Pan (mythologie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Aphrodite, Eros en Pan

Pan (Oudgrieks: Πᾶν) of Faunus (Latijn) is een figuur uit de Griekse mythologie. Hij is een zoon van Hermes en de nimf Penelope. Pan is de god van het woud en patroon van de herders en hun kudden. Verder is hij de god van het vee en het dierlijk instinct.

Pan heeft het onderlijf en de hoorns van een geit, maar een menselijk bovenlijf. Verder heeft hij een lang smal gezicht, een grote neus en gele oogjes.

De panfluit is naar hem vernoemd. Deze kreeg hij toen hij de nimf Syrinx achterna zat. Zij wilde graag maagd blijven en bad tot de goden terwijl ze Pans adem al in haar nek voelde. Haar gebed werd verhoord en ze veranderde net op tijd in een rietstengel. Daar maakte Pan toen zijn fluit van.

In de bossen zorgde Pan voor veel mysterieuze geluiden die herders en hun kuddes vervulden met angst. Hetzelfde gold voor mensen op afgelegen plekken. Dit is de verklaring van het woord pan-iek. Een panische schrik is een plotselinge, algemene, maar ongegronde schrik. Om die reden kon men hem maar beter te vriend houden. Ook het voorvoegsel pan- (alles) is van Pan afgeleid, omdat hij werd gezien als de personificatie van de natuur. Sinds de Middeleeuwen werd zijn uiterlijk overgenomen om de duivel af te beelden.

Op de afbeelding wordt Pan in associatie gebracht met Eros en Aphrodite vanwege zijn zinnelijkheid. Voor zover bekend heeft Pan echter nooit iets met Aphrodite of Eros te maken gehad. Hij was de zoon van Hermes en kon het goed vinden met Dionysos. Apollon was zijn muzikale concurrent.

Vooral het verhaal van koning Midas, over de concurrentie tussen Pan en Apollon, is bekend.

Pan speelt op de Syrinx

Het begon met de satyr Marsyas, die een fluit vond die Pallas Athena gemaakt had en vervolgens had weggegooid omdat zij haar wangen te bol vond worden als ze er op blies. Marsyas oefende op de fluit en op een gegeven moment daagde hij Apollon uit. Apollon nam de uitdaging aan en hij won van Marsyas. Als straf zou Apollon hem levend villen. Pan kon het niet verkroppen dat een van zijn onderdanen zo aan zijn eind kwam en hij daagde als tweede Apollon uit. Bijna iedereen vond Apollon weer beter spelen. Pan zou hetzelfde lot ondergaan als Marsyas, ware het niet dat Dionysos en koning Midas zijn muziek beter vonden dan die van Apollon. Apollon werd zo kwaad dat hij koning Midas ezelsoren gaf vanwege zijn dwaze wansmaak. Het is niet bekend hoe de verhouding was tussen Pan en de andere goden op de Olympus.

In de tijd van keizer Tiberius hoorde een schipper, Thamus, die nabij het eiland Paxos voer, een stem uit het niets die hem vertelde dat de grote god Pan dood was. Thamus moest dit vertellen aan de mensen van Palodes (tegenwoordig Butrint in Albanië). Toen hij in de buurt van Palodes kwam, riep hij naar de wal: "De grote god Pan is dood!" Vanaf de wal klonken weeklachten uit vele kelen en de ontzette schepelingen vertelden dit verhaal overal rond in de antieke wereld, en een eeuw later schreef Plutarchus het op in zijn boek De Defectu Oraculorum (over het zwijgen van de orakels). Hierdoor is Pan de enige god van wie ons de dood is gemeld, hij werd gedood in de strijd tussen de Titanen en de goden van de Olympus.

Volgens sommige bronnen zou de mythe van Pan haar oorsprong vinden bij de Hindoe vruchtbaarheidsgod Pancika, de echtgenoot van de veelborstige Moedergodin Hariti. Zij zoogde honderden pre-Vedische animale geesten, net zoals de veelborstige Diana de dieren van het kreupelhoutland zoogde, waarover Pan koning was.

Zie ook[bewerken]