Gelderse Oorlogen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gelderse Oorlogen
Onderdeel van de Italiaanse Oorlogen
De verrassing van Arnhem (1514). Barend Wijnveld
De verrassing van Arnhem (1514). Barend Wijnveld
Datum 1502 – 1543
Locatie De Nederlanden
Resultaat Habsburgse overwinning
Territoriale
veranderingen
Noordelijke en Oostelijke Nederlanden ingelijfd door Habsburg
Strijdende partijen
Gelre:
Armoiries Gueldre-Juliers.png Gelre

Flag Ommelanden.svg Groningen & Ommelanden
Frisian flag.svg Friese opstandelingen (Zwarte Hoop)
gesteund door:
Pavillon royal de la France.svg Frankrijk

Habsburg:
Blason fr Bourgogne.svg Bourgondië

Counts of Holland Arms.svg Holland
Blason comte-des-Flandres.svg Vlaanderen
Coat of arms of Brabant.svg Brabant
enz.

onafhankelijk:
Banner of the Holy Roman Emperor (after 1400).svg Friesland

Ostfriesland CoA.svg Oost-Friesland
Flag of the prince-bishopric of Utrecht.svg Sticht Utrecht (sterk verdeeld)

Commandanten
Armoiries Gueldre-Juliers.png Karel van Gelre
Willem V van Kleef wapen.svg Willem V
Maarten van Rossum wapen.svg Maarten van Rossum
Frisian flag.svg Grote Pier
Frisian flag.svg Wijerd Jelckama
Frisian flag.svg Jancko Douwama
CoA-Roman-Emperor-Charles-V.png keizer Karel V
Maximilian I Arms.svg keizer Maximiliaan I
Philip of Burgundi Coat of arms.PNG Filips de Schone
Blason fr Bourgogne.svg Georg Schenck van Toutenburg
Frisian flag.svg Jancko Douwama
Banner of Saxony (1^1).svg George van Saksen
Ostfriesland CoA.svg Edzard I
Ostfriesland CoA.svg Enno II
Flag of the prince-bishopric of Utrecht.svg Frederik IV
Flag of the prince-bishopric of Utrecht.svg Filips van Bourgondië
Flag of the prince-bishopric of Utrecht.svg Hendrik II

Onder de Gelderse Oorlogen wordt een reeks conflicten verstaan in de Nederlanden: voornamelijk Holland, Vlaanderen en Brabant onder leiding van de Habsburgse vorsten van de Bourgondische Nederlanden aan de ene kant en Gelre, Groningen en de Ommelanden en Friesland, onder leiding van Karel van Gelre aan de andere kant. Het Sticht Utrecht, Oost-Friesland en de Saksische hertogen van Friesland kunnen gezien worden als aparte partijen. De Gelderse Oorlogen duurden van 1502 tot 1543 en kunnen gezien worden als een zijtoneel van een groter conflict om de heerschappij in Europa tussen Frankrijk en Habsburg, dat vooral in Italië werd uitgevochten, de Italiaanse Oorlogen; daarnaast raakten de Gelderse Oorlogen verstrengeld met een aantal "veten": de Saksische Vete (1514–'17), de Gelderse Vete (1531–'34) en de Gravenvete (1534–'36). De Gelderse Oorlogen eindigden met de Derde Gelderse Successieoorlog (1538-'43) in het voordeel van de Habsburgers.

Inleiding[bewerken]

De conflicten kenmerkten zich door het ontbreken van grote veldslagen tussen legers. In plaats daarvan vonden er allerlei kleinschalige schermutselingen, plundertochten en hinderlagen plaats. Toch waren de gevolgen van de oorlogen voor de bevolking groot. De vijandigheden beperkten zich niet tot Gelre, maar in vrijwel alle Nederlanden vonden oorlogshandelingen plaats, met als hoogtepunt de plundering in 1528 van Den Haag onder verantwoordelijkheid van de Gelderse veldheer Maarten van Rossum.

Voorgeschiedenis[bewerken]

Gelre was al eens van 1473 tot 1477 onder Bourgondische heerschappij gekomen, maar door het verloop van de Bourgondische Oorlogen waagden de Geldersen het om in opstand te komen, wat uiteindelijk mislukte, tot de erfgenaam van de vorige Gelderse hertog, Karel van Gelre, in 1492 terugkeerde uit gevangenschap en werd ingehuldigd als nieuwe hertog. Nieuwe pogingen tussen 1493 en 1499 van Maximiliaan van Oostenrijk (Duits keizer) en Filips de Schone (hertog van Bourgondië) om Gelre te heroveren werden afgeslagen. Er werd nog steeds gezonnen op wraak en drie jaar na het laatste krijgsbedrijf begonnen de Bourgondiërs (Habsburgers) met een nieuwe aanval op Gelre.

Verloop[bewerken]

Ontstaan[bewerken]

Karel van Gelre.

In 1502 veroverde het Bourgondische leger Arnhem, de belangrijkste van de vier hoofdsteden van Gelre. Filips bood het hertogdom als achterleen aan Karel aan in 1505. Karel weigerde: hij wilde Gelre enkel rechtstreeks van de keizer lenen. Filips onderhandelde nu niet verder en veroverde in hetzelfde jaar een groot gedeelte van Gelre, waarna Karel hem in de hertogelijke residentie Rozendaal te voet viel (de 'knieval van Rozendaal'). Karel moest Filips vergezellen naar Spanje, waar deze als koning zou worden ingehuldigd. Verder dan Antwerpen ging Karel niet mee.[1] In 1506 overleed Filips, wat Karel de ruimte bood om zijn plannen voort te zetten.

Het Oversticht raakte betrokken bij de krijg; in 1508 werd Kuinre door Karel van Gelre bezet en geplunderd. Een tijdelijke vrede bracht weinig verlichting, want spoedig begon de oorlog opnieuw. Ridderschap en Steden van Overijssel verklaarden zich bereid de bisschop te steunen. In het begin van 1510 waren de vijandelijkheden in volle gang, het jaar erop overleefde Gelre een grote Bourgondische aanval[2]. Hertog Karel bedreigde Kampen, plunderde Genemuiden en maakte de verbinding tussen Over- en Nedersticht onveilig. De bedoeling van de hertog was waarschijnlijk om zich van Overijssel te verzekeren, mede in verband met zijn plannen ten opzichte van Friesland en Groningen, die enkele jaren later werden uitgevoerd. De Geldersen vielen daarna Twente binnen, waar zij grote verwoestingen aanrichtten en onder andere Oldenzaal bezetten (hoofdplaats van het Landschap Twente). Bisschop Frederik, die zich naar Overijssel begaf, was niet bij machte veel hulp te verlenen en het Nedersticht weigerde op te treden tegen Gelre, ondanks herhaaldelijke hulpkreten van de IJsselsteden, die al veel oorlogskosten hadden opgelopen. Uiteindelijk kwam Maximiliaan de bisschop te hulp door de Gelderse troepen uit Twente te verdrijven. Ambtman Roelof van Munster van Coevorden echter, bezette zijn stad en viel Salland binnen. In 1513 sloten Maximilaan en Karel van Gelre weer een kortstondige vrede.[3] In juli 1513 had Karel het gewest grotendeels heroverd; in 1514 hernam hij Arnhem middels in een korenwagen verborgen soldaten die de stad werden ingesmokkeld, waarna zij de poorten openden en de hertogelijke troepen binnenlieten.[1][2] Deze gebeurtenis met de 'Korenwagen van Arnhem' wordt wel vergeleken met het Paard van Troje en het Turfschip van Breda.

Tegelijkertijd met de meerderjarigverklaring van Karel van Habsburg (de latere keizer Karel V, zoon en opvolger van Filips de Schone) in 1515 werd landvoogdes Margaretha van Oostenrijk (1480-1530) vervangen door Willem II van Croÿ (1458-1521), heer van Chièvres. Deze vond de herovering van Gelre niet van dringend belang. Twee jaar later nam de landvoogdes het bewind weer over en laaide de spanning weer op.[1]

Oorlog in Friesland[bewerken]

Mei 1515: Door de Bourgondische verwerving van Friesland raakt Gelre in oorlog met Karel V.
1rightarrow blue.svg Zie ook Saksische Vete voor de oorlog tussen George van Saksen en Edzard I van Oost-Friesland (1514-1517).
1rightarrow blue.svg Zie ook Fries-Hollandse oorlogen#De laatste oorlog, in het bijzonder voor de rol van Grote Pier en zijn volgelingen in de Friese strijd.

Hertog George van Saksen, die tot dan toe slechts Westerlauwers Friesland had bestuurd, werd door keizer Maximiliaan I in 1514 benoemd tot stadhouder over alle Friese landen. Dit werd door de stad Groningen geweigerd. Graaf Edzard I van Oost-Friesland zag dit als een goede gelegenheid zijn invloed uit te breiden over de Ommelanden en Groningen, en liet zich uitroepen tot beschermheer van de stad. Maximiliaan verklaarde Edzard daarop vogelvrij (Reichsacht), en vervolgens vielen 24 Duitse hertogen en graven met hun troepen Oost-Friesland binnen en richtten grote verwoestingen aan. Intussen trachtte George Groningen met een belegering te verwerven, waarbij het stadsbestuur besefte dat Edzard niet sterk genoeg was om Saksen af te weren en in plaats daarvan Karel van Gelre binnenhaalde als beschermheer.
Onderwijl kwamen de Westerlauwerse Friezen (onder meer de Friese edelman Jancko Douwama) in opstand tegen het Saksische bestuur, en streden samen met de Geldersen en Groningers tegen de Saksische legers. Nadat George was teruggedrongen tot Leeuwarden, Harlingen en Franeker, verkocht hij zijn rechten op Friesland aan Karel V, die vervolgens troepen uit Holland, Zeeland, Vlaanderen en Brabant stuurde om bezit te nemen van het gebied, waarover hij Floris van Egmont aanstelde als stadhouder. De Friezen kwamen hiertegen in opstand onder leiding van Pier Gerlofs Donia en zijn luitenant Wijerd Jelckama, die op zee Hollandse schepen aanvielen en in 1517 een aanval op Medemblik pleegden; de Hollandse scheepvaart op de Zuiderzee had hier veel van te lijden. De Friezen, Geldersen, Oost-Friezen, Groningers en Ommelanders verenigden zich tegen hun gemeenschappelijke Bourgondische vijand onder leiding van Karel van Gelre, die bovendien een bondgenootschap had gesloten met Frans I van Frankrijk.

Omdat Karel V door erfenis in januari 1516 koning van Spanje en grote gebieden in Italië was geworden, moest hij afreizen naar Zuid-Europa om staatszaken te regelen, wat maakte dat hij zijn doeleinden in de Nederlanden met minder kracht kon nastreven dan voorheen. Na op 14 maart 1516 te Brussel zijn koningstitel te hebben aangenomen, wachtte Karel V in de zomer van 1517 bij Middelburg op gunstige zeewind voor de boottocht naar Spanje, toen hem het bericht bereikte over de Zwarte Hoop: een groep van 6000 door Friese kapers overgebrachte Gelderse soldaten onder leiding van Johan van Selbach en Johan Goltstein waren geland bij Medemblik en trokken over Alkmaar midden door Holland tot Asperen, terwijl ze onderweg verscheidene plaatsen plunderden.[4] Karel V zag zich hierdoor genoodzaakt zijn reis uit te stellen om deze daad te vergelden met de herovering van Asperen en een wraaktocht over de Veluwe. Omdat hij nu niet de tijd en kracht om voorgoed met Gelre af te rekenen, begon hij onderhandelingen voor een bestand, dat ook daadwerkelijk gesloten werd, zodat Karel eindelijk op 8 september naar Spanje kon zeilen.

De keizersverkiezing[bewerken]

Karel V in 1532.

Intussen (1517) lukte het Karel V om Oost-Friesland buiten het gevecht te brengen (al drie jaar lang werd deze door Oldenburg en Brunswijk aangevallen door de vogelvrijverklaring van Maximiliaan); hij sloot vrede met Edzard I en erkende zijn grondgebied, waarmee hij de Saksische Vete beëindigde. De strijd ging ondertussen langzaam verder op het politieke vlak, omdat het einde van keizer Maximiliaan naderde; dit betekende dat de verkiezing van een nieuwe Duitse keizer naderde. Terwijl in de Habsburgse Nederlanden Karel V naar voren werd geschoven, wierf Karel van Gelre stemmen voor Frans I van Frankrijk; bovendien bepleitte de Gelderse hertog zijn recht op Gelre en verwierp het aanbod om zijn land een Brabants achterleen te maken; hij wilde zijn hertogdom alleen rechtstreeks van de keizer lenen (welke hij hoopte dat Frans I zou zijn). Echter werd Karel V op 28 juni 1519 te Frankfurt tot keizer gekozen, en op 23 oktober te Aken tot Rooms-Duitse koning gekroond; een nederlaag voor de Frans-Gelderse partij. De spanningen liepen op en weldra brak er opnieuw een oorlog uit tussen Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk, welke bekend zou komen te staan als de Italiaanse Oorlog van 1521-1526.

Gelderse macht bereikt hoogtepunt[bewerken]

Eind 1522: Het hoogtepunt van Gelre's macht.

Omdat beide grootmachten in deze oorlog alle steun konden gebruiken, was het voor hen van groot belang om in de Nederlanden bondgenoten te vinden; Frankrijk en Gelre hadden elkaar nodig bij het verslaan van de Habsburgse vijand, die in de door hen beheerste Nederlanden beden hielden om de oorlog te betalen. In de eerste oorlogsjaren stonden de staten dit nog toe, maar men wilde eigenlijk alleen geld opbrengen voor gevaar dicht bij huis; Vlaanderen had alleen oog voor de zuidgrenzen, Holland en Brabant alleen voor het buurland Gelre.[4]

Hertog Karel had in 1520 het grootste gedeelte van Friesland nog in handen, op enkele plaatsen waar Bourgondische troepen gelegerd waren na (Leeuwarden, Harlingen en Franeker); hij was evenwel sinds 1518 de hulp van Grote Pier kwijt, terwijl Wijerd Jelckama de strijd tegen de Bourgondiërs voortzette. Jancko Douwama raakte bij de hertog in ongenade en liep over naar Karel V.

In Groningen en de Ommelanden was Jasper van Marwijck de stadhouder van Karel van Gelre; deze liet nu zijn oog vallen op het tussenliggende Oversticht. In 1520 bood zich hiertoe de gelegenheid aan in de vorm van een handelsoorlog tussen Kampen en Zwolle, welke laatste zich slecht behandeld voelde door de bisschop bij diens bemiddeling, en de hertog van Gelre binnenhaalde als landsheer (hiermee pleegden de Zwollenaren meineed). Karel greep deze kans en rukte Overijssel binnen.[4] Op 11 juli 1521 trachtten Gelderse en Zwolse troepen Hasselt bij verrassing in te nemen, en belegerden het stadje van 16 tot 21 juli vergeefs, om het tenslotte links te laten liggen.[5]

In 1522 maakte Karel van Gelre gebruik van zijn bondgenootschap met Frans I van Frankrijk om zich uit te laten roepen tot heer van de Ommelanden en in één moeite door bezette hij het Oversticht; Johan van Selbach werd zijn stadhouder over deze gebieden, die bestuurd werden vanuit Coevorden. Eind 1522 had de bisschop van Utrecht enkel in Hasselt en Oldenzaal nog vendelen gelegerd[6], verder was het gehele Oversticht in Gelderse handen.

Het jaar daarop werd de Gelderse hertog ingehuldigd in de stad Groningen en Drenthe[4]. Dit was mogelijk omdat de macht hier in handen was van hereboeren, hoofdelingen, die nog wel eens wisselden van partij. Karel van Gelre werd gesteund door de hoofdelingen van de Vetkopers.

Terwijl Karel van Gelres ster rees in Oversticht en Ommelanden, daalde deze in Friesland; de nieuwe Bourgondische stadhouder van Friesland Georg Schenck van Toutenburg ging in de tegenaanval. In 1522 werden de Geldersen door burgers uit Sneek en Stavoren verdreven, het jaar daarop veroverde Schenck van Toutenburg Lemmer en tenslotte in november Sloten, het laatste Gelderse steunpunt in Friesland. Steenwijk werd eveneens door hen verlaten. Wijerd Jelckama werd met zijn volgelingen gevangengenomen en in Leeuwarden onthoofd; Jancko Douwama werd nu ook door de Habsburgers gewantrouwd en in Vilvoorde gevangengezet, waar hij tien jaar later zou overlijden. In december 1524 werd de verhouding tussen Friesland en keizer Karel V vastgelegd: vanaf nu stond Westerlauwers Friesland bekend als de Heerlijkheid Friesland.[4]

Nedersticht en Overijssel[bewerken]

Maarten van Rossum, Gelderse maarschalk. Houtsnede uit ca. 1545, later ingekleurd.
Schenck van Toutenburg, Habsburgse veldheer. Schilderij uit ca. 1540.
Maarten van Rossum brandschat Den Haag. Schilderij uit 1853.

Toen op 7 april 1524 bisschop Filips van Bourgondië-Blaton overleed, brachten zowel de Habsburgers als Geldersen een opvolger naar voren. Het kapittel en de stad Utrecht hadden echter een eigen kandidaat gesteld, Hendrik van Beieren, die gekozen werd en bisschop Hendrik II werd. De keizerlijken en Geldersen moesten zich neerleggen bij deze neutrale elect, terwijl men onderhandelde over het ontruimen van het Oversticht, waar beiden nog troepen hadden gelegerd (de Bourgondiërs Steenwijk, de hertog nog veel stadjes, hoewel de IJsselsteden hem al afgevallen waren, zie Beleg van Zwolle). In december 1524 sloot Karel van Gelre met Hendrik II een verdrag waarbij hij zijn aanspraken op Overijssel (met uitzondering van Diepenheim) liet vallen in ruil voor een grote schadevergoeding, die hem op tijd en ten volle betaald werd. Hij had eind 1524 enkel Groningen, de Ommelanden en Drenthe in het noorden nog in bezit, waarbij zijn gezag alleen in de stad Groningen sterk was.[4]

De elect (Hendrik II is nooit tot bisschop gewijd) kon echter niet zonder problemen het Sticht besturen: de hoge belastingen leidden in 1525 tot een oproer in Utrecht tegen het stadsbewind, dat werd vervangen door een nieuw bestuur waarin de gilden grote invloed hadden; met instemming van de elect dreven zij verregaande hervormingen door. In 1526 vond er opnieuw een omwenteling plaats, toen geharnaste kapittelheren, ridders en een deel van de burgers het gildenbewind versloegen in een straatgevecht. Zij stelden een bestuur in dat de Staten van het Nedersticht weerspiegelde, en niet langer gehoorzaamde aan elect Hendrik. Het jaar erop trachtte hij met een klein leger de orde in Utrecht te herstellen, maar men sloot voor hem de stadspoorten, en enkele dagen later liet men de Gelderse ruiterij binnen. De Staten van het Nedersticht erkenden Karel van Gelre, die ondertussen ook aan een herovering van het Oversticht was begonnen, als 'erfbeschermheer' en zetten feitelijk hun heer Hendrik van Beieren af.[4]

Hendrik II zocht steun bij Karel V, die hem wilde helpen indien hij zijn wereldlijke macht zou afstaan (het Sticht Utrecht). Uiteindelijk stemde Hendrik in en tekende in november 1527 het verdrag van Schoonhoven, dat de overdracht bevestigde. Meteen vroegen de benauwde IJsselsteden om bijstand tegen Gelre, waarop keizerlijke gezanten hen meldden dat zij de bescherming van Karel V konden genieten als zij hem wilden aannemen als landsheer. De Staten van Overijssel verklaarden in januari 1528 dat zij tot erkenning bereid waren en Karel V wilden huldigen. Hendrik II legde zich hier in februari 1528 (verdrag van Dordrecht) bij neer, als de paus het goedvond.[4] Paus Clemens VII had weinig te eisen, omdat door de Plundering van Rome in 1527 zijn wereldlijke macht en invloed in Europa behoorlijk waren beschadigd.

Schenck van Toutenburg rukte Overijssel binnen en verdreef de Geldersen zonder veel moeite; als Heerlijkheid Overijssel ging dat nu onderdeel uitmaken van de Habsburgse Nederlanden. Maar ondertussen leidde Maarten van Rossum, die benoemd was tot Maarschalk van Gelre, een plundertocht door Holland, waarbij hij Den Haag brandschatte, wat leidde tot een verernstiging van de oorlog. Plots waren de Hollandse en Brabantse steden bereid te betalen voor een leger, dat de Veluwe binnenviel, Schenck tegemoet. In Utrecht raakten de Gelderse troepen gedemoraliseerd door slechte betaling, en de Utrechtse burgers werden zo ontmoedigd dat zij hun oude vijand, de elect Hendrik II en zijn bisschoppelijke leger, eind juni verraderlijk de stad binnenlieten. De Geldersen verloren en ontruimden het gehele Nedersticht, waar Hendrik slechts kort genoot van zijn zege omdat de Habsburgers zijn afbetaling eisten. Op 20 oktober 1528 stond Hendrik van Beieren te Gorinchem zijn wereldlijke macht af aan Karel V, wat in augustus 1529 door de paus werd erkend.[4]
Gelre zelf werd bedreigd: Hattem, Elburg en Harderwijk waren al bezet en Tiel werd belegerd. De Franse koning hielp niet, omdat hij bezig was zijn eigen oorlog tegen Karel V te verliezen.[4] Op 3 oktober 1528 zouden Karel V en Karel van Gelre de Vrede van Gorinchem tekenen, waarin werd besloten dat de laatste Groningen, de Ommelanden en Drenthe mocht behouden; het verdrag werd echter nooit ondertekend.

Gelderse Vete en Gravenvete[bewerken]

1538: De noordelijke gewesten zijn verloren, en Gelre gaat een personele unie aan met Gulik-Kleef-Berg.

In de jaren '30 van de 16e eeuw verbond Karel van Gelre zich met Christiaan III van Denemarken en Balthasar van Esens, beiden vijanden van zijn vijanden, namelijk Karel V en Enno II van Oost-Friesland. Balthasar maakte zijn grondbezit Harlingerland een leen van Gelre, en met hertog Karel stelde hij troepen aan onder bevel van Meindert van Ham, die in de slag bij Jemmingen (1533) Enno versloeg. Ook Maarten van Rossum streed in de jaren 1532-'34 tegen de Habsburgse troepen in Oost-Friesland.[7] Bij de Gravenvete boden Karel van Gelre en Christiaan III elkaar wederzijdse bijstand. In 1536 kwam het tot een veldslag bij Heiligerlee tussen de Geldersen onder leiding van Meindert van Ham en de Bourgondiërs onder leiding van Schenck van Toutenburg, waarin de laatsten de overwinning behaalden. Hierna moest Karel van Gelre de Vrede van Grave tekenen, waarbij hij afstand deed van de Groningse gebieden en Drenthe (deze werden omgevormd tot de Heerlijkheid Groningen en de Landschap Drenthe). Enkel Gelre zelf was nog in handen van de Geldersen.

Opvolgingsvraagstuk[bewerken]

Karel van Gelres huwelijk met Elizabeth van Brunswijk-Lüneburg bleef kinderloos, en daar hij te oud begon te worden, drong de noodzaak van zijn opvolging aan. In 1534 sloot de hertog heimelijk een verdrag met de Franse koning, die het hertogdom zou erven bij Karels overlijden; hiermee wilde de hertog voorkomen dat zijn gewest in handen van de gehate Habsburgers zou komen.[8]

Karel van Gelre besloot in 1537 zijn opvolgingsplan met de Franse koning te onthullen aan de stad Nijmegen. Echter slaagde hij er niet in om de Gelderse steden en ridderschappen te overtuigen, die ook geen heil zagen in Frankrijk. Keizer Karel V, die de achterkleinzoon was van Karel de Stoute (Gelderse hertog 1473-'77), maakte uiteraard aanspraken op Gelre, maar bijna niemand wilde het gewest uitleveren aan de Habsburgse vijand. Men wilde een naaste bloedverwant van Karel van Gelre als nieuwe hertog, en daarvoor kwamen Anton van Lotharingen (kleinzoon van Karels zus) en Willem V van Kleef (verwant via Reinoud IV van Gelre-Gulik, Karels overgrootvader) eerder in aanmerking. Onder druk stemde Karel uiteindelijk in met Willem V.[8]

Val van Gelre[bewerken]

1542-'43: Na grote invallen en strijd om Gulik in 1542, worden Gulik en Gelre bezet in 1543.

Op 30 juni 1538 stierf Karel van Gelre. Willem V van Kleef volgde hem op als hertog van Gelre en graaf van Zutphen. De grote Rijnlandse lappendeken van het huis van der Mark leek de Gelderse toekomst te zijn. Echter, de Habsburgers zouden dit niet aanvaarden en eisten ook de heerschappij over Gelre en Zutphen op. Daarmee brak de Derde Gelderse Successieoorlog uit.

Op 12 juli 1542 verklaarde Frankrijk Karel V de oorlog, daarmee de wapenstilstand van Nice verbrekend. De Nederlanden werden vanuit verscheidene richtingen aangevallen: de hertog van Vendôme viel Artesië binnen op weg naar Vlaanderen, de hertog van Orléans marcheerde op naar Luxemburg, elk ogenblik konden de Deense schepen voor de kust verschijnen[9]. Maarten van Rossum hield op bevel van hertog Willem een grote plundertocht door Brabant, waarbij hij Antwerpen en Leuven aanviel en het platteland leegroofde[10]. Juist op dat ogenblik had de landvoogdes weinig troepen tot haar beschikking, en de verwachte Duitse landsknechten moesten nog aankomen. Ondanks hun getalsmatige macht viel het gevaar voor de Habsburgse Nederlanden mee door de slechte coördinatie en achterdocht van de bondgenoten; bovendien wist de heer van Praet de landvoogdes in raad en daad bij te staan en de meeste aanvallen spoedig af te slaan.[9]

Als reactie op van Rossums aanval stuurde de landvoogdes het leger om Gulik te veroveren, wat na achttien dagen bijna voltooid was. Er dreigde echter muiterij, en ze sloot met Willem V een wapenstilstand. Het Habsburgse leger viel daarna door onenigheid en desertie uiteen, waarna Willem van Kleef met hulp van de hertog van Saksen Gulik kon heroveren (op Heinsberg na). Op 20 maart 1543 begon een nieuw Bourgondisch leger een opmars naar Gelre en Gulik, maar werd opnieuw verslagen in de slag bij Sittard op 24 maart, waarbij echter de Geldersen meer ruiters verloren dan de Bourgondiërs, en de hertog van Aarschot zich onderscheidde in dapperheid.[9]

Daar lieten de Habsburgers het echter niet bij zitten, en in de zomer van 1543 ondernamen zij met een legermacht van 40.000 soldaten een veldtocht door het Gelderse rivierengebied tussen Rijn en Maas, eindigende in Venlo, waar een veldslag plaatsvond waarin de Geldersen overtuigend werden verslagen[9]. Onderweg werd ook de sterke Gelderse stad Düren veroverd.[11] Frankrijk greep niet in, Gelre en Gulik werden bezet en kregen een Habsburgse stadhouder (René van Chalon respectievelijk Filips van Lalaing). Bij het Traktaat van Venlo op 7 september 1543 moest Willem V zijn Gelderse en Zutphense titels weer afstaan, maar behield Gulik. Gelre viel zo uiteindelijk aan Karel V; hiermee was de vorming van de Zeventien Provinciën een feit, en kwam er een einde aan de Gelderse Oorlogen.

Gevolgen[bewerken]

De Gelderse Oorlogen eindigden met een overwinning voor de Bourgondische Nederlanden. Hierdoor kwamen alle Nederlanden onder één centraal gezag, dat van keizer Karel V. Voor de wording van het huidige Nederland was de uitkomst van de Gelderse Oorlogen van groot belang: een vorming van een Nedersaksische staat bestaande uit Gelderland, Overijssel, Drenthe, Groningen en Friesland was voorkomen. Bovendien had Karel V besloten in 1517 Oost-Friesland en in 1543 Gulik niet op te nemen in de Nederlanden, waarmee hij de Nederlandse oostgrens heeft bepaald. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog, een halve eeuw later, ontstond de splitsing tussen de Habsburgse Nederlanden in Noord en Zuid, waarmee uiteindelijk de territoriale afronding van het latere Nederland grotendeels was afgerond.

Gelderse Oorlogen in volkscultuur[bewerken]

Karel van Gelre, die wel wordt gezien als de laatste feodale heer in de Nederlanden, en zijn maarschalk Maarten van Rossum (ook wel bekend als Zwarte Maarten door zijn optreden in Den Haag[10]), zijn in de latere geschiedenis zowel verguisd als verheerlijkt, enerzijds als wrede vechtersbazen, anderzijds als vrijheidsstrijders.

  • De Antwerpse dichteres Anna Bijns vergeleek de euveldaden van 'Merten van Rossom' met de kerkhervormer Maarten Luther, van welke twee zij van Rossum nog de beste vond[10].
  • De Gelderse dichter A.C.W. Staring roemde Karel van Gelre om zijn list met de korenwagen van Arnhem, en Rossum om zijn heldenmoed, die ieder Geldersman als een voorbeeld zou moeten dienen.
  • De inwoners van Zwolle staan nog steeds bekend als Blauwvingers, omdat zij meineed pleegden door in 1520 Karel van Gelre binnen te halen als landsheer en de bisschop van Utrecht af te zweren. Destijds werden meinedigen 'blauwvingers' genoemd, wat in de loop der tijd een geuzennaam is geworden waarop men heden trots is; de laatste twee regels van het Zwolse volkslied luiden: "Bekijk mijn vingers maar, ik ben een Zwollenaar!"
  • De Gelderse folkmetalband Heidevolk bracht op het album Uit oude grond in 2010 een nummer uit ter ere van Karel van Gelre, waarin ook Maarten van Rossum en Grote Pier een rol spelen, strijdende voor 'het volk van het oosten en het noorden', de vrijheid van Gelre tegenover de Bourgondisch-Habsburgse dreiging, en een Nedersaksisch rijk. Onder andere de krijgstochten van de Zwarte Hoop in 1517 en naar Den Haag in 1528 worden in herinnering gebracht.
  • De Nederlandse televisieserie Floris uit 1969 speelt zich af in de tijd van de Gelderse Oorlogen. Wanneer precies is onbekend, omdat de gebeurtenissen uit de serie niet helemaal chronologisch overeenstemmen met de werkelijke geschiedenis.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c Biografie Karel van Gelre zoals op 22 april 2009 geraadpleegd op http://ahc.ruhosting.nl/vg/html/vg000199.htm (webpagina bestaat nu niet meer)
  2. a b Arnheym - Karel van Gelre en Karel V. Geraadpleegd op 26-11-2010.
  3. Prof. dr. B. H. Slicher van Bath e.a. (1979) Geschiedenis van Overijssel, Uitgeverij Waanders, Zwolle.
  4. a b c d e f g h i j Prof. Dr. I. H. Gosses, geheel omwerkt door Prof. Dr. R. R. Post (1979) Handboek tot de staatkundige geschiedenis der Nederlanden: De Middeleeuwen. Uitgeverij Martinus Nijhoff bv, 's-Gravenhage.
  5. D. E. H. de Boer e.a., Het Noorden in het midden (1998) 79. Uitgeverij Van Gorcum.
  6. Tweeduizend jaar geschiedenis van Overijssel (1990) 131. Leeuwarden: Inter-Combi van Seijen.
  7. Encarta-encyclopie Winkler Prins (1993-2002) s.v. Rossem, Maarten van. Microsoft Corporation/Het Spectrum.
  8. a b G. A. Noordzij Gelre. Dynastie, land en identiteit in de late middeleeuwen (2008) 177-179. Universiteit Leiden.
  9. a b c d F. Keverling Buisman, Verdrag en Tractaat van Venlo (1993) 8. Hilversum: Uitgeverij Verloren.
  10. a b c Els Kloek, Verzameld verleden: veertig gedenkwaardige momenten en figuren uit de vaderlandse geschiedenis (2004) 42-45. Hilversum: Uitgeverij Verloren.
  11. Jean Coenen, Baanderheren, boeren en burgers. Een overzicht van de geschiedenis van Boxtel, Liempde en Gemonde (2004) 156.