Jan Pieterszoon Coen
| Jan Pieterszoon Coen | ||||
| 8 januari 1587 – 21 september 1629 | ||||
| Gouverneur-generaal Jan Pietersz Coen | ||||
| Geboren in | Hoorn | |||
| Gestorven in | Batavia | |||
| Land/partij | ||||
| Dienstjaren | 1619-1623 | |||
| Rang | Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië | |||
|
||||
Jan Pieterszoon Coen (Hoorn, voor 8 januari 1587 – Batavia, 21 september 1629) was een Nederlands koopman, boekhouder-generaal en de vierde gouverneur-generaal van Nederlands-Indië in dienst van de VOC. Hij was voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de harde politiek van de Hollanders in het toenmalige Oost-Indië, nu Indonesië. Samen met Pieter Both, de eerste gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, stond Coen een beleid voor om op agressieve wijze een monopolie te verwerven in de handel in Indië. Mogelijk had hij opdracht de handel op China te monopoliseren, door havens te bezetten die door Chinese schippers werden aangedaan of oorlog te voeren tegen Spanjaarden en Portugezen, om hun aandeel in de lucratieve handel met China af te buigen naar Batavia.
Inhoud |
[bewerken] Jeugd
Coen werd geboren in Hoorn en op 8 januari 1587 gedoopt als een zoon van Pieter Willemsz. (ca 1561-) afkomstig uit Twisk. In 1585 was zijn vader koopman in San Lucar en actief in de zouthandel.[1] Op dertienjarige leeftijd werd hij door zijn vader naar Rome gezonden. Daar liep hij stage bij een Vlaming uit Oudenaarde, de katholieke Joost de Visscher (Justus Pescatore). Coen woonde zes jaar in Rome en leerde de kneepjes van het dubbel boekhouden, niet te verwarren met dubbele boekhouding, en verschillende vreemde talen.
[bewerken] Eerste reis naar Indië
In 1607 vertrok hij als onderkoopman met het schip Hoorn voor de VOC voor zijn eerste reis naar Oost-Indië. Er is niet veel bekend over zijn eerste reis. Zijn verslag uit 1610 is niet bewaard gebleven. Een van de weinige zaken die bekend zijn is dat de leider van de expeditie, Pieter Willemszoon Verhoeff vermoord werd door Bandanezen vanwege meningsverschillen over de bouw van een versterking (en de aankoopprijs van specerijen). Deze traumatische gebeurtenis was wellicht de oorzaak van het feit dat hij later Bandanezen zou haten en laten uitmoorden. Zie: VOC op de Banda-eilanden. Op 28 juni 1611 keerde Coen terug in Nederland en de bewindhebbers kregen de indruk dat zij met een buitengewone man te doen hadden.
De Engelsen hadden zich inmiddels een betere positie verworven op de kruidnageleilanden en betaalden de plaatselijke bevolking met wapens, kruit en lood. Daardoor werd de situatie voor de Hollanders tamelijk hachelijk en werd overgegaan tot het verbranden van de oogst, zodat die niet in Engelse handen zou kunnen vallen.
[bewerken] Tweede reis naar Indië
Op 12 mei 1612 vertrok Coen voor een tweede reis. Het schip landde op Ilha Brava waar dertien man in een hinderlaag werden gelokt en omkwamen. Omdat hij zijn manschappen hutspot met pruimen geweekt in citroensap te eten gaf, stierf onderweg slechts een van de opvarenden. Op 9 februari 1613 keerde hij terug in Bantam als opperkoopman en commandeur over de schepen de Geunieerde Provintiën en de Hope. De factorij met de voorraden was afgebrand, enige medewerkers waren vermoord en de administratie een puinhoop. (Pieter Both kwam in augustus naar Bantam om een onderzoek in te stellen naar het wanbeheer van de Compagniesdienaren aldaar.)
Op 22 februari zeilde Coen naar Jacarta. Het hoofd van de vestiging, Abraham Theunemans, werd afgezet en werd door Coen met geweld verwijderd. In mei ging Coen onder leiding van Both naar de Molukken. Ze brachten een bezoek aan Amboina, Batjan, Ternate en deden een aanval op Tidore. Er werden enige successen behaald: de voorgenomen verovering van het gehele eiland slaagde niet; een overval op Manilla werd door Both afgewezen; Solor werd door de Portugezen verlaten en de levering van sandelhout uit Timor aan China zou moeten worden opgevoerd.
Coen bepleitte het sturen van klinkende munt in het belang van de intra-Aziatische handel, (zoals de verkoop van textiel en zijde uit India, en de doorvoer naar Japan, de uitvoer specerijen en hout naar China, aardewerk, porselein en zilver retour), waarop meer winst behaald zou kunnen worden dan op de retourvloten naar het vaderland. De inlandse scheepvaart zou naar zijn mening (en die van bewindhebbers) van de specerijeneilanden moeten worden geweerd, omdat de lading aan de concurrentie werd verkocht. Daarnaast zou de immigratie van gezinnen, begeleid door ongehuwd personeel, moeten worden opgevoerd om de eilanden te bevolken.
Op aanraden van Jacques l'Hermite werd hij voorgedragen als directeur-generaal over alle kantoren in Indië. Op 5 november 1614 kwam Gerard Reynst met het bericht uit Amsterdam dat Coen was benoemd als president van Bantam en Jacarta, maar ook tot boekhouder-generaal. Als tweede man na gouverneur-generaal Reynst zette hij zijn visie in daden om. De bewindhebbers hadden geopperd om slaven in te zetten bij de bouw van de forten en als roeiers op de galeien. Coen antwoordde op advies van Steven van der Hagen iemand naar Madagaskar te sturen, waar Arabieren in de handel met slaven betrokken zaten.[2] Met Laurens Reael kreeg hij een meningsverschil over het toelaten van Aziatische vreemdelingen op de Molukken, Banda en Ambon.
De VOC was tegen deelname van de Engelsen aan de specerijenhandel, omdat de kosten voor verdediging tegen Spanje en Portugal voor de VOC waren. (Ook het concurrerende schip de Eendracht, uitgerust door Isaac le Maire, werd in 1616 in beslag genomen, alsmede twee Franse schepen, afkomstig uit Dieppe en diverse Engelse schepen.)
Coen probeerde vervolgens Bantam en Mataram tegen elkaar uit te spelen.
[bewerken] Benoeming tot gouverneur-generaal
In oktober 1617 werd hij door de Heren XVII, bijeen in Middelburg, tot gouverneur-generaal benoemd. Hij stuurde Cornelis Coomans naar de sultan van Atjeh, die moest proberen met uitsluiting van de Engelse Oostindische Compagnie een handelscontract af te sluiten. Samen met Laurens Reael besloot hij in augustus 1618 tot versterking van de handelspost op de oever van de rivier Tjiliwan, tegenover Jacatra.[3] In november begon hij zonder toestemming met de uitbreiding van het fort. Om de zaak in evenwicht te houden kregen ook de Engelsen toestemming een handelspost te versterken.[4] [5] De Engelsen, die inmiddels een handelspost hadden ingericht op Bantam, kaapten in 1618 De Zwarte Leeuw, dat eerder een Chinese jonk, geladen met fruit en levensmiddelen, in beslag had genomen en waarvan de bemanning overboord was gesprongen. Een deel werd gevangengenomen en op Ambon ingezet. Op 24 december werd de Engelse handelspost verwoest. Op 2 januari 1619 kwam het tot een treffen voor de kust die onbeslist bleef. Coen zeilde vervolgens in het geheim naar de Molukken om meer hulp te halen bij Herman van Speult en Adriaen Maertensz. Block. De vloot verzamelde zich bij Madoera. Pieter de Carpentier werd vooruitgezonden vanwege de tegenwind. Onderweg verwoestte de vloot Japara voor de tweede keer.
Ondertussen werd in Batavia (Nederlands-Indië) door ca 250 man (?) dag en nacht gewerkt aan het fort onder leiding van Pieter van den Broecke.[6] Van den Broecke werd met zes man door de Javanen in gijzeling genomen en capituleerde op 1 februari 1619. Hij sloot een verdrag met de Engelsen en de sultan. De wapens zouden worden weggehaald door de Engelsen, de koopmansgoederen kwamen de sultan toe. Toen dit bekend werd in het fort braken de manschappen alles open. Eerst toen kwamen de Bantammers opzetten. De volgende dag werd de sultan door zijn Bantammer principaal afgezet. In de daaropvolgende maanden werd er voornamelijk onderhandeld en nauwelijks geschoten.
De impasse werd op 30 mei 1619 door Coen, die twee dagen eerder met 17 schepen was gearriveerd, doorbroken. De Bantammers werden verjaagd, de vijftien Engelse schepen vertrokken. Er was nauwelijks enige tegenstand. Jacatra werd afgebrand en de bevolking verdreven. De prins trok zich terug in het binnenland en Coen haalde de banden aan met Bantam na een blokkade van de haven. Zo werd de VOC heerser over het hele gewest.[7]
Het fort was al op 12 maart door de bevelhebber Van Raay tot Batavia gedoopt.[8] Niettemin wilde Coen de nederzetting Nieuw-Hoorn noemen (naar zijn geboorteplaats Hoorn), maar hij kreeg geen toestemming van de Heren XVII, de bewindhebbers van de VOC.
In september 1619 zeilde Coen naar Gresik dat door Mataram twee weken eerder in brand was gestoken. Coen nam Engelse schepen in beslag die voor de haven van Japara lagen, terwijl de VOC in onderhandeling was met de Engelse East India Company. Hij dwong de Chinese kooplieden tegen een vastgestelde prijs de zwarte peper uit te leveren en bij ontduiking de lading op zee in beslag te nemen. Inmiddels verscheen er ook concurrentie vanuit Denemarken en Frankrijk, opgezet door Hollandse kooplieden.
Aan de oostzijde van de Ciliwungrivier werd een vierkant kasteel gebouwd met op de vier hoeken grote uitspringende bastions. Al van de stichting in 1619 waren Javanen onwelkom, want ze zouden opnieuw in opstand kunnen komen. Nadat de stad Japara twee maal was verwoest, vroeg de Mataram de Nederlanders in 1621 terug te komen, waarop de VOC niet inging. Coen liet in 1622 Cornelis Reyersz. en Willem IJsbrantsz. Bontekoe duizend Chinezen uit Macao ontvoeren, die zouden worden ingezet bij de bouw van een fort op de Pescadores. Enkele tientallen overleefden de tocht.
Vanwege zijn pogingen een monopolie te bemachtigen, raakte hij opnieuw in oorlog met de Engelsen, culminerend in de Ambonse Moord, waarbij een aantal Engelsen doodgemarteld werd na verdenking van samenzwering ter omverwerping van het Nederlands gezag.
[bewerken] Coens daden
Ook tegen andere concurrenten liet Coen hard optreden:
- met een expeditieleger van 2000 man overrompelde hij in 1621 de Banda-eilanden, die tegen het verbod van de VOC in, toch nootmuskaat bleven verkopen aan Portugezen en Britten. Deze eilanden vormden destijds de enige plek ter wereld waar deze gezochte specerij voorkwam. Wie Banda bezat, had het monopolie. Duizenden Bandanezen werden bij die actie gedood. Zie: VOC op de Banda-eilanden .
- de haven van Manilla werd geblokkeerd
- Leonard Camps was er een groot voorstander van dat de VOC zich mengde in de handel in zijde tussen China en Japan.[9] Hij was van mening dat de oorlogszuchtige activiteiten, op initiatief van Coen, in 1622 bij Macao gestaakt moesten worden om de handelsactiviteiten in Japan uit te kunnen breiden.[10] De VOC, die de Chinese handelaren dwarsboomde in de Indische Archipel, concentreerde haar activiteiten in juli 1622 op Penghu, het grootste eiland van de Pescadores, bij gebrek aan beter. De Chinezen raakten onder de indruk van de gevechtskracht en in 1624 kreeg de compagnie toestemming het Fort Zeelandia (Taiwan) op te werpen. Zie ook Nederlands Formosa.
- De Nederlanders breidden hun handelsgebied uit naar het oosten (India en Perzië) en noorden (China en Japan)
In 1623 droeg Coen het gezag over aan Pieter de Carpentier en keerde terug naar Nederland. De Engelsen probeerden na de Ambonse Moord zijn vertrek naar Indië te verhinderen. Op 19 september 1623 kwam hij behouden in het vaderland aan. Drie dagen later bracht hij in een vergadering der Heren XVII een uitvoerig verslag uit, en ontving als waardering een gouden keten met medaille, een vergulde degen, en een aanzienlijke geldelijke beloning.
Een jaar later deed hij een voorstel aan de VOC om het monopolie op het transport van de koopwaar voor de VOC te behouden, maar de handel en landbouw onder voorwaarden aan particulieren over te laten. De VOC nam het plan aan, maar heeft het niet uitgevoerd.
In 1623 bepleitte Laurens Reael mogelijk zijn zaak in een brief tegen Coen bij de heren XVII. De Engelsen moesten tot vrienden worden gemaakt en niet tot vijand. De handel in slaven zou leiden tot persoonlijke verrijking. Het roven en moorden in opdracht van de compagnie zou moeten worden gestopt. De handel op China en India moest worden uitgebreid, maar niet gemonopoliseerd. De compagnie zou daarmee zichzelf ruïneren en Reael vroeg zich af waarvan de inlander zou moeten leven. In Jacarta zou iedereen in vrede moeten kunnen handelen. De Chinezen zouden de zijde naar Batavia moeten kunnen brengen, ten voordele van de VOC. Door steun van prins Maurits won aanvankelijk de visie van Coen, maar twee jaar later won Reael en Coen moest inbinden.[11]
In 1624 bood men Coen een tweede maal het gouverneurschap van Indië aan. Hij accepteerde, maar ziekte stelde zijn vertrek uit. In februari 1625 trouwde hij met de 19-jarige Eva Ment, een nicht van Pieter Hasselaer. De Staten-Generaal der Nederlanden verboden Coen zonder hun goedkeuring te vertrekken, maar in 1627 reisde hij met vrouw en dochter incognito naar Indië aan boord van een van de schepen onder David Pietersz. de Vries en werd voor de tweede keer als gouverneur-generaal aangesteld.
[bewerken] Coens laatste termijn
Coens tweede termijn begon met de oorlog met Bantam en Mataram. Een aanval door Bantam werd door Coen verijdeld, maar Batavia werd in 1628 en 1629 door een grote troepenmacht van de vorst van Mataram belegerd. Tijdens de eerste belegering deed het in verhouding kleine leger van Coen een uitval en versloeg de slecht bewapende Javanen. Regen en ziektes deden de rest. De tweede belegering in 1629 kwam niet als een verrassing: Coen was er achter gekomen dat grote voedselvoorraden waren aangelegd ten behoeve van een legermacht, en liet die vernietigen. Desondanks stuurde de vorst van Mataram een leger van 100.000 man om Batavia te belegeren, maar moest de belegering wegens voedselgebrek afbreken. Coen heeft dat niet meer meegemaakt. Hoewel hij sinds enige tijd aan dysenterie leed had hij de leiding nog steeds strak in handen. Op de avond voor zijn dood zat hij nog aan de gemeenschappelijke maaltijd. 's Avonds overviel hem de ziekte, waarschijnlijk acute gastro-enteritis, en enkele uren later verklaarde de geneesheer Bontius dat de gouverneur-generaal zelfs niet meer tot de volgende ochtend zou leven. Het was die nacht dat hij overleed, 21 september 1629. Op 22 september werd hij met grote plechtigheid in het stadhuis (omdat bij de belegering van het vorig jaar de kerk was afgebrand) begraven.
[bewerken] Sara Specx
Sara Specx was het kind dat Jacques Specx had verwekt bij een Japanse concubine en had meegenomen toen hij Hirado verliet. De twaalfjarige Sara werd in Coens tuin of in de slaapzaal aangetroffen tijdens het liefdesspel met de 16-jarige vaandrig Pieter Cortenhoeff, eveneens een halfbloed afkomstig uit het koninkrijk Arakan.[12] Sara was door de Raad van Indië, bestaande uit drie personen, waaronder Coen, zijn zwager en neef Pieter Vlak, veroordeeld tot geseling en Pieter werd onthoofd, n.b. wegens majesteitsschennis. Antonie van Diemen weigerde te ondertekenen. Specx verklaarde de oorlog aan de rechters die deze onmenselijke straf hadden uitgesproken. Hij dreigde niet ter heilig avondmaal te gaan. De kerkenraad ontzegde daarop de rechters de toegang tot het avondmaal. In 1631 berispten de Heren XVII de drie betrokken partijen.[13]
[bewerken] Na zijn dood
Coen was een streng gelovig calvinist. Hij onderscheidde zich door zijn militaire bekwaamheden, zijn organisatietalent en doorzettingsvermogen. Als hij overtuigd was van de noodzakelijkheid van een maatregel, voerde hij die desnoods met meedogenloos geweld door. Hij uitte felle kritiek op eenieder die het niet met hem eens was, soms zelfs tegenover zijn meerderen. De bewindhebbers hebben het door hem gevoerde beleid echter nooit afgekeurd.
Er zijn vele monumenten in Nederland die aan Coen herinneren. Het indrukwekkendste is het negentiende-eeuwse standbeeld in Hoorn, met daarop de eerste twee woorden van zijn lijfspreuk Dispereert niet, ontziet uw vijanden niet, want God is met ons. Het beeld is in 1887 vervaardigd door Ferdinand Leenhoff, en staat sinds 1893 op de Roode Steen. Op 16 augustus 2011 viel het beeld van zijn sokkel door een tik van een kraan die met werkzaamheden bezig was. De woorden "Dispereert niet" (wanhoop niet) staan ook op zijn standbeeld gebeeldhouwd op één van de hoeken (Damrak - Oude Brugsteeg) van de Amsterdamse Beurs van Berlage.
Deze woorden zijn altijd populair gebleven, vooral in protestants-christelijk Nederland. De anti-revolutionaire minister-president Hendrik Colijn hield een voordracht onder de titel "Dispereert niet" bij de 350e geboortedag van Coen op 1 februari 1937.
Toen koningin Wilhelmina zich op 14 mei 1940 over de Engelse radio tot de Nederlandse bevolking richtte, besloot zij haar toespraak met deze twee woorden van Coen. In de jaren van bezetting gebruikten verschillende schrijvers de spreuk om hun landgenoten een hart onder de riem te steken. In 1941 publiceerde de romancier en schrijver van jeugdboeken K. Norel een levensverhaal van Coen onder de titel `Dispereert niet'. Een jaar later kwamen de Friese broers Hendrik en Ale Algra met een lijvig geschiedwerk vanuit gereformeerd perspectief, 'Dispereert niet. Twintig eeuwen historie der Nederlanden.'
In 1966 werd de nieuwe tunnel onder het Noordzeekanaal, in het westen van Amsterdam, de Coentunnel vernoemd.
[bewerken] Externe links
- De Nationale Canon over de VOC en Coen
- Een klassieke karakterstudie door Jan en Annie Romein
- Over de zaak Sara Specx
- Nestbevuilers, 400 jaar Nederlandse critici van het koloniale bewind in de Oost en de West door Ewald Vanvugt
Bronnen, noten en/of referenties:
- Raymond Howgego: Encyclopedia of Exploration to 1800
- 1889. Dr. W.A. Terwogt. Het Land van Jan Pieterszoon Coen. Geschiedenis der Nederlanders in Oost Indie Hoorn. P. Geerts
- Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek: Jan Pieterszoon Coen p.311. Leiden: A.W. Sijthoffs Uitgeversmaatschappij (1911-1837)
- De VOC-site: Jan Pieterszoon Coen. URL bezocht op 9 mei 2009
- ↑ http://www.questia.com/PM.qst?a=o&d=59497764
- ↑ Colenbrander, H.T. (1934) Jan Pietersz. Coen. Levensbeschrijving, p. 92.
- ↑ http://www.nationaalarchief.nl/content/themavoc/1619StichtingBatavia.asp?ComponentID=4531&SourcePageID=5445
- ↑ http://www.zum.de/whkmla/military/17cen/batavia1619.html
- ↑ http://www.voc-kenniscentrum.nl/themas.html
- ↑ http://www.kitlv-journals.nl/index.php/btlv/article/viewFile/5535/6302
- ↑ Colenbrander, H.T. (1934) Jan Pietersz. Coen. Levenbeschrijving, p. 159-169.
- ↑ VOC-site over Batavia
- ↑ http://www.vocsite.nl/geschiedenis/handelsposten/china.html
- ↑ http://www.british-history.ac.uk/report.aspx?compid=69750
- ↑ Colenbrander H.T. (1934) Jan Pietersz. Coen, Levensbeschrijving, p. 333-340, 342, 346-347, 354, 377.
- ↑ Specx, Sara
- ↑ Colenbrander, H.T. (1934) Jan Pietersz. Coen. Levensbeschrijving, p. 428-429.
| Voorganger: L. Reael |
Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië 1619-1623 |
Opvolger: P. de Carpentier |
| Voorganger: P. de Carpentier |
Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië 1627-1629 |
Opvolger: J. Specx |