Graafschap Oost-Friesland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Graafschap Oost-Friesland
Land binnen het Heilige Roomse Rijk
1464 — 1744 Pruisen 
Kaart


(Oost-Friesland in 1477)

Algemene gegevens
Hoofdstad Emden
Talen Oosterlauwers Fries, Oostfries Nedersaksisch, Nederlands, Duits
Religie(s) Lutheranisme, Calvinisme
Regering
Regeringsvorm Monarchie
Dynastie Huis Cirksena
Staatshoofd Graaf

Het Graafschap Oost-Friesland was een graafschap (sinds 1662 echter geregeerd door vorsten) in de landstreek Oost-Friesland in het noordwesten van de huidige Duitse deelstaat Nedersaksen.

Inhoud

[bewerk] Graafschap

Oost-Friesland hoorde oorspronkelijk tot het woongebied van de Friezen. De Friezen kenden feitelijk geen landsheerlijk gezag. In Oost-Friesland waren er wel aanzienlijke families, de zogenaamde hoofdelingen die streefden naar een uitbreiding van hun, veelal zeer lokale, macht. In de vijftiende eeuw slaagde het geslacht Cirksena er in om zijn macht over vrijwel heel Oost-Friesland te vestigen. In 1464 werd Ulrich I door keizer Frederik III in de gravenstand verheven en werd Oost-Friesland een graafschap.

[bewerk] Ontstaan van het graafschap

In 1430 werd er een vrijheidsbond gesloten onder leiding van de hoofdeling Edzard Cirksena van Greetsiel, die gericht was tegen de heersende Focko Ukena. Edzard wist samen met zijn broer Ulrich eenn eind te maken aan de macht van de Ukena-partij. Na het huwelijk in 1455 van Ulrich Cirksena met Theda, de kleindochter van zijn tegenstander, werd het grootste deel van Oost-Friesland verenigd. Slechts de heerlijkheden Jever en Friedeburg konden hun zelfstandigheid handhaven. Sibet Attena, een neef en helper van Ulrich kreeg de heerlijkheden Esens, Stedesdorf en Wittmund, die samen het Harlingerland vormden. Het Harlingerland bleef wel onder het oppergezag van de familie Cirksena. Omdat Ocko I tom Brok het gebied in 1381 als leen had opgedragen aan de graaf van Holland, was de status van de heerser van Oost-Friesland onduidelijk. De heerser in Oost-Friesland besloot de situatie te verbeteren door zich direct tot de keizer te wenden. Keizer Frederik III verhief Ulrich daarom in 1464 tot rijksgraaf. De keizer beleende Ulrich I met het rijksgraafschap in Norden, Emden, Emisgonien in Oost-Friesland

[bewerk] Consolidatie van het graafschap

Na de dood van Ulrich I regeerde zijn weduwe Theda voor hun minderjarige kinderen. Zij wist de bedreigingen door hertog Karel de Stoute van Bourgondië en graaf Gerd van Oldenburg te weerstaan. In 1481 vergrootte zij het gebied met de heerlijkheid Fredeburg. Onder haar zoon Edzard I waren er twisten met de hoofdelingen van het Harlingerland en het Jeverland en met de prins-bisschop van Münster en de Hanzestad Hamburg. Jeverland en Harlinger Land bleven zelfstandig, terwijl Butjadingen werd onderworpen.

[bewerk] De strijd om de Friese Landen

Met de benoeming van hertog Albrecht van Saksen tot rijksstadhouder van Friesland door keizer Maximiliaan I ontstond er een nieuwe situatie. Deze benoeming was de laatste mogelijkheid om heel Friesland onder één heerser te verenigen. Graaf Edzard erkende Albrecht als zijn leenheer. Er braken echter opstanden tegen Albrecht uit in Friesland en de Groninger Ommelanden. Edzard verbrak het verbond met Albrecht en sloot in 1506 een verbond met Groningen. Edzard werd nu ook in de Groninger Ommelanden als heerser erkend. In 1512 werd de primogenituur ingevoerd om de nieuw verworven eenheid te bewaren. In 1515 stonden de opvolgers van Albrecht van Saksen hun rechten op Friesland af aan hertog Karel van Bourgondië, de latere keizer Karel V. Het conflict eindigde in 1517 met een overeenkomst tussen Edzard en Karel van Bourgondië, waarbij Karel de bezittingen van het rijksgraafschap van Edzard erkende.

[bewerk] De Reformatie

Na 1519 vond de reformatie plaats, die aanvankelijk een tolerant karakter had ten opzichte van de katholieken. Nadat Edzard I in 1528 was opgevolgd door zijn zoon Enno II, begon de onderdrukking van het katholicisme. De meeste Oost-Friese kloosters werden geseculariseerd. Daarnaast ontstonden er scherpe tegenstellingen tussen de lutheranen en de gereformeerden.

[bewerk] Huwelijkspolitiek en gebiedsomvang

In 1517 was er een verdrag gesloten, waarin het huwelijk werd gepland van Enno II met Maria van Jever. Enno II verbrak dit verdrag en huwde in 1529 Anna van Oldenburg. Bij dit huwelijk werd Butjadingen aan Oldenburg afgestaan en deed Oldenburg afstand van zijn aanspraken op Jever. Maria van Jever verjoeg daarop in 1531 de Oostfriese bezetting en droeg in 1532 haar land als leen op aan de hertog van Bourgondië, keizer Karel V. Het Harlingerland werd leen van het Hertogdom Gelre.

[bewerk] Nederlandse bemoeienis

De macht van de graaf kwam in de zestiende eeuw onder druk te staan, mede door de Opstand in de Nederlanden. De stad Emden was een populair ballingsoord onder Nederlandse calvinisten, terwijl de graaf,Edzard II luthers was. In 1595 bemoeide de Republiek zich met dit geschil waarna bij het verdrag van Delfzijl de lutherse graaf de Nederlandse invloed en de (calvinistische) Hervormde kerk erkende. Er bleven Nederlandse troepen in Emden en Leer gelegerd.

In 1602 probeerde graaf Enno met steun van de keizer en de Spaanse koning de Nederlanders te verdrijven, maar hij werd zelf teruggedreven. In een nieuw verdrag 1603 moest hij de Nederlandse bezetting en de kerkelijke gevolgen voor onbepaalde tijd aanvaarden. In de Dertigjarige Oorlog vielen keizerlijke troepen het graafschap binnen in 1628. Hoewel het niet tot geweld kwam met de Nederlanders, beëindigden de Staten-Generaal de bevoorrading van de Eemsvallei.

[bewerk] Status na 1744

Het gebied verviel in 1744 aan Pruisen, maar in de Franse tijd werd het in 1807 als departement Oost-Friesland toegevoegd aan het koninkrijk Holland. Na de annexatie van dit koninkrijk door Frankrijk in 1810 vormde het gebied het Franse departement Oostereems. In 1815 werd het toegevoegd aan het koninkrijk Hannover. Heden ten dage maakt het deel uit van de Duitse deelstaat Nedersaksen.

[bewerk] Zie ook

 
Persoonlijke instellingen
in andere talen