Jan Pieterszoon Coen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Jan Pieterszoon Coen
Jan Pieterszoon Coen
Jan Pieterszoon Coen
Algemene informatie
Geboren Hoorn, 8 januari 1587
Overleden Batavia, 21 september 1629
Overige informatie
Rang Gouverneur-generaal van de Vereenigde Oostindische Compagnie
Portaal  Portaalicoon   VOC
Standbeeld van Jan Pieterszoon Coen in Hoorn; door Ferdinand Leenhoff (1893). Op 16 augustus 2011 viel het beeld van zijn sokkel door een tik van een kraan die met werkzaamheden bezig was.

Jan Pietersz. Coen (Hoorn, 7 januari[1] 1587Batavia, 21 september 1629) was een Nederlands koopman, boekhouder-generaal (1613), directeur-generaal (1614) en vanaf 1617 de vierde gouverneur-generaal over alle bezittingen van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) buiten de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Coen stond net als Pieter Both een beleid voor om op agressieve wijze een monopolie te verwerven in de specerijenhandel in de Indische archipel. Om dat te bereiken voerde Coen oorlog tegen Europese rivalen en Indische vorsten. Door gebruik te maken van zijn grote doorzettingsvermogen, zijn organisatietalent en de nodige militaire bekwaamheden wist hij de basis te leggen voor de koloniale macht in het latere Nederlands-Indië.

Net als de Portugezen in Goa zag Coen als doel alle handel te centraliseren en via Batavia te laten verlopen. Hij pleitte bovendien voor een kolonisatiepolitiek van de veroverde gebieden, maar bleek weinig vertrouwen te hebben in de door de VOC geleverde kolonisten. Coen had bovendien een lage dunk van de inlandse bevolking en achtte harde maatregelen volstrekt op hun plaats.[2]

Vervolgens beoogde hij de handel op het Keizerrijk China te monopoliseren door havens te bezetten die door Chinese schippers werden aangedaan en oorlog te voeren tegen Spanjaarden en Portugezen om hun aandeel in de lucratieve handel met het onbekende maar rijk geachte China af te buigen naar Batavia.[3]

Zijn optreden is door historici verheerlijkt, maar ook verguisd. "Een tussenweg lijkt nauwelijks mogelijk. Geen compagniedienaar is zo onomwonden voor zijn mening uitgekomen"[2] ook tegenover de bewindhebbers. De middelen, waarop Coen de basis voor de macht van de VOC in de Indische archipel wist te vestigen, waren al voor de onafhankelijkheid van Indonesië aan kritiek onderhevig. H.T. Colenbrander was in 1934 niet de eerste historicus die forse kritiek op Coen leverde. Al aan het einde van de 19e eeuw ontstond kritiek[4] en Coen zou een niets ontziend man van geweld [zijn], die zeer lichtelijk tot harde en strenge maatregelen zijn toevlucht nam en in zijn streven om de baatzuchtige VOC tevreden te stellen, voor niets terugdeinsde.[5]

Leven[bewerken]

Jeugd[bewerken]

Coen werd geboren in Hoorn en op 8 januari 1587 gedoopt als een zoon van Pieter Willemsz. (ca. 1561-) afkomstig uit Twisk. Zijn vader was twee jaar daarvoor nog koopman in San Lucar en actief in de zouthandel.[6] Coen had een jongere zuster, Aafje Coen. Zijn moeder overleed tijdens de geboorte van Aafje in het kraambed.

Opleiding in Rome[bewerken]

Op dertienjarige leeftijd vertrok hij vanuit Hoorn naar Rome. Daar ging hij in de leer bij een van oorsprong Vlaamse lakenkoopman uit Oudenaarde, de katholieke Joost de Visscher (Justus Pescatore), waarschijnlijk een vriend of kennis van zijn vader. Coen zou ruim zes jaar in Rome verblijven. Hij leerde er de grondbeginselen van het koopmanschap, waaronder de kneepjes van het dubbel boekhouden (niet te verwarren met dubbele boekhouding). Ook leerde hij er een aantal vreemde talen, waaronder natuurlijk Italiaans, maar waarschijnlijk ook Spaans en Portugees. In de eerste helft van 1606 keerde hij, vlak na de dood van zijn vader, terug naar Hoorn. Kort daarna trad hij dienst van de VOC.

Huwelijk[bewerken]

Na zijn eerste gouverneurschap terug in Holland trad hij in februari 1625 in het huwelijk met de 19-jarige Eva Ment, een nicht van Pieter Hasselaer. Uit dit huwelijk werden twee dochters geboren, die beiden op jonge leeftijd zouden komen te overlijden. In 1627 reisde hij met vrouw en dochtertje, Geertruid incognito naar Indië voor een tweede termijn van gouverneur van Oost-Indië. Ook zijn schoonmoeder, zwager en schoonzuster reisden mee. De eerste twee zouden al spoedig na aankomst in Batavia overlijden. In 1628 overleed ook zijn dochtertje, Geertruid. Kort voor zijn dood in 1629 werd een tweede dochtertje geboren.

Overlijden[bewerken]

Coen overleed in september 1629, waarschijnlijk aan een acute gastro-enteritis. Na zijn dood keerde zijn vrouw met de retourvloot van november 1629 terug naar Holland. Op weg naar Holland overleed zijn jongste dochtertje. De erfenis werd gedeeld tussen zijn vrouw Eva Ment (7.200 gulden) en zuster Aafje Bruyns-Coen (6.000 gulden).[7] Zijn vrouw zou nog twee keer in het huwelijk treden. In februari 1632 in Amsterdam met Marinus Lowijssen en in juli 1646 met Isaac Buys.[8]

Oost-Indië[bewerken]

Eerste reis naar Oost-Indië[bewerken]

In december 1607 vertrok hij als onderkoopman met het schip Hoorn voor de VOC voor zijn eerste reis naar Oost-Indië. Er is niet veel bekend, want zijn verslag uit 1610 is niet bewaard gebleven. Tijdens de tocht is de leider van de expeditie, Pieter Willemszoon Verhoeff vermoord door Bandanezen vanwege meningsverschillen over de bouw van een versterking en de aankoopprijs van specerijen.[9] Deze traumatische gebeurtenis was wellicht de oorzaak van het feit dat hij de Bandanezen haatte en deels liet uitmoorden. Op 28 juni 1611 keerde Coen terug in Nederland en de bewindhebbers kregen de indruk dat zij met een buitengewone man te doen hadden.

De Engelsen hadden zich inmiddels een betere positie verworven op de kruidnageleilanden en betaalden de plaatselijke bevolking met wapens, kruit en lood. Daardoor werd de situatie voor de Hollanders tamelijk hachelijk en werd overgegaan tot het verbranden van de oogst, zodat die niet in Engelse handen viel.

Tweede reis naar Oost-Indië[bewerken]

Op 12 mei 1612 vertrok Coen voor een tweede zeereis. Om vers water, fruit en groente in te nemen, landde het schip op Ilha Brava (Kaapverdië), waar dertien man in een hinderlaag werden gelokt en omkwamen. Omdat hij zijn manschappen een soort hutspot met pruimen geweekt in citroensap te eten gaf, stierf onderweg slechts een van de opvarenden.
Op 9 februari 1613 kwam hij aan in Bantam als opperkoopman en commandeur over de schepen de Geunieerde Provintiën en de Hope. De factorij met de voorraden was afgebrand, enkele medewerkers waren vermoord en de administratie een puinhoop.[10]

Op 22 februari zeilde Coen naar Jacarta. Het hoofd van de vestiging, Abraham Theunemans, werd afgezet en door Coen met geweld verwijderd. In mei ging Coen onder leiding van Both naar de Molukken. Ze brachten een bezoek aan Amboina, Batjan, Ternate en deden een aanval op Tidore. Er werden enige gewapende successen behaald, maar de voorgenomen verovering van het gehele eiland slaagde niet. Een overval op Manilla werd door Both afgewezen. Solor werd door de Portugezen verlaten.

Aziatische vorsten hadden nauwelijks belangstelling voor Europese producten en Coen bepleitte het sturen van klinkende munt in het belang van de intra-Aziatische handel. De inlandse scheepvaart zou naar zijn mening (en die van bewindhebbers) van de specerijeneilanden moeten worden geweerd, omdat de kruidnagelen, nootmuskaat en foelie aan de concurrentie werd verkocht. De levering van sandelhout uit Timor aan China zou moeten worden opgevoerd. Daarnaast zou de immigratie van gezinnen, begeleid door ongehuwd personeel, moeten worden opgevoerd om de eilanden te bevolken.

Op aanraden van Jacques l'Hermite werd Coen voorgedragen als directeur-generaal over alle VOC-kantoren in Azië. Op 5 november 1614 kwam Gerard Reynst met het bericht uit Amsterdam dat Coen was benoemd als president van Bantam en Jacarta, maar ook tot boekhouder-generaal. Als tweede man na gouverneur-generaal Reynst zette hij zijn visie in daden om.

De Indische buitenhandel werd opgevoerd. De aankoop van textiel in India betaald met zilver uit Japan; de verkoop van deze "kleedjes" in de Indische archipel leverden specerijen en hout, dat werd geëxporteerd naar China. De schepen voeren met lakwerk en porselein retour. Last but not least de Hollanders leverden de Chinese zijde in Japan. Batavia zou het centrum van dit netwerk moeten worden en fungeren als stapelmarkt.[11] Met de winst zouden de retourvloten naar het vaderland moeten worden gefinancierd.

De bewindhebbers hadden geopperd om slaven in te zetten bij de bouw van de forten en de pakhuizen. Coen antwoordde op advies van Steven van der Hagen iemand naar Madagaskar te sturen, waar Arabieren verbleven die in de handel met slaven betrokken waren.[12] Met Laurens Reael kreeg hij een meningsverschil over het toelaten van Aziatische vreemdelingen op de Molukken, Banda en Ambon.

De VOC was tegen deelname van de Engelsen aan de specerijenhandel, omdat de kosten voor verdediging van de eilanden tegen Spanje en Portugal tot dan toe voor de VOC waren geweest. Ook het concurrerende schip de Eendracht, uitgerust door Isaac le Maire, die het monopolie had trachten te omzeilen, werd in 1616 in beslag genomen, alsmede twee Franse schepen, afkomstig uit Dieppe en diverse Engelse schepen.

Plattegrond van Batavia uit ca. 1627. Reproductie (ca. 1920) uit de collectie Tropenmuseum

Benoeming tot gouverneur-generaal[bewerken]

In oktober 1617 werd hij door de Heren XVII, bijeen in Middelburg, tot gouverneur-generaal benoemd. Hij stuurde Cornelis Coomans naar de sultan van Atjeh, die moest proberen - met uitsluiting van de Britse Oostindische Compagnie - een handelscontract af te sluiten. Samen met Laurens Reael besloot hij in augustus 1618 tot versterking van de handelspost op de oever van de rivier Tjiliwan, tegenover Jacatra.[13] De bouw van het fort bracht Coen in conflict met de vorst, Bantam en de Britse Oost-Indische Compagnie.

In november begon hij zonder toestemming met de uitbreiding van het fort, maar om de zaak in evenwicht te houden kregen ook de Engelsen toestemming hun handelspost op Bantam te versterken.[14][15] De Engelsen kaapten in 1618 De Zwarte Leeuw, een Hollands schip dat eerder een Chinese jonk, geladen met fruit en levensmiddelen, in beslag had genomen en waarvan de bemanning overboord was gesprongen. Een deel kon worden gevangengenomen en is op Ambon ingezet. Op 24 december werd de Engelse handelspost verwoest. Op 2 januari 1619 kwam het tot een treffen voor de kust die onbeslist bleef. Coen zeilde vervolgens naar de Molukken om meer hulp te halen bij Herman van Speult en Adriaen Maertensz. Block. De vloot verzamelde zich bij Madoera. Pieter de Carpentier werd vooruit gezonden vanwege de tegenwind. Onderweg verwoestte de vloot Japara voor de tweede keer. De plaatselijke Chinezen schijnen naar Jacatra te zijn vervoerd om de nieuwe nederzetting met koelies, tuinders, winkeliers en kooplieden te bevolken.

Aan de oostzijde van de Ciliwungrivier werd een vierkant kasteel gebouwd met op de vier hoeken grote uitspringende bastions. Al van de stichting in 1619 waren Javanen onwelkom, want ze zouden opnieuw in opstand kunnen komen. Ondertussen werd in Batavia door ca. 250 man (?) dag en nacht gewerkt aan het fort onder leiding van Pieter van den Broecke.[16] Willem IJsbrantsz. Bontekoe voer op en neer om een witte koraalsteen die van de zeebodem werden gehaald te lossen.[17] Van den Broecke werd met zes man door de Javanen in gijzeling genomen en capituleerde op 1 februari 1619. Hij sloot een verdrag met de Engelsen en de sultan. De wapens zouden worden weggehaald door de Engelsen, de koopmansgoederen kwamen de sultan toe. Toen dit bekend werd in het fort braken de manschappen alles open. Eerst toen kwamen de Bantammers opzetten. De volgende dag werd de sultan door zijn Bantammer principaal afgezet. In de daaropvolgende maanden werd er voornamelijk onderhandeld en nauwelijks geschoten.

De impasse werd op 30 mei 1619 door Coen, die twee dagen eerder met 17 schepen was gearriveerd, doorbroken. De Bantammers werden verjaagd, de vijftien Engelse schepen vertrokken. Er was nauwelijks enige tegenstand. Jacatra werd afgebrand en de bevolking verdreven. De prins trok zich terug in het binnenland en Coen haalde de banden aan met Bantam na een blokkade van de haven. Zo werd de VOC heerser over het hele gewest.[18] Het was Coen gelukt Bantam en Mataram tegen elkaar uit te spelen.

Het fort was al op 12 maart door de bevelhebber Van Raay tot Batavia gedoopt.[19] Niettemin wilde Coen de nederzetting Nieuw-Hoorn noemen (naar zijn geboorteplaats Hoorn), maar hij kreeg geen toestemming van de Heren XVII, de bewindhebbers van de VOC.

In september 1619 zeilde Coen naar Gresik dat door Mataram twee weken eerder in brand was gestoken. Coen nam Engelse schepen in beslag die voor de haven van Japara lagen, terwijl de VOC in onderhandeling was met de Engelse East India Company. Hij dwong de Chinese kooplieden tegen een vastgestelde prijs de zwarte peper uit te leveren en bij ontduiking de lading op zee in beslag te nemen. Inmiddels verscheen er ook concurrentie vanuit Denemarken en Frankrijk, opgezet door Hollandse kooplieden. Nadat de stad Japara twee maal was verwoest, vroeg Mataram de Nederlanders in 1621 terug te komen, waarop de VOC niet inging.

Coens "daden"[bewerken]

Militaire parade bij het standbeeld van Jan Pietersz. Coen op het Waterlooplein in Batavia

Coen liet in juni 1622 Cornelis Reyersz. en Willem IJsbrantsz. Bontekoe het Portugese Macao aanvallen met behulp van zwarte slaven,[20] maar het beleg mislukte.

Ook tegen andere concurrenten liet Coen hard optreden:

  • Vanwege zijn pogingen een monopolie te bemachtigen, raakte hij opnieuw in oorlog met de Engelsen.
  • Met een expeditieleger van 2000 soldaten overrompelde hij in 1621 de Banda-eilanden, waar de bevolking tegen het verbod van de VOC in nootmuskaat bleef verkopen aan Portugezen en Engelsen. Deze veel gezochte specerij kwam destijds alleen hier voor. Wie de Banda-eilanden bezat, had het monopolie. Duizenden Bandanezen werden bij die actie gedood.
  • De haven van Manilla werd geblokkeerd door een vloot onder Willem Jansz, waardoor Chinese kooplieden gedwongen werden Batavia aan te doen.[21]
  • Leonard Camps was er een groot voorstander van dat de VOC zich mengde in de handel in zijde tussen China en Japan.[22] Hij was van mening dat de oorlogszuchtige activiteiten, op initiatief van Coen, in 1622 bij Macao gestaakt moesten worden om de handelsactiviteiten in Japan uit te kunnen breiden.[23] De VOC, die de Chinese handelaren dwarsboomde in de Indische Archipel, concentreerde haar activiteiten in juli 1622 op Penghu, het grootste eiland van de Pescadores.
  • Coen's tactiek was om zo veel mogelijk last te veroorzaken, zodat de Chinezen gedwongen zouden worden te onderhandelen.[24] Cornelis van Nijenrode vertrok in oktober naar de kust. Onder Coen's opvolger Carpentier zijn 1.200 Chinezen ontvoerd vanaf het vasteland. Ze werden ingezet bij de bouw van een fort bij Penghu, op de route China - Manilla. Vanwege een mogelijke aanval van de Chinezen op de Pescadores werd besloten de 571 nog levende Chinezen naar Batavia te vervoeren, om Java, Banda en de Molukken te bevolken. Slechts 33 personen overleefden de tocht.[25]
  • De Chinezen raakten onder de indruk van de gevechtskracht en in 1624 kreeg de compagnie toestemming zich op Formosa te vestigen en het Fort Zeelandia (Taiwan) op te werpen.

Coen in Holland[bewerken]

Portret van Eva Ment

In 1623 droeg Coen het gezag over aan Pieter de Carpentier en keerde terug naar Nederland. Op 19 september 1623 kwam hij behouden in het vaderland aan. Drie dagen later bracht hij in een vergadering der Heren XVII een uitvoerig verslag uit, en ontving als waardering een gouden keten met medaille, een vergulde degen, en een aanzienlijke geldelijke beloning.

Een jaar later deed hij een voorstel aan de VOC om het monopolie op het transport van de koopwaar voor de VOC te behouden, maar de handel en landbouw onder voorwaarden aan particulieren over te laten. De VOC nam het plan aan, maar heeft het niet uitgevoerd.

In 1623 bepleitte Laurens Reael mogelijk zijn zaak in een brief tegen Coen bij de heren XVII. De Engelsen moesten tot vrienden worden gemaakt en niet tot vijand. De handel in slaven zou leiden tot persoonlijke verrijking. Het roven en moorden in opdracht van de compagnie zou moeten worden gestopt. De handel op China en India moest worden uitgebreid, maar niet gemonopoliseerd. De compagnie zou daarmee zichzelf ruïneren en Reael vroeg zich af waarvan de inlander zou moeten leven. In Jacarta zou iedereen in vrede moeten kunnen handelen. De Chinezen zouden de zijde naar Batavia moeten kunnen brengen, ten voordele van de VOC. Door steun van prins Maurits won aanvankelijk de visie van Coen, maar twee jaar later won Reael en Coen moest inbinden.[26]

In 1624 bood men Coen een tweede maal het gouverneurschap van Indië aan. Hij accepteerde, maar ziekte stelde zijn vertrek uit. Ook de Engelsen probeerden na de Ambonse Moord zijn vertrek naar Indië te verhinderen. In februari 1625 trouwde hij met de 19-jarige Eva Ment, een nicht van Pieter Hasselaer. De Staten-Generaal der Nederlanden verboden Coen zonder hun goedkeuring te vertrekken, maar in 1627 reisde hij met vrouw en dochter incognito naar Indië aan boord van een van de schepen onder David Pietersz. de Vries en werd voor de tweede keer als gouverneur-generaal aangesteld.

Coens laatste termijn[bewerken]

Coens tweede termijn begon met de oorlog met Bantam en Mataram. Een aanval door Bantam werd door Coen verijdeld, maar Batavia werd in 1628 en 1629 door een grote troepenmacht van de vorst van Mataram belegerd. Tijdens de eerste belegering deed het in verhouding kleine leger van Coen een uitval en versloeg de slecht bewapende Javanen. Regen en ziektes deden de rest. De tweede belegering in 1629 kwam niet als een verrassing: Coen was er achter gekomen dat grote voedselvoorraden waren aangelegd ten behoeve van een legermacht, en liet die vernietigen. Desondanks stuurde de vorst van Mataram een leger van 100.000 man om Batavia te belegeren, maar moest de belegering wegens voedselgebrek afbreken. Coen heeft dat niet meer meegemaakt. Hoewel hij sinds enige tijd aan dysenterie leed had hij de leiding nog steeds strak in handen. Op de avond voor zijn dood zat hij nog aan de gemeenschappelijke maaltijd. 's Avonds overviel hem de ziekte, waarschijnlijk acute gastro-enteritis, en enkele uren later verklaarde de geneesheer Bontius dat de gouverneur-generaal zelfs niet meer tot de volgende ochtend zou leven. Het was die nacht dat hij overleed, 21 september 1629. Op 22 september werd hij met grote plechtigheid in het stadhuis (omdat bij de belegering van het vorig jaar de kerk was afgebrand) begraven.

Sara Specx[bewerken]

Sara Specx was een kind dat Jacques Specx had verwekt bij een Japanse concubine en naar Batavia had meegenomen toen hij Hirado verliet.[27] De twaalfjarige Sara werd in Coens tuin of in de slaapzaal aangetroffen tijdens het liefdesspel met de 16-jarige vaandrig Pieter Cortenhoeff, een halfbloed afkomstig uit het koninkrijk Arakan. Sara werd door de Raad van Indië, bestaande uit drie personen, waaronder Coen, zijn zwager en neef Pieter Vlak, veroordeeld tot een publieke geseling. Pieter werd onthoofd vanwege het binnendringen van de residentie van de gouverneur-generaal, wat volgens de letter van de wet majesteitsschennis was. Jacques Specx zocht de confrontatie met de heren die zijn dochter hadden laten geselen. Hij dreigde niet ter heilig avondmaal te zullen gaan. De kerkenraad van Batavia ontzegde daarop de rechters de toegang tot het avondmaal. In 1631 berispten de Heren XVII de drie betrokken partijen.[28]

Waardering na zijn dood[bewerken]

Herdenkingsteen voor Coen; Wayang Museum, Jakarta
Lijfspreuk van Jan Pieterszoon Coen

Coen was een streng gelovig calvinist. Hij onderscheidde zich door zijn militaire bekwaamheden, zijn organisatietalent en doorzettingsvermogen. Als hij overtuigd was van de noodzakelijkheid van een maatregel, voerde hij die desnoods met meedogenloos geweld door. Hij uitte felle kritiek op eenieder die het niet met hem eens was, soms zelfs tegenover zijn meerderen. De bewindhebbers hebben het door hem gevoerde beleid echter nooit afgekeurd.

Dispereert niet[bewerken]

Er zijn veel monumenten in Nederland die aan Coen herinneren. Het bekendste is het negentiende-eeuwse standbeeld in Hoorn, met daarop de eerste twee woorden van zijn lijfspreuk Dispereert niet, ontziet uw vijanden niet, want God is met ons. Het beeld is in 1887 vervaardigd door Ferdinand Leenhoff en staat sinds 1893 op de Roode Steen.[1] Al voor plaatsing was het omstreden. Na een burgerinitiatief werd meer dan honderd jaar later, in juli 2011, in de gemeenteraad van Hoorn gestemd over het wijzigen of aanvullen van de tekst op de sokkel.[29] Op 13 maart 2012 besloot de gemeenteraad van Hoorn aan het standbeeld een uitgebreide tekst in het Nederlands en Engels toe te voegen waarin gemeld wordt dat Coen omstreden is, onder meer door zijn optreden op Banda. De nieuwe tekst werd op 12 april 2012 geplaatst. Vermeld wordt niet alleen dat hij wordt gezien als krachtdadig en visionair bestuurder, maar dat hij "evenzeer wordt bekritiseerd om zijn gewelddadig optreden". En: "Volgens critici verdient Coens gewelddadige handelspolitiek in de Indische archipel geen eerbetoon."

De woorden "Dispereert niet" (wanhoop niet) staan ook op zijn standbeeld gebeeldhouwd op een van de hoeken (Damrak - Oude Brugsteeg) van de Amsterdamse Beurs van Berlage. Deze woorden zijn altijd populair gebleven, vooral in protestants-christelijk Nederland. De anti-revolutionaire minister-president Hendrik Colijn hield een voordracht onder de titel "Dispereert niet" bij de 350e geboortedag van Coen op 1 februari 1937. Toen koningin Wilhelmina zich op 14 mei 1940 over de Engelse radio tot de Nederlandse bevolking richtte, besloot zij haar toespraak met deze twee woorden van Coen. In de jaren van bezetting gebruikten verschillende schrijvers de spreuk om hun landgenoten een hart onder de riem te steken. In 1941 publiceerde de romancier en schrijver van jeugdboeken K. Norel een levensverhaal van Coen onder de titel `Dispereert niet'. Een jaar later kwamen de Friese broers Hendrik en Ale Algra met een lijvig geschiedwerk vanuit gereformeerd perspectief, 'Dispereert niet. Twintig eeuwen historie der Nederlanden.'

Trivia[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Colenbrander, H.T. (1934) Jan Pietersz. Coen. Levensbeschrijving
  • Raymond Howgego: Encyclopedia of Exploration to 1800
  • W.A. Terwogt. Het Land van Jan Pieterszoon Coen. Geschiedenis der Nederlanders in Oost Indie Hoorn. 1889. P. Geerts
  1. a b http://www.oudhoorn.nl/presentaties/2011/JP%20Coen%20-%20Versie%20Oud%20Hoorn.pdf
  2. a b Blussé, L. & J. de Moor (1983) Nederlanders overzee, p. 159.
  3. Toezending van kapitaal uit het vaderland zou daardoor overbodig worden. In: Blussé, L. & J. de Moor (1983) Nederlanders overzee, p. 159.
  4. Ewald Vanvugt in Nestbevuilders
  5. Oosthoek's geillustreerde Encyclopaedie (1920)
  6. http://www.questia.com/PM.qst?a=o&d=59497764
  7. Joyce Tulkens, Jan Pieterszoon Coen, Bedwinger van Indië, p. 287.
  8. De Navorscher: Nederlands archief voor genealogie en heraldiek ..., Volume 5, blz. 244.
  9. Voor meer details zie het artikel over VOC op de Banda-eilanden.
  10. Pieter Both kwam in augustus naar Bantam om een onderzoek in te stellen naar het wanbeheer van de VOC-dienaren aldaar.
  11. http://www.voc-kenniscentrum.nl/vocoverzee.html
  12. Colenbrander, H.T. (1934) Jan Pietersz. Coen. Levensbeschrijving, p. 92.
  13. http://www.nationaalarchief.nl/content/themavoc/1619StichtingBatavia.asp?ComponentID=4531&SourcePageID=5445
  14. http://www.zum.de/whkmla/military/17cen/batavia1619.html
  15. http://www.voc-kenniscentrum.nl/themas.html
  16. http://www.kitlv-journals.nl/index.php/btlv/article/viewFile/5535/6302
  17. Het Journaal van Bontekoe, p. 68, 70, 104.
  18. Colenbrander, H.T. (1934) Jan Pietersz. Coen. Levenbeschrijving, p. 159-169.
  19. VOC-site over Batavia
  20. Amstel, A. van (2011) Barbaren, rebellen en mandarijnen, p. 55.
  21. Amstel, A. van (2011) Barbaren, rebellen en mandarijnen, p. 50.
  22. http://www.vocsite.nl/geschiedenis/handelsposten/china.html
  23. http://www.british-history.ac.uk/report.aspx?compid=69750
  24. Amstel, A. van (2011) Barbaren, rebellen en mandarijnen, p. 61.
  25. Amstel, A. van (2011) Barbaren, rebellen en mandarijnen, p. 66-67.
  26. Colenbrander H.T. (1934) Jan Pietersz. Coen, Levensbeschrijving, p. 333-340, 342, 346-347, 354, 377.
  27. Michiel van Groesen, Specx, Sara, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland
  28. Colenbrander, H.T. (1934) Jan Pietersz. Coen. Levensbeschrijving, p. 428-429.
  29. 'Iemand als Coen hoor je niet te eren'
Voorganger:
L. Reael
Gouverneur-generaal van de VOC
1619-1623
Opvolger:
P. de Carpentier
Voorganger:
P. de Carpentier
Gouverneur-generaal van de VOC
1627-1629
Opvolger:
J. Specx