Batavia (schip)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Reconstructie van de Batavia
Reconstructie van de Batavia
Reconstructie van de Batavia (1628) op de werf
Reconstructie van de Batavia (1628) op de werf
Replica van de poort die door de Batavia werd vervoerd (West Australian Maritime Museum Fremantle)
Replica van de poort die door de Batavia werd vervoerd (West Australian Maritime Museum Fremantle)

De Batavia was een Nederlands spiegelretourschip uit de 17e eeuw. Het wrak bevindt zich momenteel in een museum in Fremantle, Australië. In de jaren 1985-1995 is een reconstructie gebouwd die te bezichtigen is op de Bataviawerf te Lelystad.

Het VOC-schip de Batavia werd tussen 1627 en 1628 op de Peperwerf in Amsterdam gebouwd. Het schip vertrok voor het eerst op 29 oktober 1628, onder bevel van schipper Adriaan Jakobsz. Eigenlijk was de leider van de expeditie opperkoopman François Pelsaert. De schipper was verantwoordelijk voor de goede vaart, maar hij moest wel bevelen aanvaarden van de opperkoopman.

Op 14 april 1629 kwam het schip aan op Kaap de Goede Hoop om te foerageren. Na 8 dagen vertrok het weer. Op 4 juni 1629 sloeg het schip lek op een rif van de Wallabi-groep voor de Australische westkust. Een deel van de opvarenden bleef achter op enkele eilandjes, terwijl een andere groep met een sloep naar Batavia zeilde om hulp te halen. Toen de redding arriveerde was onder de achterblijvenden muiterij uitgebroken.

Hoofdpersonen[bewerken]

De dramatische geschiedenis van het retourschip de Batavia spreekt tot op de dag van vandaag tot de verbeelding. De hoofdrolspelers waren de opperkoopman François Pelsaert, de schipper Adriaan Jakobsz en de onderkoopman Jeronimus Cornelisz. Opperkoopman Pelsaert en schipper Adriaan Jakobsz hadden elkaar op de vorige thuisreis al ontmoet. Pelsaert had Jakobsz toen terechtgewezen en Jakobsz had daardoor een hekel aan Pelsaert gekregen. Het toeval wilde dat ze op deze reis naar Batavia weer samen moesten werken. Onderkoopman Jeronimus Cornelisz was eigenlijk een failliete apotheker uit Haarlem met ketterse denkbeelden die daarvoor moest vluchten uit de Republiek.

Lading[bewerken]

De lading van de Batavia bestond uit 12 kisten zilveren muntgeld en goud ter waarde van 260.000 gulden, luxe gebruiksgoederen, zilverwerk voor Mogol-keizer Jahanghir, laken, wijnen, kaas, schitterende kleding, handelswaar en een kistje met zeer kostbare juwelen (o.a. een grote camee van agaat (21x30 cm) die in het jaar 312 voor de Romeinse keizer Constantijn de Grote was gesneden en te koop was aangeboden door de Antwerpse schilder Rubens). Een andere schat was de "Rubens Vaas" met afbeeldingen van Pan, gesneden uit een enkele agaat. Bovendien waren aan boord 130 grote blokken bewerkt zandsteen, die een poort moesten gaan vormen in de nieuwbouw van het Kasteel van Batavia; tijdens de reis fungeerden ze als ballast.

Verloop van de reis[bewerken]

In oktober 1628 vertrok een kleine vloot, waaronder de Batavia, naar Oost-Indië. Tijdens de reis naar Batavia ontstond door weerzin tegen Pelsaert bij schipper Jakobsz het idee de Batavia te kapen. Destijds vervoerden de VOC-schepen op de heenreis veel goud en zilver om in de Oost handel te kunnen drijven. Waarschijnlijk hadden de kapers daaraan voldoende gehad om een goed leven in een onbekende haven te leiden. Ook de aanwezigheid aan boord van een aantal vrouwen, waarop Jacobsz en anderen een oogje hadden, kan een rol hebben gespeeld. Adriaan Jakobsz en Jeronimus Cornelisz verzamelden daarom een groep gelijkgestemden om hen heen en hadden al een incident gearrangeerd waaruit de muiterij moest ontstaan, maar dit plan kon niet worden uitgevoerd door de schipbreuk op de Houtman Abrolhos, nu de Wallabi-koraalriffen voor de westkust van Australië. Het was inmiddels juni 1629.

Hoe kon die schipbreuk gebeuren? Om gebruik te maken van de gordel van westenwinden voeren de schepen van de VOC destijds niet rechtstreeks van Kaap de Goede Hoop naar Straat Soenda (tussen Java en Sumatra), maar op een breedte ten Zuiden van de Kaap pal oostelijk in de richting van Zuid-Australië. Het was dan wel zaak om op het juiste moment in noordelijke richting af te buigen. Hiervoor was een nauwkeurige bepaling van de geografische lengte nodig, maar dat was in die tijd een probleem omdat er nog geen betrouwbare uurwerken bestonden. Ook de uitvinding van het slingeruurwerk in het midden van de 17e eeuw bracht geen verbetering, want dit instrument was aan boord van schepen vanwege de deining onbruikbaar. Men probeerde bij gebrek aan beter de lengte zo goed mogelijk te bepalen aan de hand van de gevaren koers en de provisorisch gemeten snelheid van het schip. Meestal ging dit goed, maar in de loop der jaren heeft toch een aantal VOC-schepen onder de Australische kust schipbreuk geleden. Behalve de Batavia bijvoorbeeld de Vergulde Draak (1656), de Zuytdorp (1712) en de Zeewijk (1727).

Afgezien van problemen met de navigatie zou ook de op handen zijnde muiterij een rol kunnen hebben gespeeld bij de schipbreuk van de Batavia. Het is mogelijk dat schipper Adriaan Jakobsz, een van de hoofdrolspelers in het complot, een route had gekozen waarvan hij kon verwachten dat de andere schepen van de vloot de Batavia niet weer in het oog zouden krijgen. Dit zou een verhoogd risico tot gevolg gehad kunnen hebben. De opperkoopman en gezagvoerder Pelsaert lag toen ziek te kooi, zodat de koersafwijking hem, naar men hoopte, zou ontgaan.

Schrikbewind van de muiters[bewerken]

Na zo veel mogelijk mensen veiliggesteld te hebben op de eilanden van de archipel, zeilden opperkoopman Pelsaert en schipper Jakobsz met de grote sloep van het schip naar Batavia om hulp te halen. Jeronimus Cornelisz, die achterbleef, was zich er van bewust dat Pelsaert in Batavia de vermeende kaping zou rapporteren en dat hij door zijn medemuiter, schipper Adriaan Jakobsz, in een kwaad daglicht zou worden gesteld en misschien wel de volledige schuld in de schoenen zou krijgen geschoven. Hij zette dus het plan van de muiterij door: hij wilde proberen het hulpschip, dat wellicht zou terugkomen uit Batavia, te kapen, om daarmee alsnog een veilig heenkomen te zoeken. Daarvoor was het echter nodig om een overwicht op de eilanden te verkrijgen. Hij deed dit enerzijds door groepen krachtige schipbreukelingen onder valse voorwendselen naar afgelegen eilanden te verplaatsen, en daarna moordpartijen onder verwachte tegenstanders te organiseren. Zijn kapersgroepje voerde een waar schrikbewind onder de reizigers: ca. 120 mensen werden door hen vermoord.

Afrekening[bewerken]

De laatste slag die Jeronimus Cornelisz moest leveren, het uitschakelen van de soldaten die hij naar een ander eiland had verplaatst, werd echter onderbroken door de komst, in september 1629, van het reddingsschip Saerdam. De leider van de soldaten, Wiebbe Hayes, kon Pelsaert, die het schip aanvoerde, tijdig waarschuwen voor de ophanden zijnde kaping. Pelsaert en zijn mannen waren daardoor snel in staat de opstand de kop in te drukken. Vrijwel alle deelnemers aan de muiterij kregen ter plaatse, of later in Batavia, de doodstraf. Alleen schipper Adriaan Jakobsz weigerde ook na martelingen te bekennen en het bewijs tegen hem kon niet sluitend gemaakt worden. Het is onbekend wat zijn lot uiteindelijk was. Hoewel Pelsaert geen rol speelde in de muiterij werd hem door de VOC wel aangerekend dat hij te weinig gezag had getoond. Wiebe Hayes werd voor zijn verdediging beloond en bevorderd. Opmerkelijk is verder dat Jeronimus Cornelis, de leider van het schrikbewind op de eilanden, zelf geen moorden had gepleegd. Zijn intelligentie, overtuigende praat en lage moraal waren voldoende om anderen daartoe te brengen.

Nasleep[bewerken]

Van de 341 opvarenden van de Batavia kwamen er uiteindelijk slechts 68 in Batavia aan.

In 1647 werd het relaas onder de titel Ongeluckige Voyagie, van't Schip Batavia, Nae de Oost-Indien[1] uitgegeven. Dit boek werd waarschijnlijk samengesteld op basis van François Pelsaerts journaal.

De nieuwe Batavia[bewerken]

Op initiatief van scheepsbouwer Willem Vos is op de Bataviawerf in Lelystad een replica gebouwd, of beter gezegd een reconstructie op basis van de uit archieven bekende hoofdmaten van het oorspronkelijke schip. Ten tijde van de bouw van de Batavia werkten scheepsbouwers nog niet met bouwtekeningen, maar op basis van een systeem van afgeleide maten dat van vader op zoon werd doorgegeven. De meeste informatie over 17de-eeuwse schepen komt uit geschreven bestekken, de bekende boeken van Nicolaas Witsen en Cornelis van IJk, schilderijen en tekeningen. Van de Batavia zijn geen afbeeldingen bekend. Details zijn door de bouwers van de reconstructie daarom zelf ingevuld op basis van onderzoek van verwante schepen uit deze periode. Het schip is zo veel mogelijk voorzien van alle details uit die tijd, van het beeldhouwwerk op de spiegel tot het allemansend op de plaats waar de manschappen hun behoefte deden.

De bouw van de reconstructie begon op 4 oktober 1985 en werd afgesloten met de tewaterlating en doop door Beatrix op 7 april 1995.

Kenmerken[bewerken]

  • Scheepstype: spiegelretourschip
  • Lengte over alles: 56,60 m
  • Wijdte: 10,50 m
  • Maximale diepgang: 5,10 m
  • Hoogte grote mast vanaf kiel: 55 m
  • Leeg gewicht: 650 ton
  • Waterverplaatsing (volledig geballast): circa 1200 ton
  • Totale lengte tuigage: 21 km
  • Zeiloppervlak: 1180 m²
  • Geschut: 24 gietijzeren kanonnen
  • Aantal opvarenden in 1628: 341 personen
  • Lijfspreuk van Willem van Oranje (aangebracht in de kajuit): Point n'est besoin d'espérer pour entreprendre, ni de réussir pour persévérer. (Het is niet nodig verwachtingen te koesteren om te ondernemen, noch te slagen om te volharden.)
  • Scheepsbouwmeester reconstructie: Willem Vos
  • Totaal aantal mensen dat tussen 1985 en 1995 op enige wijze aan de Batavia heeft gewerkt: 1140
  • Datum kiellegging: 4 oktober 1985
  • Datum doop en tewaterlating: 7 april 1995

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties