Friese Vrijheid

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Friese Zeelanden rond 1300

Met Friese Vrijheid wordt bedoeld het ontbreken van feodale instituties in het gebied dat oorspronkelijk werd bewoond door de Friezen, met name de huidige provincies Groningen en Friesland en de streek West-Friesland in Nederland en Oost-Friesland in Duitsland. Positief geformuleerd: de Friezen werden niet bestuurd door een graaf of hertog, maar bestuurden zichzelf.

Oorsprong[bewerken]

De doodslag op graaf Arnulf in 993 is een eerste teken van de Libertas van de Friezen. Deze Friese graaf sneuvelde bij een poging zijn opstandige onderdanen in de tegenwoordige regio West-Friesland tot gehoorzaamheid te dwingen. De moord op een andere graaf, Hendrik de Vette, in 1101 wordt gezien als het feitelijk begin van de Friese vrijheid. Deze Vrijheid werd in ieder geval erkend door de Rooms-koning Willem II op 3 november 1248. Dit deed hij na de hulp die de Friezen hadden gegeven bij het beleg van de stad Aken. In 1417 werd dit nogmaals bevestigd door keizer Sigismund die Friesland tot rijksonmiddellijk gebied verklaarde. Daar staat tegenover dat andere keizers Friesland in leen hebben gegeven, zoals Lodewijk IV aan de graaf van Holland.

Volgens latere schrijvers zou de vrijheid verleend zijn in het Karelsprivilege door Karel de Grote aan Magnus Forteman, als beloning voor de verovering van Rome. Diverse bronnen maken melding van het Karelsprivilege of de Magnuskerren. Het origineel is verloren, volgens sommigen ingemetseld in een muur van een Kerk, waarbij dit de kerk van Almenum, Ferwoude of Oldeboorn kan zijn. Anderen houden het Karelsprivilege voor een verzinsel uit latere tijd. De kopieën die zijn gemaakt, worden als vervalsingen beschouwd. In 1319, meer dan vijfhonderd jaar na de dood van Karel de Grote, werd een kopie ingeschreven in het register van Willem III van Holland.

In Vaderlandsche Historie uit 1770, 3e deel, met goedkeuring van de Staten van Holland, wordt de intentie van Floris V duidelijk weergegeven: "De Graaf dan, om der aloude Friesche Vryheid, eindelyk, den doodsteek te geeven,...."

Desondanks kan worden vastgesteld dat het Friese gebied inclusief de Ommelanden van de tiende eeuw tot het begin van de zestiende eeuw een geheel eigen ontwikkeling doormaakte, waarbij de feodale structuur zoals die door Karel de Grote was ontworpen vrijwel geheel ontbrak.

Een alternatieve verklaring wordt gegeven door Bernard Slicher van Bath. Hij wijst er op dat er in Friesland wel graven geweest zijn, maar dat deze zich niet tot landsheer konden ontwikkelen omdat de tweede pijler van het feodalisme, de horigheid er totaal onbekend was. Anders dan in grote delen van Europa was in Friesland steeds een geldeconomie blijven bestaan. De Friese boeren beoefenden voornamelijk de veeteelt en combineerden dat al eeuwenlang met handel. Verplichtingen die in andere gewesten werden voldaan middels de verplichte leveringen in natura, een van de kenmerken van de horigheid, konden door de Friezen met geld worden afgekocht. De graaf kon zijn taak als rechter nog wel enige tijd uitoefenen, maar het ontbreken van een lokale machtsbasis betekende uiteindelijk zijn ondergang.

Inhoud[bewerken]

Het ontbreken van een landheerlijk gezag betekende dat er geen centraal bestuur bestond. Feitelijk bestond Friesland uit een grote hoeveelheid autonome boerenrepublieken. De diverse landjes, veelal aangeduid als landschap of terra werden bestuurd door de bewoners zelf. Grondbezit speelde daarbij de doorslaggevende rol. Het uitgebreide bezit van de kloosters gaf met name de abten van de grotere kloosters als Aduard een grote rol in dat bestuur.

De kloosters speelden ook een grote rol in het vastleggen van het recht. Oudere teksten als de 17 Keuren en 24 Landrechten werden gecombineerd met de landrechten en vastgelegd in teksten als het Hunsingoër Landrecht. Daarnaast werden er pogingen ondernomen om tot een bovenregionale regeling te komen die voor het gehele gebied van de Friezen moest gelden. Uit de verschillende landstreken kwamen daarvoor afgevaardigden bijeen bij de Opstalboom bij Aurich. Later werden die vergaderingen ook in Groningen gehouden.

Groot probleem bleef echter dat er op zich wel duidelijkheid bestond over de inhoud van het recht, maar dat het afdwingen van dat recht op grote praktische problemen stuitte. Als een machtig man zich niet aan een uitspraak wenste te houden ontbraken de middelen hem daar toe te dwingen. Oorspronkelijk beschikten de abten nog over voldoende moreel gezag, maar het uitgebreide kloosterbezit maakte hun te vaak tot belanghebbende.

Einde van de middeleeuwse vrijheid[bewerken]

De conflicten tussen Schieringers en Vetkopers hebben aanzienlijk bijgedragen aan het einde van de Friese Vrijheid. Het ontbreken van een effectief gezag heeft ook bijgedragen aan het ontstaan van de twisten.

De twisten maakte het voor buitenstaanders aantrekkelijk om, soms met een beroep op oude rechten, zich met de Frieslanden te bemoeien. Tegelijkertijd nam door de rechteloosheid die het gevolg was van deze strijd de roep om een landsheer toe. In het huidige Friesland riep de Schieringer Potestaat Juw Dekama de hulp in van Albrecht van Saksen. Deze periode is beschreven door Petrus Thaborita.

De Friese vrijheid is in de andere Friese gebieden op verschillende manieren ten onder gegaan. In West-Friesland eindigde de vrijheid al eerder met de verovering door de graven van Holland.

In de Friese Ommelanden in Groningen werd het machtsvacuüm in de loop van de 14e en 15e eeuw opgevuld door de stad Groningen. De stad sloot met de verschillende Ommelanden verdragen, waarbij voorzien was in de instelling van een rechtscollege dat bevoegd was om in beroep uitspraak te doen, en, door de macht van de stad, ook in staat was op nakoming van die uitspraken toe te zien. De stad presenteerde zich daarbij ook nadrukkelijk als Friese stad, en als kampioen van de Friese Vrijheid.

Na de machtsovername van Albert van Saksen in Friesland zag de stad zich echter gedwongen steun te zoeken bij vreemde heren. Na een korte periode waarbij Karel van Gelre als Heer werd aangenomen werden uiteindelijk de stad en de Ommelanden door keizer Karel V toegevoegd aan zijn rijk, waarbij Karel zich beriep op de oude rechten van de Utrechtse bisschop.

In Oost-Friesland eindigde de Friese Vrijheid halverwege de vijftiende eeuw door de opkomst van de Cirksena's die het tot een graafschap wisten te maken.

Een laatste opleving van de Friese vrijheid kwam met de opstand van Pier Gerlofs Donia en Wijerd Jelckama van 1515 tot 1523. Deze kwam tot een einde in 1523, toen Jelckama te Leeuwarden werd onthoofd samen met de overgebleven leden van het opstandelingenleger, de Arumer Zwarte Hoop.

Burmania voor Filips II van Spanje.

Tijdens de Republiek[bewerken]

Ook in de 16e eeuw, toen Friesland een centrale overheid kende en onder het gezag van de Habsburgers viel, bleef het idee van de Friese vrijheid levendig. Met name de adel hield vast aan bestaande privileges en het recht in de Statenvergadering over belastingheffing en andere publieke zaken mee te beslissen. Volgens een 17e-eeuwse overlevering zouden de Friese afgevaardigden de eed aan Filips II bij diens inhuldiging te Brussel in 1555 staande hebben afgelegd, omdat zij er van uit gingen dat hun gewest niet door vererving in het bezit van de koning was geraakt, maar zich uit eigen beweging bij de Nederlanden had aangesloten. De pogingen van Karel V en Filips II om de macht van de Staten in te perken, werd dan ook ervaren als een aantasting van de Friese vrijheid. Samen met verzet tegen de vervolging van protestanten leidde dit uiteindelijk tot de Nederlandse opstand. Friesland sloot zich in 1578 aan bij de opstandige provincies. Het afzweren van Filips II in 1581 werd ervaren als het herstel van de Friese Vrijheid.

Ook in de 17e en 18e eeuw hadden veel Friezen de vrijheid hoog in het vaandel staan. Schrijvers als Christianus Schotanus en Foeke Sjoerds wijden er veel woorden aan. Met name de patriotten zagen de stadhouder in de persoon van Willem V als een bedreiging van de Friese vrijheid. Omgekeerd waren de oranjegezinden bang dat de vrijheid teloor zou gaan door buitenlandse interventie.

Vrijheid en de Friese beweging[bewerken]

Vooral in de nasleep van de Franse Revolutie kreeg het begrip vrijheid een nieuwe betekenis, enerzijds verbonden met het streven naar nationale onafhankelijkheid, anderzijds met beginnende democratisering. Het verhaal dat de Friese adel niet had willen knielen voor de koning werd nu toegeschreven aan Gemme van Burmania, een grietman uit Leeuwarderdeel, die gezegd zou hebben "Wij Friezen knielen alleen voor God" (Wy Friezen knibbelje allinne foar God). Deze anekdote is vermoedelijk verzonnen door de geleerde Paulus Scheltema in 1805.[1] Desondanks werd beeld van de stânfries die niet voor dreigementen zou zwichten een belangrijk stereotype, dat in de Friese beweging vaak werd herhaald

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • O. Vries, Het Heilige Roomse Rijk en de Friese Vrijheid (Leeuwarden 1986)
  • M.P. van Buijtenen, De grondslag van de Friese vrijheid (Assen 1953).
  • B.H. Slicher van Bath, Problemen rond de Friese middeleeuwsche geschiedenis in Schetsen en studiën op het gebied der middeleeuwse geschiedenis, (Arnhem 1978, herdruk)
Bronnen, noten en/of referenties
  1. P. van der Meulen, 'De stânfries', in: Bijdragen voor Vaderlandse Geschiedenis en Oudheidkunde 7e rks. 4 (1933), pp. 143-150