensionaris Laurens Pieter van de Spiegel was de VOC een lichaam zonder directie, ordre of spaarzaamheid. Vastgesteld kan worden dat de gehele organisatie te rigide was om zich aan te passen.

De bedrijfsresultaten daalden tot 1775 scherp, daarna trad een licht herstel in.[47][48][49][50]

Aantal Nederlandse schepen bestemd voor de handel op Indië [51]
1641 1651 1670 1680 1689 1700 1725 1750 1775
56 60 83 107 88 66 52 43 30

Toen door de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog retourschepen de Republiek niet meer konden bereiken, ging het snel bergafwaarts. Twee jaar lang lag de handel stil. Grote voorraden handelsgoederen in de factorijen in Voor-Indië (Nagapattinam) waren door de Engelsen in beslag genomen. Al in 1781 besloten de Hollandse kamers surseance van betaling aan te vragen en er is sindsdien geen dividend meer uitgekeerd. Obligaties op de VOC waren inmiddels nagenoeg onverkoopbaar. Steun van de stad Amsterdam, de Bank van Lening, de Staten-Generaal, het gewest Holland en het in 1790 organiseren van loterijen konden het tij niet keren. De privileges van de bewindhebbers kwamen onder het mes en een aantal logementen werd opgeheven. In 1793 dreigden de bewindhebbers met de schorsing van de uitbetaling en het sluiten van de werven. In 1794 kwam naar buiten dat de Amsterdamse Wisselbank voor miljoenen guldens illegaal blanco krediet had verstrekt aan de VOC. Na het in 1795 uitbreken van de oorlog met Frankrijk vielen de meeste overgebleven VOC-kantoren in Engelse handen. Alleen de bezittingen op Java en de factorijen in Dejima en Kanton bleven behouden.

Opheffing

Na de oprichting van de Bataafse Republiek in 1795 werd op 24 december van dat jaar besloten dat de VOC per 1 maart 1796 genationaliseerd werd. Alle bewindhebbers werden per die datum ontslagen.[52] De schulden, bezittingen en administratie van de VOC gingen over op de nieuwe republiek.[53]

Het octrooi dat eind dat jaar zou aflopen, werd verlengd tot 31 december 1798 om de lopende zaken af te handelen en vervolgens voor een laatste keer tot 31 december 1799. Officieel bestond de VOC niet meer op 1 januari 1800.[54]

De afzonderlijke kamers van de VOC in Delft, Hoorn en Enkhuizen werden pas in 1803 door de Raad van Aziatische Bezittingen en Etablissementen opgeheven.[55] In Rotterdam en Middelburg bleven verkoopkantoren bestaan.[56][57]

Varia

  • Gedurende bijna 200 jaar werden ruim 4700 schepen naar Azië uitgerust, waarvan bijna 1700 in de zeventiende en meer dan 3000 in de achttiende eeuw. Vanaf het oprichtingsjaar tot 1700 bevonden zich op deze schepen 317.000 mensen, van 1700 tot 1795 waren er dat 655.000.[58][59] Daarvan keerde een derde deel terug.[60][61]
  • De archieven van de Vereenigde Oostindische Compagnie staan sinds 2003 op de Werelderfgoedlijst voor documenten van UNESCO. De VOC-archieven worden door overheidsinstellingen bewaard in Kaapstad, Chennai, Colombo, Jakarta en Den Haag. UNESCO beschouwt het archief als het grootste en meest indrukwekkende van alle vroeg moderne Europese handelsbedrijven die actief waren in Azië. Ongeveer vijfentwintig miljoen pagina's archief zijn bewaard gebleven. Volgens de organisatie vormen die het meest uitgebreide en de meest complete bron van de vroeg moderne wereldgeschiedenis met relevante informatie over de geschiedenis van honderden lokale politieke en handelsorganisaties in Azië en Afrika.[62]
  • De minimumleeftijd aan boord van de schepen was dertien jaar, later opgetrokken tot zestien. Een matroos verdiende zo'n 110 gulden per jaar. Zijn eten en onderdak kreeg hij ook vergoed. Ter vergelijking: een Raad van Indië verdiende 350 gulden, de gouverneur-generaal 1.200 gulden per maand, exclusief vrije kost en inwoning.
  • In 1682 werden er op een VOC-schip zes apen, twaalf papegaaien, twee Ambonese kaketoes, een krokodil, een Bengaals hertje en een jonge eland vervoerd. De vraag naar en aanvoer van dieren was al snel zo groot dat de VOC in Amsterdam onderkomens liet bouwen om de bijzondere en zeldzame exemplaren tijdelijk te huisvesten.[63]
  • Hendrik Adriaan van Reede tot Drakestein, Jan Commelin, Simon van der Stel, Georg Everhard Rumphius, Johannes Camphuys, Johan Huydecoper van Maarsseveen, Nicolaes Witsen en Gaspar Fagel hielden zich bezig met het beschrijven, opsturen of verzamelen van gewassen en schelpen. De apothekers van de Hortus Botanicus waren vooral geïnteresseerd in nieuwe medicijnen om ziekten onder het VOC-personeel te bestrijden; de bewindhebbers in zaaigoed en siergewassen voor hun kassen of tuinen.
  • De historicus Hans Derks noemt de VOC spottend de Violent Opium Compagnie.[53]
  • Na het faillissement werd de VOC in de volksmond "Vergaan Onder Corruptie" genoemd.
  • Aan boord van de schepen van de VOC werkten uitsluitend mannen. Toch kwam het wel voor dat vrouwen, vermomd als man, aanmonsterden. Daar waren diverse redenen voor. Onder meer omdat vrouwen vonden dat ze meer kans hadden om een toekomst op te bouwen in het oosten, en een betaalde passage te duur was. Ook waren er vrouwen die niet meer dan een jaar lang van hun vriend of man gescheiden wilden zijn. Verder waren er vrouwen met een crimineel verleden die het land ontvluchten om elders een nieuwe toekomst op te bouwen. Zo noemt scheepschirurgijn Nicolaas de Graaff hen: "spinhuishoeren, dronken straatvarkens en dieveggen, die 't in Holland niet langer dorsten houden of dikwijls meer perikel van 't spinhuis of schavot hebben gelopen, en daarom hebben zij haar in de schepen verstoken of zijnde alzoo in mansklederen naar Oost-Indië gevaren." Vaak werden vrouwen betrapt en ontmaskerd. Zij werden dan terug gebracht naar Nederland en daar veroordeeld.

Zie ook

Schrijvende dominees, chirurgen en andere VOC-functionarissen

  • Philippus Baldaeus heeft als eerste Europeaan de cultuur, de religie van de Singalezen en de taal (grammatica) de Tamils, die in het noorden van het eiland wonen, beschreven.
  • François Caron schreef een belangwekkende analyse van Japan, die in de zeventiende eeuw meer dan twintig keer werd vertaald.
  • Pieter van Dam schreef in opdracht van de bewindhebbers, de Heren XVII een geschiedenis van de VOC, waarmee hij in 1693 begon en die hij in 1701 voltooide.
  • Nicolaas de Graaff maakte als scheepsarts in totaal zestien reizen over de hele wereld. Hij schreef een humoristisch verslag dat in 1701 postuum verscheen als Reisen van Nicolaus de Graaff, na de vier gedeeltes des werelds te samen met de Oost-Indise spiegel.
  • Hendrik Hamel lukte het na 13 jaar gevangenschap uit Korea te ontsnappen. Hij is vooral bekend geworden door zijn reisverslag. Het is in Europa tijdenlang de enige bron van informatie geweest over dat land.
  • Dirk van Hogendorp (1761-1822) klaagde het bewind in Indië met succes aan. Zijn in 1799 uitgegeven Bericht van den tegenwoordigen toestand der Bataafsche bezittingen in Oost-Indien en den handel op dezelve, waarin hij zich o.a. een tegenstander van de slavernij toonde, was geruchtmakend en werd met instemming ontvangen.
  • Johan Nieuhof was na een reis van 2.400 km van Kanton naar Peking (1655-1657) de meest toonaangevende Europese schrijver over China. De 150 prenten leidden in de 18e eeuw tot populariteit van de chinoiserie. Hij verdween in 1672 spoorloos op het eiland Madagaskar toen hij in een sloep aan land was gegaan op zoek naar drinkwater.
  • Aernout van Overbeke schreef Geestige en Vermaeckelicke Reys-beschryvinge Van den Heer Aernout van Overbeke Naer Oost-Indiën gevaren, ten dienste van de E.E. Heeren Bewinthebberen van de Oost-Indische Compagnie, Voor Raet van Justitie,in den Jare 1668. Vervattende verscheyde kluchtige voorvallen, en koddige gedachten op de selve, geduerende sijn Reyse van Amsterdam tot Batavia. Amsterdam: Jan Joosten, 1671.
  • Hendrik van Rheede schreef over de flora van India een standaardwerk Hortus Indicus Malabaricus, dat tussen 1678 en 1703 in twaalf delen werd uitgebracht. Het werk bevat gravures van grote kwaliteit en gedetailleerde beschrijvingen van 740 planten uit de Malabar, die medicinaal of economisch nut hadden.
  • Georg Eberhard Rumphius verbleef 49 jaar op Ambon en is de auteur van Het Amboinsche kruidboek. Het gigantische werk van maar liefst 1661 foliobladen werd naar de Republiek verscheept maar verdween naar de zeebodem in een zeegevecht. Gelukkig had Johannes Camphuys kopieën laten maken en het lukte uiteindelijk toch zijn werk uit te geven. Het werk legde de basis voor het wetenschappelijk onderzoek naar de flora en fauna van de Molukken en de zee eromheen.
  • Wouter Schouten, een chirurgijn, publiceerde in 1676 drie boeken over zijn reizen. De Oost-Indische voyagie behoort tot de beste reisverhalen die destijds zijn geschreven.[64]
  • François Valentijn was een Nederlandse dominee die tweemaal is uitgezonden naar "de Oost". Eenmaal terug schreef hij Oud en Nieuw Oost-Indiën, een naar omvang en perspectief nooit weer bereikte beschrijving van Azië. Hij schreef over alle gebieden waar de Nederlanders handel dreven. Het bevat allerlei geografische, historische, juridische, politieke, en botanische beschrijvingen. Daarnaast geeft het werk een beeld van hoe een zeventiende-eeuwer tegen andere culturen aankeek. Er zijn weinig geschiedkundige boeken over de Nederlandse historie waaruit zo vaak geciteerd wordt als die van Valentijn.

Literatuurlijst

Externe links

Referenties
  1. nl.wikisource.org. Octrooi van de VOC Geraadpleegd op 1 januari 2013
  2. Gaastra, Femme (1992) Inleiding tot het Archief Verenigde Oost-Indische Compagnie In: inventarisnummer 1.04.02, Nationaal Archief, 's-Gravenhage (klik op Archiefvorming en zie bij De Stichting van de VOC - het octrooi einde vijfde alinea)
  3. Vanaf 1623 werd gesproken over de 'Generale Nederlandsche Geoctroyeerde Oost-Indische Compagnie'. Nog later was de officiële naam 'Vereenigde Nederlandsche Geoctroyeerde Oostindische Compagnie'. Eind 1795 sprak men in het algemeen over de 'Generaale Oost-Indische Compagnie'
  4. 's Werelds oudste aandeel. oudsteaandeel.nl Geraadpleegd op 1 januari 2013
  5. Dillen, J.G. (1970) Van Rijkdom en Regenten, p. 127.
  6. Gaastra, F. (2002) 'Sware continuerende lasten en groten ommeslagh' p. 85. In: De Verenigde Oost-Indische Compagnie. Tussen oorlog en diplomatie. Onder red. van G. Knaap en G. Teitler.
  7. Enthoven, Victor (2001) De Verenigde Oost-Indische Compagnie en de Staten-Generaal Armamentaria (jaargang 36), een uitgave van het Legermuseum
  8. Enthoven, Victor; (2001)
  9. Vandaag de dag worden die de voorcompagnieën genoemd.
  10. De kosten voor de aanvraag van het octrooi bedroegen 25.000 Vlaamse pond, maar dit werd nooit betaald. In: Heijer, Henk J. den (2005) De geoctrooide compagnie: de VOC en de WIC als voorlopers van de naamloze vennootschap, p. 60
  11. Het ging om zetels voor de provincies Gelderland, Utrecht, Friesland, Overijssel, Stad en Lande en de steden Dordrecht (2), Gouda, Haarlem, Alkmaar en Leiden. Zij vonden dat zij alleen op die manier controle op de subsidie-uitgaven hadden.
  12. Meilink-Roelofsz, M.A.P., R. Raben en H. Spijkerman (1992), p. 20-21
  13. De prins kreeg tevens het recht de andere bewindhebbers te benoemen. De achtergrond hiervoor was het toenmalige streven naar versterking van de positie van de stadhouder tegenover die van de regenten en een einde te maken aan ingewikkelde procedures.
  14. Meilink-Roelofsz, M.A.P., R. Raben en H. Spijkerman (1992), p. 21
  15. In de praktijk waren zij zelf niet bij de vergaderingen aanwezig en lieten zij zich vertegenwoordigen.
  16. Meilink-Roelofsz, M.A.P., R. Raben en H. Spijkerman (1992), p. 23
  17. De kamers konden zelf handelen binnen de door het centrale bestuur gestelde normen.
  18. Heijer, Henk J. den (2005), De geoctrooide compagnie: de VOC en de WIC als voorlopers van de naamloze vennootschap. Kluwer, Deventer, p. 84
  19. Petram, L.O. (2011)
  20. Petram, L.O. (2011) How the Amsterdam market for Dutch East India Company shares became a modern securities market, 1602-1700
  21. Het geld mocht in drie termijnen betaald worden. Waarschijnlijk zijn er dat in de praktijk vier geworden. De kamer van Amsterdam liet op 1 augustus 1607 weten dat de inleg voor dit kantoor op die dag in zijn geheel ontvangen was. In: Heijer, Henk J. van (2005), p. 60-61
  22. Uiteindelijk kwam het bedrag in 1693 uit op 6.440.200 gulden en dat is sindsdien niet meer veranderd. In: Heijer, Henk J. den (2005) p. 60
  23. Henk den Heijer, De geoctrooieerde compagnie: de VOC en de WIC als voorlopers van de naamloze vennootschap, Kluwer, 2005, p. 59-61
  24. Dillen, J.G. (1970) Van Rijkdom en Regenten, p. 113-114
  25. Zowel J.G van Dillen en H. den Heijer beschouwen 1610 of 1611 als het eerste jaar waarin winstuitkering werd gedaan.
  26. Vugt, E. van (2002) Zwartboek van Nederland overzee. Wat iedere Nederlander moet weten, p. 51
  27. Dudok van Heel, S.A.C. (2008) Van Amsterdamse burgers tot Europese aristocraten, p. 155
  28. Paul Frentrop: Corporate governance 1602-2002 - Ondernemingen en hun aandeelhouders sinds de VOC.
  29. a b De geoctrooieerde compagnie: de VOC en de WIC als voorlopers van de naamloze ... Door Henk den Heijer, p. 83 De geoctrooieerde compagnie: de VOC en de WIC als voorlopers van de naamloze ... - Henk den Heijer - Google Boeken
  30. Dillen, J.G. (1970) Van Rijkdom en Regenten, p. 122.
  31. Gaastra, F. (2009) Geschiedenis van de VOC, p. 35
  32. Meilink-Roelofsz, M.A.P., R. Raben en H. Spijkerman (1992), p. 15
  33. Toezending van kapitaal uit het vaderland zou daardoor overbodig worden. In: Blussé, L. & J. de Moor (1983) Nederlanders overzee, p. 159.
  34. Amstel, A. van (2011) Barbaren, rebellen en mandarijnen, p. 50.
  35. Op jacht naar Spaans zilver. Het scheepsjournaal van Willem van Brederode, kapitein der mariniers in de Nassause vloot (1623-1626), p. 45, 71
  36. Dillen, J.G. (1970) Van Rijkdom en Regenten, p. 126
  37. De VOCsite : handelsposten; Tonkin en Quinam
  38. De Portugezen waren al eerder uit Japan verdreven vanwege hun missieactiviteiten, waardoor de Nederlanders uiteindelijk tot 1853 de enige westerlingen waren die in Japan handel mochten drijven.
  39. Ottow, W.M. (1954) Rijckloff Volckertsz van Goens: de carrière van een diplomaat 1619-1655, p. 155
  40. De aanval op Fort Jaffna kostte aan 2170 Portugezen en inlanders het leven.
  41. a b Derks, Hans (2012) History of the Opium Problem: The Assault on the East, ca. 1600 - 1950, Brill, Leiden
  42. Theo D'haen, Europa buitengaats (2 delen) dbnl.org
  43. Korte, P.J. (1984) De jaarlijkse financiële verantwoording in de VOC, p. 37.
  44. Korte, P.J. (1984) De jaarlijkse financiële verantwoording in de VOC, p. 31
  45. Na 1750 had de VOC ongeveer 125 schepen in dienst, een derde verbleef continu in Aziatische wateren.
  46. Dillen, J.G. (1970) Van Rijkdom en Regenten, p. 116.
  47. Bonke, H. (1999) De zeven reizen van de Jonge Lieve, p. 10.
  48. Tussen 1760 en 1780 schommelde de aandelenkoers tussen de 340% en 580% en jaarlijks werd een dividend uitgekeerd van twaalf tot twintig procent.
  49. In 1769 schreef Cornelis van der Oudermeulen twee memories over het verval en de mogelijkheden tot herstel van de VOC.
  50. http://www.dbnl.org/tekst/molh003nieu06_01/molh003nieu06_01_1670.php
  51. d’après F.S. Gaastra, cité par F. Braudel, op. cit., p. 263.
  52. Korte, P.J. (1984) De jaarlijkse financiële verantwoording in de VOC, p. 6
  53. a b Derks, Hans (2012)
  54. Meilink-Roelofsz, M.A.P., R. Raben en H. Spijkerman (1992) Inventaris van het archief van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), 1602-1795 (1811) Nummer archiefinventaris: 1.04.02, p. 16
  55. De VOCsite : organisatie van de VOC
  56. Nationaal Archief - Het einde van de VOC
  57. The End of the VOC
  58. Meilink-Roelofsz, M.A.P., R. Raben en H. Spijkerman; (1992) Inleiding tot het Archief Verenigde Oost-Indische Compagnie, In: inventarisnummer 1.04.02, Nationaal Archief, 's-Gravenhage
  59. De Oost-Indische voyagie van Wouter Schouten (1676), p. 11. Michael Breet (2003) met medewerking van dr. Marijke Barend-van Haeften.
  60. Een deel bleef achter in Indië en bouwde er een nieuw leven op. Gemiddeld stierven jaarlijks 300 tot 500 bemanningsleden tijdens een zeereis; de schattingen lopen uiteen van 5% in de zeventiende eeuw tot tien procent als er epidemieën uitbraken. In: Barend-van Haeften, M. (1992) Oost-Indië gespiegeld. Nicolaas de Graaff, een schrijvend chirurgijn in dienst van de VOC, p. 66. Zutphen.
  61. Van de in totaal 1772 VOC-schepen die tussen 1603 en 1795 van stapel liepen, werden er 336 op de Middelburgse werven gebouwd; 247 schepen gingen in die periode verloren. Vanaf de Middelburgse rede bij Fort Rammekens vertrokken 1147 schepen.
  62. Archives of the Dutch East India Company Officiële website UNESCO
  63. Rikken, M. (2008) Melchior d'Hondecoeter. Vogelschilder. Rijksmuseum, p. 47-48
  64. De Oost-Indische voyagie van Wouter Schouten (1676), p. 14. Michael Breet (2003) met medewerking van Marijke Barend-van Haeften.
Gebieden in handen van de WIC

Gouvernementen: Berbice* · Cayenne · Demerary* · Essequibo* · Goudkust* · Nederlands Brazilië · Nederlandse Antillen · Nieuw-Nederland · Pomeroon · Suriname*

Gebieden met een directeur: Maagdeneilanden

Gebieden met een baron: Tobago (geleend aan Cornelis Lampsins)

Factorijen / handelsposten: Arguin · Loango-Angola kust · Senegambia · Slavenkust

Gebieden in handen van de VOC

Gouvernementen: Amboina* · Banda* · Batavia* · Ceylon · Coromandelkust* · Formosa · Java's Noordoostkust* · Kaapkolonie* · Makassar* · Malakka* · Mauritius · Molukken*

Directoraten: Vestingen in Bengalen · Vestingen in Perzië · Suratte

Commandementen: Bantam* · Malabar · Sumatra's Westkust*

Residenten: Bandjarmasin* · Cheribon* · Palembang* · Pontianak*

Gebieden met een opperhoofd: Birma · Dejima* · Vestingen in Siam · Timor · Tonquin

Factorijen: Vestingen in China

Gebieden in handen van de Noordse Compagnie

Nederzettingen: Amsterdam eiland (incl. Smeerenburg) · Jan Mayen

Overige gebieden in handen van de Staat

Vestingen: Acadia · Fort Nassau · Zoutpannen in Venezuela

*: Gebieden ook in handen van de Bataafse Republiek geweest.

Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Octrooi van de VOC op Wikisource