Hendrik Merkus de Kock
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Hendrik Merkus baron de Kock, (Heusden, 25 mei 1779 – Den Haag, 12 april 1845) was een officier, minister en senator, die zowel ten tijde van de Republiek als na 1813 in Nederlands-Indië actief was als militair. In 1805 werd de Kock door Lodewijk Napoleon tot "opper-equipagemeester van de Marine beoosten de Kaap de Goede Hoop" benoemd. Op 1 maart 1807 werd hij benoemd tot "commandant-militair over Java's oosthoek, Madura en Grissee en kapitein van de havens en baaien aldaar" een functie die hij tot 13 januari 1808 vervulde. Op 5 augustus 1808 benoemde Koning Lodewijk Napoleon de kapitein tot Ridder in de Orde van de Unie.
In januari 1810 werd hij Chef Generale Staf der Koninklijke en Koloniale Marine en van de mobiele divisie in Batavia. de Kock verdedigde Java totdat hij door de Britten gedurende de periode van september 1811 tot 12 december 1813 krijgsgevangen werd gemaakt.
De Kock werd in 1817 tot gouverneur van de Molukken benoemd. In 1821 werd hij commandeur in de Militaire Willems-Orde Hij leidde als legeraanvoerder in 1826-1830 op Java de strijd tegen Diponegoro.
Generaal de Kock werd na de Nederlandse overwinning bevorderd tot Grootkruis in de Militaire Willems-Orde. De wens van zijn officieren om hem, vanwege zijn "vaderlijke behandeling" een met diamanten ingezet grootkruis te schenken werd door Koning Willem I niet goedgekeurd. De Koning stond de Luitenant-generaal het dragen van een dergelijk kruis niet toe. In plaats daarvan mocht hij een "edelstenen versierde degen" aannemen en dragen.
In 1826 werd H.M. Baron de Kock aangesteld als Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië. Hij moest deze functie weer afstaan aan de officieel benoemde gouverneur-generaal, Burggraaf Leonard Pierre Joseph burggraaf du Bus de Gisignies. De Kock bleef wel in functie als hoofdcommandant van het Nederlands-Indisch leger. In die functie zorgde hij voor de beëindiging van de Javaanse oorlog. Veel lof werd hem toegezwaaid omdat hij de meeste gevreesde opstandeling, de Javaanse Prins Dipo Negoro, gevangen wist te nemen. Tijdens een overleg tussen de Kock en de met een witte vlag aangereisde Dipo Negoro nam de hoofdcommandant de prins gevangen. Hij gooide hem in de boeien en verbande hem van het eiland Java.
Bij terugkeer in Nederland werd de Kock tot Baron verheven.
De Kock was ruim vier jaar minister van Binnenlandse Zaken. Daarna werd hij lid van de Eerste Kamer, zonder daarin actief te zijn. Na zijn aftreden benoemde de koning hem tot Minister van Staat. In Nederlands-Indië werd Fort de Kock, waarvan resten nog te zien zijn in de buurt van het stadje Bukittinggi, naar hem genoemd.
Van 1838 tot 1841 was De Kock -onbezoldigd- Kanselier van de Militaire Willems-Orde en Kanselier van de Orde van de Nederlandse Leeuw.
| Bronnen, noten en/of referenties: |
|
De informatie op deze pagina, of een eerdere versie daarvan, is geheel of gedeeltelijk afkomstig van www.parlement.com. |
| Voorganger: G.A.G.Ph. van der Capellen |
Gouverneur-generaal van Nederlands-Indië 1826-1830 |
Opvolger: J. graaf van den Bosch |
| Voorganger: H.J. van Doorn van Westcapelle |
Minister van Binnenlandse Zaken 1836-1841 |
Opvolger: W.A. Schimmelpenninck van der Oye |
| Voorganger: Jan Willem Janssens |
Kanselier van de Militaire Willems-Orde en Kanselier van de Orde van de Nederlandse Leeuw 1838-1841 |
Opvolger: W.A. baron Schimmelpenninck van der Oye als Kanselier van de Militaire Willems-Orde en de Orde van de Nederlandse Leeuw |

