Frederik van Oranje-Nassau (1797-1881)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Prins Frederik
Stamboom.png Stamboom
Een jeugdige Frederik

Willem Frederik Karel, prins der Nederlanden, prins van Oranje-Nassau, (Berlijn, 28 februari 1797Wassenaar, Huize De Paauw, 8 september 1881) was de tweede zoon van koning Willem I der Nederlanden en Wilhelmina van Pruisen.

Biografie[bewerken]

Jeugd[bewerken]

Prins Frederik werd in Berlijn geboren. Zijn ouders waren op dat moment door de patriotten uit Nederland verdreven. Hij groeide op aan het hof van zijn grootvader Frederik Willem II van Pruisen en ontving daar militair onderricht van de Pruisische generaal Carl von Clausewitz. In dienst van het Pruisische leger nam hij deel aan de Volkerenslag bij Leipzig (1813).

In december 1813 zette hij bij het Gelderse dorp Aalten voet op Nederlandse bodem. Hij sprak geen Nederlands. De prins had het moeilijk in Nederland. Hij had zich altijd thuis gevoeld aan het Pruisische hof en plotseling bevond hij zich in een land waarvan hij de gebruiken niet kende en de taal nog moest leren. Om zijn wat eenzijdige opleiding bij te spijkeren werd de prins als student naar de Rijksuniversiteit Leiden gestuurd. Hij ging met tegenzin maar schreef zijn voormalige gouverneur: 'Ik behoor mijn plicht en niet mijn lust te volgen.'

Frederik had krachtens het huisverdrag van 4 april 1815 recht op de Duitse bezittingen van het Huis Oranje-Nassau op het moment dat zijn oudere broer Willem (II) koning zou worden. Omdat deze echter niet meer in bezit van de familie waren, zou hij groothertog van Luxemburg worden. Van dit recht deed hij in 1816 afstand in ruil voor domeinen en de titel Prins der Nederlanden.

Militaire carrière[bewerken]

In 1826 benoemde koning Willem I zijn tweede zoon tot commissaris-generaal van het ministerie van Oorlog. Prins Frederik moderniseerde in deze functie het leger naar Pruisisch model. Hij richtte de Koninklijke Militaire Academie in Breda op en rustte het leger uit met moderne wapens zoals de houwitser. Hij vervulde diverse functies in het leger en werd in 1829 admiraal.

In 1830 leidde prins Frederik, nadat zijn broer Willem II er niet in geslaagd was door onderhandelingen tot een vergelijk te komen, de troepen die in Brussel trachtten de Belgische Opstand te bedwingen. Op 18 augustus 1831 werd prins Frederik benoemd tot grootkruis in de Militaire Willems-Orde.

In 1849 werd er opnieuw een beroep op hem gedaan, dit keer door zijn neef koning Willem III. Deze benoemde hem op 8 april 1849 opnieuw tot inspecteur-generaal der Krijgsmacht. Hij bleef dat bijna 20 jaar. In 1868 diende hij zijn ontslag in omdat hij geen steun kreeg van de minister en verbeteringen in het leger achterbleven.

Prins Frederik omstreeks 1865

Huwelijk en gezin[bewerken]

Prins Frederik trad op 21 mei 1825 in Berlijn in het huwelijk met zijn nicht prinses Louise van Pruisen. Net als zijn vader en grootvader trouwde hij dus met een Pruisische prinses, en net als zijn vader met zijn nicht. Uit dit huwelijk werden vier kinderen geboren:

Door zijn dochter Louise, koningin van Zweden, was prins Frederik grootvader van koningin Louise van Denemarken en overgrootvader van koning Christiaan X van Denemarken en koning Haakon VII van Noorwegen. Beide achterkleinkinderen maakte hij ook nog een tijdlang mee.

Griekse troon[bewerken]

In 1829 werd Frederik kandidaat gesteld voor de Griekse troon, maar hij bedankte voor de eer. Hij wilde geen koning worden van een land waarvan de taal en de cultuur hem vreemd waren. De troon van Griekenland werd vervolgens gegeven aan de 17-jarige prins Otto van Beieren.

Latere leven[bewerken]

Frederik met drie kleinzoons; omstreeks 1879. V.l.n.r. Viktor, Wilhelm, Frederik zelf, en Friedrich. Zij zijn de zonen van prinses Marie.

Na de troonsafstand van zijn vader in 1840 trok Frederik zich grotendeels uit het openbare leven terug op zijn landgoed te Wassenaar. Frederik heeft in de Oranje-familie een grote rol als verzoener gespeeld. Hij hield contact met zijn vader toen deze zijn omstreden huwelijk met Henriëtte d'Oultremont de Wégimont doorzette. Na het overlijden van zijn vader in 1843 bleef Frederik de weduwe ondersteunen. In 1846 kocht hij park en slot Fürst-Pückler-Park Bad Muskau van Hermann von Pückler-Muskau. Frederik wikkelde de zwaar met schulden belaste nalatenschap van zijn broer Willem II af. Hij bemiddelde in het later door een echtscheiding ontbonden huwelijk van zijn zuster Marianne. Hij was tevens steun en toeverlaat van koningin Sophie, de vrouw van zijn neef Willem III. Na het overlijden van zijn achterneef Willem in 1879 nam prins Frederik het rouwbeklag van de ministers in ontvangst. Niemand anders van de koninklijke familie wilde dat doen. Ook was hij een grote steun voor deze kroonprins Willem en diens broer Alexander omdat hij het goed kon vinden met hun moeder.

Frederik verscheen voor het laatst in het openbaar bij de doop van zijn achternicht Wilhelmina op 12 oktober 1880. Hij overleed in september 1881, 84 jaar oud. Toen was hij de langstlevende Oranje ooit. Dit record werd pas verbroken door koningin Juliana die uiteindelijk overleed op 94 jarige leeftijd.

Zijn stoffelijk overschot werd op 23 september bijgezet in de grafkelder van de Oranjes in de Nieuwe Kerk te Delft.

Vrijmetselarij[bewerken]

Prins Frederik als Grootmeester Nationaal van de Orde der Vrijmetselaren in Nederland

Prins Frederik werd in 1816 grootmeester van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden. Hij zou die functie tot aan zijn dood, 65 jaar lang, bekleden. Hij heeft een sterke invloed gehad op de vrijmetselarij in die tijd en neigde ertoe deze meer in te willen zetten voor maatschappelijke doelen.

Naast grootmeester van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden was Prins Frederik grootmeester van de Orde van Vrijmetselaren onder het Hoofdkapittel der Hoge Graden in Nederland. Hij bleef maar enkele jaren in deze functie aan[1], want vanwege het christelijke karakter verafschuwde hij de Orde. Doordat er teveel nadruk op het christendom zou liggen, werd het karakter van de Vrijmetselarij als vrijplaats voor alle gelovigen aangetast, aldus Prins Frederik.[2]. Uiteindelijk stelde hij zich op het standpunt dat het beter was een einde te maken aan de vele vervolgpaden, doch zover is het nooit gekomen.

Prins Frederik schonk de Orde een stadspaleis aan de Fluwelen Burgwal in Den Haag, dat verbouwd werd tot Ordegebouw. De Louisa Stichting, onderdeel van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden, is vernoemd naar de vrouw van Frederik.

Voorouders[bewerken]

De voorouders van prins Frederik der Nederlanden
Prins Frederik der Nederlanden
(1797-1881)
Vader:
Koning Willem I der Nederlanden
(1772-1843)
Grootvader:
Stadhouder Willem V
(1748-1806)
Overgrootvader:
Stadhouder Willem IV
(1711-1751)
Overgrootmoeder:
Anna van Hannover
(1709-1759)
Grootmoeder:
Prinses Wihelmina van Pruisen
(1751-1820)
Overgrootvader:
Prins August Willem van Pruisen
(1722-1758)
Overgrootmoeder:
Amalia van Brunswijk-Wolfenbüttel
(1722-1780)
Moeder:
Prinses Wilhelmina van Pruisen
(1774-1837)
Grootvader:
Koning Frederik Willem II van Pruisen
(1744-1797)
Overgrootvader:
Prins August Willem van Pruisen
(1722-1758)
Overgrootmoeder:
Amalia van Brunswijk-Wolfenbüttel
(1722-1780)
Grootmoeder:
Prinses Frederika van Hessen-Darmstadt
(1751-1805)
Overgrootvader:
Landgraaf Lodewijk IX van Hessen-Darmstadt
(1719-1790)
Overgrootmoeder:
Henriëtte Caroline van Palts-Zweibrücken
(1721-1774)


Voorganger:
A.Ch.J.G. graaf d'Aubremé
Minister van Oorlog
1826-1829
Opvolger:
D.J. de Eerens
Bronnen, noten en/of referenties